SRU-HvJ-2016-3

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-15145
  • Uitspraakdatum 29 augustus 2016
  • Publicatiedatum 03 april 2019
  • Rechtsgebied Burger-overheid
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof is van mening dat verweerders (Staat Suriname) in strijd gehandeld hebben met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met name de beginselen die betrekking hebben op de vormgeving van een besluit, namelijk het beginsel van de motiveringsplicht en beveelt staking van de executie.

    (Art. 272 Rv jo art 31 DUD)
    SJB

Uitspraak

G.R. no. 15145

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende in [district],

verzoeker,

gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name

A. HET MINISTERIE VAN DEFENSIE en

B. HET MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- en BOSBEHEER,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

verweerders,

gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De fungerend-president geeft, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 272 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de navolgende beschikking uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoek met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 22 augustus    2016;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van het Hof van Justitie de dato 24 augustus 2016, inhoudende de mondelinge behandeling.

1.2 Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Verzoeker bewoont sinds 2008 de dienstwoning op het perceelland groot 695,70 m², gelegen in [district], op de hoek van de [adres], deel uitmakende van [plaats], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.I. Amelo de dato 22 juni 2015 met de letters ABCD, thans bekend als [plaats] [nummer 1] (hierna te noemen: het perceelland).

2.2 Verzoeker heeft bij beschikking de dato 07 oktober 2015 onder [nummer 2] het recht van grondhuur verkregen op het perceelland (hierna te noemen: de toewijzingsbeschikking).

2.3 Bij beschikking de dato 16 maart 2016 onder [nummer 3] heeft verweerder sub B het recht van grondhuur dat aan verzoeker is verleend op het perceelland, vervallen verklaard (hierna te noemen: de beschikking tot vervallenverklaring).

2.4 Bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard,  de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, heeft de Kantonrechter in het Derde Kanton, verzoeker in reconventie veroordeeld om binnen twee maanden na uitspraak van het vonnis  het perceelland met   daarop staande woning te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van verweerders te stellen, met bepaling dat indien verzoeker hiertoe in gebreke mocht blijven, verweerder sub A gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.

2.5 Verzoeker is van het onder 2.4 vermeld vonnis in hoger beroep gekomen.

3. Het geschil

3.1 Verzoeker vordert – kort en zakelijk weergegeven – om ex artikel 272 van het Wetboek  van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, te doen staken.

3.2 In verband met de onderhavige vordering heeft verzoeker – kort en zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – gesteld dat de beschikking tot vervallenverklaring niet conform de wet aan hem is bekendgemaakt. Volgens verzoeker heeft de kantonrechter ten onrechte aan het voormelde niet de conclusie verbonden dat die beschikking onrechtmatig is, in strijd met het motiveringsbeginsel en geen werking jegens hem heeft verkregen wegens strijd met het formele rechtszekerheidsbeginsel. Integendeel heeft de kantonrechter juist geoordeeld dat de beschikking tot vervallenverklaring voldoende is gemotiveerd, terwijl er geen wettelijke grondslag voor de vervallenverklaring is gegeven. De overwegingen van de kantonrechter zijn daarmee innerlijk tegenstrijdig van aard, aldus verzoeker. Verder heeft verzoeker gesteld dat de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis buiten de gevallen die bij wet (artikelen 55 en 56 Rv) zijn voorzien, is bevolen, zodat de staking van executie van het vonnis is geboden.

3.3 Verweerders hebben hiertegenover verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Uit de stellingen en weren van partijen is gebleken dat verzoeker het rechtsmiddel van hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, waarbij verzoeker onder meer is veroordeeld om het perceelland te ontruimen. Vanwege het feit dat de ontruimingstermijn van twee maanden op 30 augustus 2016 zal eindigen, heeft verzoeker onderhavige vordering ingesteld. In afwachting van de behandeling van onderhavige vordering, heeft verzoeker in kort geding schorsing van de executie van het vonnis gevorderd totdat er een beslissing wordt genomen in onderhavige zaak.

Gelet op voormelde stellingen, is het Hof in Raadkamer, anders dan verweerders hebben aangevoerd, van oordeel dat in casu er geen sprake is van misbruik van procesrecht. Derhalve wordt het verweer van verweerders verworpen.

Verweerders hebben voorts als verweer aangevoerd, dat verzoeker niet ontvangen dient te worden in zijn verzoek, daar hij heeft nagelaten zich te beroepen op de gronden die voor de staking van de executie in aanmerking komen.

Het Hof in Raadkamer is van oordeel dat het beroep op staking van de executie op grond van artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gebaseerd is op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis in de gevallen buiten de wet voorzien. Nu verzoeker zijn vordering mede heeft gebaseerd op de onterecht bevolen voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis in Kort Geding, zal het Hof aan dit verweer, als zijnde ongegrond, voorbijgaan.

4.2 Verweerders hebben verder aangevoerd dat aangezien het perceelland reeds was   uitgegeven ten algemene nutte ten behoeve van het Nationaal Leger, zij op grond van artikel 31 van het Decreet Uitgifte Domeingrond (DUD) het recht van grondhuur dat aan verzoeker is verleend, vervallen hebben verklaard. Tussen partijen is in confesso dat verweerders de beschikking tot vervallenverklaring niet aan verzoeker hebben betekend. In artikel 31 lid 4 DUD is onder meer bepaald dat vanwege de Staat aan de grondhuurder aangetekend wordt gezonden een gewaarmerkt afschrift van de beschikking (lees: de beschikking tot vervallenverklaring) en de daarbij behorende kaart.

4.3 Nu gebleken is dat de motieven die hebben geleid tot het vervallen verklaren van het recht van grondhuur nimmer aan verzoeker zijn betekend en het verwachtbaar is dat in appèl, dan wel in een bodemprocedure de beschikking tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur met succes kan worden aangevochten, zou de kantonrechter met de nodige terughoudendheid gebruik gemaakt moeten hebben van de bevoegdheid het na te noemen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Mede gezien de verstrekkende gevolgen van een uitvoerbaar bij voorraad verklaring in ontruimingszaken zal het Hof in Raadkamer er dan ook toe overgaan, de staking van de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, te bevelen. Derhalve zal de vordering van verzoeker worden toegewezen zoals in het dictum te vermelden.

4.4 Verweerders zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van verzoeker gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

5. BESCHIKKENDE

Het Hof:

5.1 Beveelt de staking van de executie van het tussen partijen gewezen vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 30 juni 2016, bekend onder A.R. no. 16-3004, totdat het Hof van Justitie in onderhavige zaak in hoger beroep heeft beslist.

5.2 Veroordeelt verweerders in de proceskosten, aan de zijde van verzoeker gevallen en tot op heden begroot op SRD 400,= (Vierhonderd Surinaamse Dollar).

Aldus gegeven in Raadkamer van het Hof van Justitie op 29 augustus 2016 door:

Mr. D.D. SEWRATAN, fungerend-president, Mr. A.M. NOOITMEER-ROTSBURG en Mr. I. SONAI, leden-plaatsvervanger van het Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.A. Ombre.

w.g.M.A.Ombre      w.g.  D.D. Sewratan

w.g.  A.M. Nooitmeer-                                               Rotsburg

w.g.  I. Sonai