SRU-HvJ-2015-26

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-765
  • Uitspraakdatum 20 februari 2015
  • Publicatiedatum 15 april 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoeker vordert dat het besluit, waarin is opgenomen een tuchtstraf van een week, wordt vernietigd.
    Het hof is van oordeel dat de tuchtstraf niet disproportioneel is in verhouding tot het plichtsverzuim.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de zaak van  

[verzoeker],   
wonende in het [district],  
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,  
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,  

tegen 

DE STAAT SURINAME,  
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,   
zetelende te Paramaribo,  
verweerder, hierna aangeduid als “de  Staat”,  
gemachtigde: mr. R. Koendan,   
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.  

Het procesverloop  

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:  

  • het verzoekschrift ingediend ter griffie op 1 februari 2012, met producties;  
  • het verweerschrift ingediend ter griffie op 13 maart 2012;  
  • de beschikking van het Hof van 11 juni 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 3 augustus 2012;  
  • het proces-verbaal van de op 3 augustus 2012 gehouden mondelinge behandeling; 
  • het proces-verbaal van de op 2 november 2012 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling; 
  • de pleitnota d.d. 1 februari 2013; 
  • de antwoord pleitnota d.d. 5 april 2013;  
  • de repliek pleitnota d.d. 3 mei 2013; 
  • de dupliek pleitnota d.d. 7 juni 2013. 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.    

De feiten 

2.1 [verzoeker] is als penitentiair ambtenaar der 2e klasse in vaste dienst van de Staat. 
2.2 [verzoeker] is op 30 augustus 2010 tezamen met een andere penitentiaire ambtenaar opgedragen een gedetineerde voor behandeling te brengen naar de spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis. De gedetineerde heeft daarbij kans gezien te vluchten door het raam van een toiletruimte. 
2.3 Bij schrijven van de onderdirecteur van het Huis van Bewaring d.d. 31 augustus 2010 is [verzoeker] aangezegd om zich terzake te verweren. 
2.4 [verzoeker] heeft zich schriftelijk verweerd. 
2.5 Bij beschikking d.d. 11 oktober 2011 J. [nummer 1], hierna aangeduid als “de beschikking”, is aan [verzoeker] opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een week, met inhouding van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode.  
Daartoe is overwogen: 
“ dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat (…)  [verzoeker] (…) op 30 augustus 2010 zich niet heeft gehouden aan de juiste bewakings- en beveiligingsstrategie, waardoor de gedetineerde [naam ] die onder zijn toezicht was, tijdens een medische behandeling bij de spoedeisende hulp is ontsnapt en dat betrokkene tijdens de diensttijd bier heeft genuttigd; 
– dat betrokkene in zijn verweerschrift een verkeerd tijdstip van ontvluchting heeft aangegeven; 
– dat deze handelingen niet in een gedisciplineerd Korps kunnen worden getolereerd en als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt; 
– dat betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet daartoe bij schrijven van de Onderdirecteur van het Huis van Bewaring d.d. 31 augustus 2010, kenmerk H.v.B. [nummer 2] in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk te verweren; 
– dat betrokkene zich bij schrijven d.d. 1 september 2010 heeft verweerd, waarbij hij geen steekhoudende argumenten heeft kunnen aanvoeren, welke ertoe zouden kunnen leiden om van bestraffing af te zien; 
– dat op grond van het voorgaande het nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen”  
 

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer 

3.1 [verzoeker]  vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken de beschikking, althans het besluit nietig te verklaren althans te vernietigen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen. 
3.2 [verzoeker] heeft als grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat het besluit een deugdelijke feitelijke grondslag mist en in strijd is met het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van een zorgvuldige belangenafweging. 
3.3 De staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in het hiernavolgende ingegaan.  

Bevoegdheid 
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing vatbaar voor nietigverklaring.   
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat vervat in de beschikking. 

Ontvankelijkheid 
Het Hof constateert dat zijdens[verzoeker] in het inleidend verzoekschrift is gesteld dat de beschikking op 6 januari 2012 te zijner kennis is gebracht. De Staat heeft deze stelling van [verzoeker] in het verweerschrift erkend, zodat het Hof deze datum als uitgangspunt zal nemen. 
Nu het verzoekschrift zijdens [verzoeker] op 1 februari 2012 ter griffie is ingediend, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering. 

De beoordeling van het geschil 
6.1.1 [verzoeker] heeft gesteld dat in de beschikking hem verweten wordt dat hij tijdens diensttijd bier zou hebben genuttigd, terwijl dit niet in de verweeraanzegging is opgenomen, zodat hij zich ten aanzien van dit verwijt niet heeft kunnen verweren. [verzoeker] heeft ontkend zich hieraan te hebben schuldig gemaakt. 
[verzoeker] heeft gesteld dat het besluit hierdoor een deugdelijke feitelijke grondslag mist op grond waarvan het niet kan worden gehandhaafd en de nietigheid, althans de vernietiging daarvan dient te volgen. 
6.1.2 De Staat heeft in haar verweerschrift te kennen gegeven dat uit het onderzoek dat is ingesteld nadat de gedetineerde [naam] was ontvlucht en weder aangehouden, is komen vast te staan dat [verzoeker] bier had genuttigd tijdens de diensttijd. De Staat heeft daarbij erkend dat [verzoeker] niet is aangezegd zich ten aanzien van dit verwijt te verweren. 
6.1.3 In artikel 63 lid 2 van de Personeelswet is bepaald dat een tuchtstraf niet wordt opgelegd alvorens de betrokken landsdienaar in de gelegenheid is gesteld zich terzake mondeling of schriftelijk te verantwoorden. Dit leidt naar het oordeel van het Hof tot de gevolgtrekking dat de Staat in strijd met voornoemd artikel van de Personeelswet het verwijt dat [verzoeker] in strijd met zijn ambtsplicht tijdens diensttijd bier heeft genuttigd, heeft gehanteerd als grondslag voor het opleggen van een tuchtstraf. Echter is voornoemd verwijt niet het enig verwijt waar de opgelegde tuchtstraf op is gebaseerd, zodat het door het Hof geconstateerd euvel niet zonder meer tot nietigverklaring van de beschikking kan leiden. Dit kan pas het geval zijn als alle gronden die tot de beschikking hebben geleid, schipbreuk leiden. 
6.2.1 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] verder gesteld dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat in de beschikking  als motivering voor de schorsing is aangevoerd dat hij niet heeft gehandeld volgens de geldende bewakings- en beveiligingsstrategie, terwijl er geen specifieke regel of instructie bij hem bekend is waarnaar hij krachtens de omstandigheden zou moeten hebben gehandeld. 
6.2.2 De Staat heeft de onder 6.2.1 weergegeven stelling van [verzoeker] betwist. 
De normen betreffende de bewaking en beveiliging van gedetineerden zijn reeds gedurende de opleiding tot penitentiair ambtenaar aan hem bekend gemaakt. De Staat heeft verder aangevoerd dat [verzoeker] sinds het jaar 2002 meermalen belast is geworden met het bewaken en beveiligen van gedetineerden. Hij is aldus bekend met de geldende regels, gezien de door hem afgelegde eed bij de aanvaarding van het ambt ingevolge artikel 20 van het Penitentiair Besluit onder meer inhoudende “dat hij de gegeven post in de inrichting met alle getrouwheid, vlijt en oplettendheid zal waarnemen (…) en alle pogingen tot ontvluchting zal trachten te weren.” 
Zijdens de Staat is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het eerste dat een penitentiair ambtenaar moet doen bij het betreden of laten betreden van een nieuwe omgeving is dat hij de ruimte dient te controleren. [verzoeker] heeft dat, aldus de Staat, niet gedaan, maar heeft de gedetineerde van zijn boeien ontdaan en hem naar binnen laten gaan, hetgeen tegen de instructie is. De Staat heeft verder aangevoerd dat een van de bewakingstechnieken is dat de toiletdeur op een kier wordt geplaatst als je een gedetineerde naar het toilet brengt. [verzoeker] heeft dit eveneens nagelaten. 
6.2.3 [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het hem bekend is hoe gehandeld dient te worden als een gedetineerde naar het toilet wordt gebracht, maar heeft te kennen gegeven dat de door de Staat aangevoerde bewakingstechniek in dit geval geen effect zou hebben, aangezien het toilet in een hoek was en hij geen zicht zou hebben. Hij heeft tevens aangevoerd dat, nadat hij de gedetineerde van zijn boeien had ontdaan, die snel het toilet is ingegaan en de deur achter zich heeft dicht getrokken.  
6.2.4 Het Hof constateert dat [verzoeker] niet heeft betwist dat de algemene instructie is dat een penitentiair ambtenaar een nieuwe omgeving eerst dient te controleren bij het betreden of laten betreden daarvan. Uit het verweerschrift blijkt tevens dat [verzoeker] zich van deze algemene regel bewust is. [verzoeker] heeft in het verweerschrijven immers gesteld dat hij zich niet aan deze instructie heeft kunnen houden omdat de gedetineerde naar het toilet snelde, zodat hij daartoe niet de kans kreeg.  
Naar het oordeel van het Hof is het door [verzoeker] gestelde geen rechtvaardiging voor het feit dat hij heeft gehandeld in strijd met een aan hem bekende instructie, die tot doel heeft de ontvluchting van gedetineerden te voorkomen. [verzoeker] had immers mogen verwachten dat bij de gedetineerde, aan wie een zetpil was toegediend teneinde zich te ontdoen van een ophoping van ontlasting in zijn darmen, een sterke drang zou ontstaan zich snel naar een toilet te begeven. Daarnaast heeft [verzoeker] niet alleen de gedetineerde ongeboeid in het toilet toegelaten zonder het betreffend toilet te controleren op vluchtmogelijkheden, hij heeft eveneens toegelaten dat de gedetineerde de deur van de toiletruimte volledig heeft dichtgetrokken.  
Het Hof constateert dat door de Staat een viertal foto’s zijn overgelegd van het betreffend toilet. Uit het fotomateriaal blijkt naar het oordeel van het Hof dat, in tegenstelling tot de stelling van [verzoeker], er wel zicht zou zijn geweest op de gedetineerde indien de deur op een kier was blijven staan. 
Al het hiervoor overwogene leidt naar de mening van het Hof tot de gevolgtrekking dat [verzoeker] verwijtbaar zich niet heeft gehouden aan een beveiligingsinstructie en een bewakingstechniek niet heeft gehanteerd, hetgeen plichtsverzuim oplevert. 
 6.3.1 [verzoeker] heeft voorts tegen de beschikking aangevoerd dat daarin bloot is gesteld dat zijn verweer niet steekhoudend wordt geacht, zonder dat daarbij blijkt van een gedegen onderzoek dat aantoont welke de specifieke instructies zijn die niet zijn opgevolgd, hetgeen in strijd is met het beginsel van motivering van het besluit. 
 6.3.2 Het Hof is de mening toegedaan dat de Staat door in de beschikking te overwegen dat het verweer niet steekhoudend wordt geacht, een uiterst minimale motivering heeft gelegd tot grondslag van haar besluit. Het ware naar het oordeel van het Hof prudenter om, nu het vereiste van de motivering van besluiten ten doel heeft de redenen die daartoe hebben geleid, aan de belanghebbende bekend te maken, tevens te motiveren waarom naar het oordeel van de Staat het verweer niet steekhoudend werd geacht. 
Van strijd met het motiveringsbeginsel is echter geen sprake. 
6.4.1 [verzoeker] heeft tenslotte gesteld dat geen sprake is van een weloverwogen besluit waarbij rekening is gehouden met zijn individuele omstandigheden, aangezien hem niet eerder plichtverzuim is verweten, althans hem een disciplinaire straf is opgelegd sedert zijn indiensttreding in 2002. 
6.4.2 Het Hof constateert dat uit de beschikking gestelde aantekening blijkt dat bij het opleggen van de tuchtstraf rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, alsmede de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van [verzoeker]. 
Het Hof is verder de mening toegedaan dat, gelet op de duur van de schorsing, in ruime mate rekening is gehouden met het feit dat [verzoeker] niet eerder een disciplinaire straf is opgelegd sedert zijn indiensttreding in 2002. Het door hem gepleegd plichtsverzuim raakt immers de kern van zijn taakuitvoering, zodat bij het verzaken daarvan dit in de op te leggen tuchtstraf ook tot uiting dient te worden gebracht. Nu [verzoeker] een tuchtstraf van 1 (één) week is opgelegd, is de tuchtstraf naar dezerzijds oordeel niet disproportioneel. 
 6.4.3 Gelet op het onder 6.1.3, 6.2.4, 6.3.2 en 6.4.2 overwogene zal het Hof de vordering van [verzoeker] afwijzen. 
 

De beslissing 

Het Hof:  
Wijst de vordering af.  

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger, en 

w.g. D.D. Sewratan 

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein,  

Fungerend-Griffier. 

 

w.g. S.C. Berenstein                                                                            w.g. A. Charan 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Winter namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.