SRU-HvJ-2015-9

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14658
  • Uitspraakdatum 20 maart 2015
  • Publicatiedatum 17 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Relaties SRU-HvJ-2012-7 | SRU-HvJ-2013-3
  • Inhoudsindicatie

    Het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton wordt vernietigd en de staat wordt in de kosten van het geding aan de zijde van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep in de proceskosten veroordeeld.
    Grondhuur: Naar het oordeel van het Hof is een verzoeker vrij om een door hem ten behoeve van derde gedane verzoek aan de Staat in te trekken.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in [district],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigden: mr. M.J. Stekkel, jurist bij het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer en mr. J.M. Nibte, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 11 maart 2010 (A.R. 093526) tussen [appellant] als eiser de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op de in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen tussenvonnissen van 19 oktober 2012 en 19 juli 2013.

Het verder procesverloop in hoger beroep
1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het proces-verbaal van de op 17 januari 2014 gehouden comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal van de op 21 februari 2014 gehouden voortzetting van de comparitie van partijen;
  • de conclusie na comparitie van partijen zijdens de Staat d.d. 4 juli 2014;
  • de conclusie na comparitie van partijen zijdens [appellant] d.d. 18 juli 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling
2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] om de Staat ertoe te veroordelen binnen een maand te beslissen op zijn verzoekschrift van
27 september 2006 afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet [appellant] maar diens dochter [naam], als de belanghebbende, de vordering tegen de Staat had moeten instellen ter verkrijging van het zakelijk genotsrecht van grondhuur op het betreffend perceelland.

2.2. Het Hof is echter van oordeel dat deze overweging geen stand kan houden. Het verzoekschrift van 27 september 2006 strekt er weliswaar toe het recht van grondhuur te doen toekomen aan voornoemde dochter van [appellant], maar de vordering in eerste aanleg is erop gericht dat de Staat een besluit neemt ten aanzien van het verzoek dat [appellant] heeft gedaan. [appellant] heeft als degene die het verzoek heeft gedaan, het recht te vorderen dat de Staat een besluit neemt op het door hem ingediend verzoek, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering. Het bestreden vonnis zal derhalve worden vernietigd.

2.3 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat [appellant] bij schrijven van 12 juli 2000 het verzoek heeft gedaan het recht van grondhuur op betreffend perceelland te doen toekomen aan de Stichting [stichting], hierna aangeduid als “de Stichting”. [appellant] heeft weliswaar gevraagd dit verzoek aan te houden, maar heeft het verzoek niet ingetrokken.
De Staat meent dat zij niet zonder meer ertoe kan overgaan een besluit te nemen op een later verzoek, zonder dat op een eerder ingediend verzoek is beslist.

2.4 [appellant] heeft hiertegenover ingebracht dat het verzoek om het recht van grondhuur op perceelland toe te kennen aan de Stichting, is ingetrokken. Daarbij is verwezen naar de brieven zijdens [appellant] d.d. 30 april 2001, 17 mei 2001, 21 mei 2007 en het schrijven van het Hoofd van de Dienst Grondinspectie van 20 juli 2007 aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen.

2.5 Bij tussenvonnis van 19 juli 2013 is een comparitie gelast ter verstrekking van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke schikking. Dergelijke vereniging is niet bereikt.

2.6 Het Hof constateert dat in de door [appellant] aan de Staat gerichte brief van 30 april 2001 het verzoek is gedaan de behandeling van het verzoek ten aanzien van de Stichting even aan te houden tot nader bericht van [appellant]. In het schrijven van de procesgemachtigde van [appellant] van 17 mei 2001 is het volgende vermeld:
“Bij schrijven van 30 april 2001 is door mijn client(en) de heer [appellant] en zijn echtgenote … het verzoek gedaan voor de overdracht van het perceelland ter uitoefening van de land- of tuinbouw of veeteelt, groot 1.81 ha, gelegen aan de [weg] in [district], bekend als nummer [nummer].
Namens mijn cliente(n) trek ik hierbij bovenvermeld schrijven in.

Ik doe U hierbij namens mijn client(en) het verzoek bij hun schrijven d.d. 12 juli 2000 door hen gedaan verzoek om bovenvermeld perceelland over te dragen aan de Stichting [stichting]… aan te houden tot nader bericht mijnerzijds.”

Uit de hierboven vermelde brieven blijkt naar het oordeel van het Hof niet dat het verzoek tot toekenning van het recht van grondhuur aan de Stichting zijdens [appellant] is ingetrokken.

2.7 Het Hof constateert verder dat in het schrijven van [appellant] d.d. 21 mei 2007 aan de Staat onder meer het volgende is vermeld:
“dat hij daarna bij verzoekschrift dd. 12 juli 2000, onder La D. No. [nummer 2] ingediend op 29 maart 2001, had gevraagd het stuk grond te mogen overdragen aan de stichting [stichting];…

dat bij schrijven van zijn advocaat Mr. F.F.P. Truideman d.d. 17 mei 2001 aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen het verzoek heeft gedaan bovenvermelde overdracht in te trekken en nader bericht af te wachten;…

dat nogmaals onder uw aandacht wordt gebracht dat de stichting niet operationeel is en derhalve het verzoek tot overdracht aan de stichting wordt ingetrokken;”

Uit dit schrijven blijkt naar het oordeel van het Hof onomstotelijk dat [appellant] het ten behoeve van de Stichting gedane verzoek heeft ingetrokken. Weliswaar is het onjuist, gelijk reeds onder 2.6 van dit vonnis is overwogen, dat de door hem getrokken conclusie dat bedoeld verzoek reeds bij schrijven van zijn advocaat d.d. 17 mei 2001 is ingetrokken. Dit leidt ertoe dat ervan dient te worden uitgegaan dat bedoeld verzoek bij schrijven d.d. 21 mei 2007 is ingetrokken. Nu geconcludeerd is dat het verzoek is ingetrokken, houdt het door de Staat ten aanzien hiervan gevoerd verweer geen stand. Het staat een verzoeker naar het oordeel van het Hof vrij een door hem ten behoeve van een derde aan de Staat gedaan verzoek in te trekken. Het Hof begrijpt uit het door de Staat ten processe aangevoerde dat de Staat het nemen van een besluit uitstelt om te voorkomen dat de Stichting de Staat aanspreekt ter vergoeding van door haar geleden schade. Echter is zulks, nu het verzoek door [appellant] is ingetrokken, in dit geding niet relevant. Indien immers de Stichting door de intrekking schade lijdt, is niet de Staat, maar [appellant] daarvoor aansprakelijk. De vordering van [appellant] zal derhalve worden toegewezen.

2.8 De door [appellant] gevorderde dwangsom komt het Hof bovenmatig voor en zal derhalve gemitigeerd en gemaximaliseerd worden.

2.9 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

3.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 11 maart 2010, A.R. No. 093526 en opnieuw recht doende gelast de Staat om binnen twee maanden na de uitspraak over te gaan tot het nemen van een beslissing op de aanvraag van [naam] d.d. 27 september 2006, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 3.000,= (drieduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft uitvoering te geven aan het vonnis, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 600.000 (zeshonderdduizend Surinaamse Dollar) niet te boven gaat.

3.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 372,–;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden, en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld