SRU-HvJ-2017-11

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-927
  • Uitspraakdatum 04 augustus 2017
  • Publicatiedatum 25 maart 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Hof van Justitie als Ambtenarengerecht. Geen sprake van plichtsverzuim. Schending van Algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
    De verzoeker heeft opgelegd gekregen de tuchtstraf van schorsing voor de duur van drie (3) dagen met inhouding van salaris. In de beschikking uitgereikt aan de verzoeker is plichtsverzuim feitelijk omschreven als oneigenlijk gebruik gemaakt hebben van het dienstvoertuig door zand in de laadbak te vervoeren en daardoor als politie ambtenaar het imago van het korps geschaad hebben e.e.a. in strijd met de artikelen 10 lid 2 b van de Ambtsinstructie en de punten 3 onder 1 en onder 2 van de gedragscode voor politieambtenaren.
    Naar het oordeel van het Hof levert voormeld handelen van verzoeker in de geschetste context geen plichtsverzuim op. Plichtsverzuim betekent volgens van Dale “Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen.
    In de visie van het hof is casu geen sprake van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van verzoeker geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk.
    Naar het oordeel van het hof kon een toevallige voorbijganger nimmer hebben kunnen weten dat het in casu ging om een politieambtenaar die met een dienstvoertuig prive-werk uitvoerde, de waarneming van de ‘gedraging’ van verzoeker kan slechts geschieden door iemand die hem persoonlijk kende en/of bekend was met het voertuig van de VIP. Van imagoschade van het KPS kan er derhalve geen sprake zijn.

Uitspraak

A-927

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],

wonende aan [adres]

in [district],

verzoeker,

gemachtigde: mr. H.R. Derby, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,

rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door

de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. R. Koendan, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 28 juli 2016;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift, d.d. 22 september 2016;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 27 september 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 26 september 2016 is verlengd met zes weken;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift, d.d. 03 november 2016;

– de beschikking gegeven door het Hof van Justitie d.d. 03 november 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 07 november 2016 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;

– de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 april 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 02 juni 2017;

– het proces-verbaal van het op 02  juni 2017 gehouden verhoor van partijen;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017 doch nader op heden;

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [verzoeker] is reeds twintig jaren in dienst van de Staat en wel bij het Korps Politie Suriname en is in  2014voor het laatst bevorderd tot de rang van Brigadier van Politie en reeds zeven jaren dienende als persoonsbeveiliger van rechter, [naam] (hierna VIP te noemen);

2.2 Op 31 mei 2016 omstreeks 11:00 uur heeft [verzoeker] in opdracht van de VIP, ½ kubieke meter (m3) droge scherpzand vervoerd in de laadbak van het dienstvoertuig ter beschikking van de VIP met als kentekennummer [nummer]. Het zand was bestemd als grondstof bij het dichten van een op die dag gesloopte gedeelte van de muur van de benedenwoning van de VIP;

2.3 Bij schrijven van de Korpschef, de hoofdcommissaris van politie, mevrouw H.A.E. Daniel d.d. 31 mei 2016 K.A. [nummer], is [verzoeker] in gebreke gesteld en gelegenheid tot verweer geboden, met bepaling dat hij binnen zeven dagen het verweerschrift dient in te dienen bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS. De verweer periode derhalve verlopend op 07 juni 2016;

2.4 In de ingebrekestelling is gesteld dat [verzoeker], als ambtenaar van politie, door het vervoeren van zand in de laadbak van een dienstvoertuig het imago van het Korps Politie Suriname ernstig geschaad heeft en is hem verweten dat hij:

– zich niet heeft gedragen zoals het een goed politie ambtenaar betaamt, waardoor hij afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het aanzien van de politie heeft geschaad;

– onzorgvuldig is omgegaan met het dienstvoertuig door deze voor andere doeleinden dan waarvoor het bestemd is aan te wenden. Alzo ernstig plichtsverzuim plegend en handelend in strijd met art. 10 lid 2 onder a instructie Ambtenaren van Politie en punt 3 sub 1 en punt 5 sub 2 gedragscode voor ambtenaren van politie 2007;

2.5 Op 02 juni 2016 heeft [verzoeker] omstreeks 08:00 uur – voorafgaande aan het gehouden Korpsrapport – zijn verweerschrift d.d. 1 juni 2016 met bijlagen ingediend bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS; derhalve binnen de gestelde termijn van 7 dagen en op de aangegeven wijze;

2.6 De Korpschef, de hoofdcommissaris van politie mevrouw H.A.E. Daniel heeft het disciplinair onderzoek naar het vermeend plichtsverzuim gedaan en op het gehouden Korpsrapport van 2 juni 2016 heeft [verzoeker] zijn verweerschrift mondeling toegelicht en informatieve vragen van de Korpschef voornoemd, beantwoord. Aan het eind van het  Korpsrapport heeft de Korpschef geconcludeerd dat het vermoeden van plichtsverzuim juist is, omdat  [verzoeker] zich niet professioneel heeft gedragen bij de uitvoering van de gegeven opdracht. [verzoeker] is toen, onder andere, medegedeeld dat hij naar aanleiding daarvan wordt afgelost van de beveiliging van de VIP;

2.7 Op 15 juni 2016 is [verzoeker] afgelost van de afdeling VIP-beveiliging en overgeplaatst naar een andere afdeling;

2.8 Op 18 juli 2016 heeft [verzoeker] van de afdeling Interne Tucht Zaken KPS ontvangen de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer](hierna : de beschikking te noemen). Bij die beschikking is door de Minister van Justitie en Politie aan [verzoeker] opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van drie (3) dagen gepaard gaande met inhouding van salaris met bepaling dat de periode waarvoor de sanctie geldt nader bepaald wordt door de Korpschef;

2.9 In de beschikking is het plichtsverzuim feitelijk omschreven als;

– oneigenlijk gebruik gemaakt hebben van het dienstvoertuig door zand in de laadbak te vervoeren en daardoor;

– als politie ambtenaar het imago van het korps geschaad hebben e.e.a. in strijd met de artikelen 10 lid 2 b van de Ambtsinstructie en de punten 3 onder 1 en onder 2 van de gedragscode voor politieambtenaren;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie:

A. recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig gehandeld heeft tegen [verzoeker];

B.l worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer] waarbij aan [verzoeker] is opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 3 dagen met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode;

C. Staat zal worden veroordeeld aan [verzoeker] te betalen de advocaatkosten van 1.500,- of een redelijk deel daarvan, de griffierechten en deurwaarderskosten;

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Het door hem ingediende verweerschrift op 02 juni 2016 bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS houdt in dat [verzoeker] zich niet heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Voorts is bij de mondelinge toelichting aangevuld dat de VIP zich ten tijde van de uitvoering in het Kantongerechtsgebouw bevond. Een door manschappen van  het KPS en BBS beveiligde omgeving. Hiermee was de veiligheid van de VIP zo goed mogelijk gewaarborgd en was de directe aanwezigheid van de persoonsbeveiliger niet vereist. [verzoeker] kon onder deze omstandigheden uitvoering geven aan de beveiligingsopdracht tot aankoop en vervoer van het scherpzand. Met het uitvoeren van die opdracht werd juist voorkomen dat bij terugkeer naar de woning in de late middag er sprake zou zijn van een onveilige woonsituatie omdat, de ontstane opening niet gedicht was door het uitblijven van de benodigde grondstof. Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat de vracht is vervoerd in een voertuig met privé kentekenplaten. De bestuurder [verzoeker] was niet direct/duidelijk zichtbaar vanwege de getinte ruiten en hij was in burger gekleed. Er hebben zich geen omstandigheden voorgedaan waarbij de vracht vanwege de wijze van vervoer ongewenste aandacht heeft getrokken van mede weggebruikers of dat [verzoeker] zich diende te legitimeren. Onder deze omstandigheden was het voor mede weggebruikers en overig publiek niet in het oog springend dat het vervoer – welke geheel in overeenstemming met de wet was – plaats vond door een politie ambtenaar in een dienstvoertuig. Het waarnemen van het voertuig en [verzoeker]door de fotomaker kon alleen omdat die persoon [verzoeker] persoonlijk kent en bekend meende te zijn met de grondslag van het voertuig. Van imagoschade voor het KPS kan er dus geen sprake zijn geweest en was het vermoeden van plichtsverzuim ongegrond. Bij de totstandkoming van het besluit zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, te weten het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval, het motiveringsbeginsel, het beginsel van deugdelijke feitelijke grondslag, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het evenredigheidsbeginsel. Daardoor heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens[verzoeker] en dient de beroepen beschikking vernietigd althans nietig verklaard te worden;

3.3 De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het hof zich niet bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 1 van het petitum, nu dit deel van de vordering niet betreft een gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit dan wel een vordering tot schadevergoeding of het opleggen van een dwangsom om een besluit uit te voeren. Gelet op het voren overwogene acht het hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 2 en 3 van het petitum;

Ontvankelijkheid

4.2 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.3 Waar gaat het in dit geding om? [verzoeker] heeft als subjectbeveiliger  de opdracht van de VIP gekregen om met het dienstvoertuig, zijnde een dubbel cabine pick up met privé kentekenplaten, ½ kubieke meter scherpzand te gaan kopen ten behoeve van werkzaamheden die thuis bij de VIP verricht dienden te worden in verband met een gesloopte buitenmuur van de woning van de VIP. [verzoeker] was daarbij in burgerkleding en bij het vervoer van het scherpzand in de laadbak van de pick up op weg naar de woning van de VIP wordt hij op de gevoelige plaat vastgelegd door iemand die dat doorgeeft aan de Korpsleiding. En toen was het Leiden (in casu Paramaribo) in last. [verzoeker] moest zich verweren en werd uiteindelijk door de toenmalige Minister van Justitie en Politie geschorst voor drie dagen gepaard gaande met inhouding van het salaris ter zake ernstig plichtsverzuim. [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;

4.4 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. In de dienstvoorschriften is duidelijk aangegeven wat de taken zijn van politieambtenaren die belast zijn met de beveiliging van hoogwaardigheidsbekleders. De gedraging geëtaleerd door [verzoeker] heeft te maken met een opdracht uitgevoerd in privé-sfeer. Ook al zou hij daartoe de opdracht van de VIP hebben gekregen, levert dat geen rechtvaardiging op. In dat geval diende hij de opdracht te weigeren en de VIP erop te wijzen wat zijn taken zijn conform het dienstvoorschrift.  [verzoeker] heeft de dienstvoorschriften terzijde gelegd vandaar dat het gedrag ernstig plichtsverzuim oplevert. Als beveiliger van de VIP zou je in de buurt van de VIP moeten zijn en de VIP niet alleen moeten laten;

4.5 In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de beschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op.

Plichtsverzuim betekent volgens van Dale “Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen. In casu heeft [verzoeker] van degene die hij moet beveiligen zelf de opdracht gehad om scherpzand te gaan kopen voor haar, omdat zij daartoe noch de tijd noch de gelegenheid had vanwege zittingswerkzaamheden tot laat in de middag. In de “enge” benadering van de Staat had [verzoeker] moeten weigeren en aangeven dat dat niet binnen zijn taakomschrijving viel. Daarmee kan het hof zich niet verenigen. In de visie van het hof rechtdoende als Ambtenarengerecht dient de taakopvatting van de subjectbeveiliger ruim uitgelegd te worden. Daaronder kunnen ook vallen taken die door de VIP aan de subjectbeveiliger opgedragen worden gedurende de dienstuitoefening en die te maken hebben met privé-aangelegenheden van de VIP, waarbij de VIP vervangbaar kan zijn. Immers zou de VIP  in het andere geval dat zelf moeten doen en dan zou de subjectbeveiliger sowieso mee moeten gaan met de VIP. De retorische vraag die zich dan levensgroot aandient, betreft de vraag waarom de subjectbeveiliger in opdracht van de VIP deze werkzaamheden van de VIP niet namens hem/haar zou mogen uitvoeren ? Wetende dat de VIP zich in een goed beveiligd gebouw bevond, heeft[verzoeker] in de visie van het hof de opdracht terecht aanvaard en uitgevoerd. De scherpzand was bestemd voor de beveiliging van het woonhuis van de VIP, weshalve dat in de visie van het hof eveneens valt binnen het kader van het takenpakket van de beveiligingsambtenaar aangezien de VIP niet veilig kan zijn in een woonhuis waaraan een defect kleeft, althans een opening in een muur bestaat. Het hof overweegt eveneens dat de Staat voorbij is gegaan aan het door [verzoeker] in zijn verweerschrift aangevoerde met betrekking tot het ‘oneigenlijk gebruik’ van het dienstvoertuig, met name dat het in casu niet gaat om een kosteloze dienstvoertuig, doch om een tegen vergoeding permanent aan de VIP ter beschikking gestelde voertuig voor persoonlijk en functioneel gebruik bestemd.  Met betrekking tot de aan het vermeend plichtsverzuim ten grondslag gelegde imago schade van het KPS, overweegt het hof dat het in casu betrof een voertuig met privé – kentekenplaat en donkergetinte ruiten, welke werd bestuurd door de in burgerkleding geklede [verzoeker]. Naar het oordeel van het hof kon een toevallige voorbijganger nimmer hebben kunnen weten dat het in casu ging om een politieambtenaar die met een dienstvoertuig prive-werk uitvoerde, de waarneming van de ‘gedraging’ van [verzoeker] kan slechts geschieden door iemand die hem persoonlijk kende en/of bekend was met het voertuig van de VIP. Van imagoschade van het KPS kan er derhalve geen sprake zijn.

Voorts is gebleken dat de beschikking niet is gedagtekend en dat er daarbij geen gewag wordt gemaakt van het uitgebreid schriftelijk verweer van [verzoeker], terwijl er wel vaker wordt gerefereerd aan de mondelinge toelichting op het verweer van [verzoeker]. Eveneens blijkt uit het zijdens [verzoeker] als productie in het geding gebrachte dienstvoorschrift 02/2015 van het KPS met als onderwerp: Taakomschrijving Vipbeveiliging, dat de primaire taken van de beveiliging eveneens bestaan in het beveiligen van objecten (woning etc.) en dat de beveiligingsambtenaren de subjecten ook bij hun privé activiteiten zullen beveiligen;

4.6 Al het voorgaande leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde derhalve worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde advocaatkosten zijn niet weersproken door de Staat en het hof vat dat op als een vordering strekkende tot vergoeding van schade in de zin van het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub B van de Personeelswet en zullen derhalve eveneens worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat verzoeker deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Hetzelfde geldt mutandis voor de mede gevorderde proceskosten. In het burgerlijk recht is het communis opinio dat de in het ongelijk gestelde partij voor de door de (tegen) partij gemaakte kosten dient op te draaien en het hof vraagt zich in gemoede af waarom dat in het Ambtenarenrecht anders zou moeten zijn. Het voorgaande betreft immers niet de aard van de vordering zoals limitatief opgenoemd in artikel 79 van de PW maar betreft het in Ons rechtssysteem algemeen aanvaarde beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij de door de (tegen) partij gemaakte proceskosten dient te vergoeden;

4.7 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

5.De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart nietig de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer], waarbij aan [verzoeker] is opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 3 dagen met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode.

5.2 Veroordeelt de Staat om aan [verzoeker] te betalen de advocaatkosten van SRD. 1.500,-(Vijftienhonderd Surinaamse Dollars);

5.3 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1560,–;

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en  mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het  Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 04 augustus 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier,

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.R. Derby, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr. R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.