SRU-HvJ-2017-13

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14769
  • Uitspraakdatum 06 oktober 2017
  • Publicatiedatum 26 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Openbare verkoop
    De Wet op het Notarisambt
    De artikelen 29, 30 en 31 van de Wet op de Notarisambt
    Vordering tot doorhaling van de inschrijving van een proces- verbaal tot openbare verkoop. Vordering tot opheffing executoriaal beslag.
    Appellante heeft in eerste aanleg met name gevorderd de doorhaling van de inschrijving van het proces-verbaal van de openbare verkoop. Appellante vordert ook dat de Staat veroordeeld wordt om aan haar een uittreksel te verstrekken waarin is opgenomen dat het onroerend goed op haar naam staat ingeschreven in het register van het hypotheekkantoor en dat het executoriaal beslag gelegd op het onroerend goed wordt opgeheven. De kantonrechter heeft het door appellante in eerste aanleg gevorderde afgewezen. Appellante vordert tevens dat de bodemzaak door het Hof middels onderhavige appèlzaak zal worden afgedaan.
    Appellant heeft als verweer aangevoerd dat de akten van de openbare verkoop een valsheid bevatten, waardoor ze niet in stand kunnen blijven. Het Hof overweegt dat dit in de praktijk niet hoeft te leiden tot het terugdraaien van alle gevolgen van de openbare verkoop. Het Hof stelt dat er in casu sprake is van een verschrijving. Het Hof overweegt dat een verschrijving in akten ingevolge de Wet op het Notarisambt met name de artikelen 29, 30 en 31 kan worden gerectificeerd. Het Hof overweegt dat een dergelijke verschrijving niet als gevolg te hebben dat de gevolgen van de openbare verkoop teniet gedaan moeten worden. Het Hof is van oordeel dat het belang dat geschaad wordt door de verkeerde omschrijving van de uitgesloten delen niet opweegt tegen het belang dat geschaad wordt indien de gevolgen van de openbare verkoop teniet gedaan zouden worden.
    Het Hof stelt dat de Openbare verkoop in stand kan blijven evenals de akten die in verband met de openbare verkoop zijn opgemaakt.
    Het Hof bevestigt het vonnis van de kantonrechter in eerste aanleg.

Uitspraak

G.R.No. 14769

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],

wonende in [district 1],

appellante hierna aangeduid als “[appellante]”,

gemachtigde: mr. A. Guman, advocaat,

tegen

A.DE HYPOTHEEKBEWAARDER IN SURINAME, kantoor houdende te Paramaribo,

B.DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening Grond- en Bosbeheer, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

C.CALOR, CHRISTIAAN ALBERT, notaris, wonende te Paramaribo,

D.[geïntimeerde sub D], wonende in [district 2],

E.[geïntimeerde sub E], wonende in [district 2],

F.STICHTING SHADEVI, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

geïntimeerden, hierna aangeduid als : “de hypotheekbewaarder, de Staat, Calor, de zus, de moeder en de Stichting”,

gemachtigde voor geïntimeerde sub A: mr. C. B. Lachman, advocaat,

gemachtigde voor geïntimeerde sub B: mr. C. N. Mijnals, advocaat,

gemachtigde voor geïntimeerden sub C, D, E en F: mr. S. Mangroelal, advocaat.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

1.Het procesverloop

– de pleitnota,

– de antwoord pleitnota zijdens de hypotheekbewaarder,

– de antwoord pleitnota zijdens de Staat,

– de antwoord pleitnota zijdens Calor, de zus, de moeder en de Stichting,

– de repliek pleitnota jegens de hypotheekbewaarder en de Staat,

– de repliek pleitnota jegens  Calor, de zus, de moeder en de Sichting,

– de dupliek pleitnota zijdens de hypotheekbewaarder,

– de dupliek pleitnota zijdens de Staat,

– de dupliek pleitnota zijdens Calor, de zus, de moeder en de Stichting.

2. De feiten

2.1  [appellante] verkreeg op 30 juni 1993 de eigendom van het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 0,68 hectare, gelegen in [district 1] aan het [kanaal], ten zuiden van de [adres], op de kaart van de landmeter E.S. Devid d.d. 11 november 1981 aangeduid met de letters CDEF, welk peceelland is ontstaan uit de samenvoeging van het deel groot 0,4 ha en het deel groot 0.28 ha, deel uitmakende van het perceelland bekend als Afdeling [gebied] no. [nummer 1] en [nummer 2].

2.2 Bij notariële akte van 7 december 1994 heeft [appellante] een deel van het hiervoor bedoeld perceel, groot 619,11 vierkante meter, genoemd perceel nummer 2, om niet overgedragen aan de zus.

2.3 Bij notariële akte van 7 december 1994 heeft [appellante] het deel van het hiervoor bedoeld perceel, groot 619,11 vierkante meter, genoemd perceel nummer 3, om niet overgedragen aan de moeder en de zus.

2.4 Bij notariële akte van 31 januari 1995 heeft [appellante] een deel van het perceel, groot 1.238,23 vierkante meter om niet overgedragen aan de moeder en de zus.

2.5 Bij vonnis van 21 januari 2008 in de zaak bekend onder A.R.No. 063195 is [appellante] op straffe van een dwangsom veroordeeld om geen handeling te plegen die inbreuk maken op de erfdienstbaarheid van de verzoeksters. De verzoeksters in die zaak waren de moeder en de zus. Voorts is [appellante] in dat vonnis veroordeeld om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis de door haar aangebrachte schutting van zinkplaten af te breken en af te voeren en verder om te gedogen dat de EBS NV de bomen op haar perceel snoeit ter voorkoming van kortsluiting aan de elektriciteitskabels die aangesloten zijn aan de woning van de zus aan de [straat] no. 14 en 14a.

2.6 Het vonnis is bij exploit van 5 maart 2008 aan [appellante] betekend.

2.7 Bij exploit van 11  augustus 2008 van deurwaarder D. Toekimin met exploitnummer [nummer 3] is aan [appellante] betekend de opgelopen dwangsom van SRD.767.000,= waarbij [appellante] is aangezegd de dwangsom te betalen bij gebreke waarvan het vonnis ten uitvoer gelegd zal worden middels beslaglegging en verkoop van roerende en onroerende goederen.

2.8 Bij exploit van … is executoriaal beslag gelegd op het onder 2.1 genoemd onroerend goed van [appellante].

2.9 Bij verzoekschrift van 18 september 2008 bekend onder A.R.No. 083859 hebben de zus en de moeder toestemming gevraagd om tot openbare verkoop van het beslagen onroerend goed over te gaan. In dat verzoekschrift is in de perceel omschrijving opgenomen “met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen”.

2.10 Bij beschikking van 23 maart 2009 is bevolen dat het onroerend goed in het openbaar zal worden verkocht. In deze beschikking is overwogen dat de dwangsom is verbeurd en dat aan alle wettelijke formaliteiten is voldaan. In de beschikking staat in de perceel omschrijving eveneens “met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen”.

2.11 De openbare verkoop is in de krant aangekondigd door middel van een advertentie waarin in de perceel omschrijving stond opgenomen: “met uitzondering van de reeds verkochte delen respectievelijk 619,11 m2, met het nummer 2, 619,11 m2 met het nummer 3 en 1238,23 m2 met het nummer 4, aankomende [appellante].”

2.12 Op de openbare verkoop welke gehouden is op 22 maart 2012 is het onroerend goed verkocht aan de Stichting.

2.13 In de akten betreffende de openbare verkoop is in de perceel omschrijving het volgende opgenomen: “met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen te weten 619,11 vierkante meter aangeduid met nummer 2, 619,11 vierkante meter aangeduid met nummer 3 en 1238,23 vierkante meter aangeduid met nummer 4.”

2.14 De akten betreffende de openbare verkoop zijn ingeschreven ten hypotheekkantore.

2.15 Bij verzoekschrift van 22 mei 2012 bekend onder A.R.No. 122020 heeft [appellante] gevorderd dat de doorhaling gelast wordt van de inschrijving van het proces-verbaal van de openbare verkoop en alle akten die daaruit voortvloeien. Voorts vordert zij dat de moeder en de zus wordt verboden om gebruik te maken van de beschikking van 23 maart 2009 met betrekking tot de openbare verkoop. Zij vordert tevens dat de Staat veroordeeld wordt om aan haar een uittreksel te verstrekken waarin is opgenomen dat het onroerend goed ten harer name staat ingeschreven in het register ten hypotheekkantore en dat het executoriaal beslag gelegd op het onroerend goed wordt opgeheven. Ten slotte vordert zij dat de gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.

2.14 Bij vonnis van 19 juli 2012 is het gevorderde afgewezen.

2.15 Tegen dit vonnis heeft [appellante] hoger beroep aangetekend.

3.De ontvankelijkheid van het beroep

3.1 [appellante] heeft op 28 september 2012 appèl aangetekend tegen het kort geding vonnis van 19 juli 2012.

3.2 Partijen waren geen van allen bij de uitspraak aanwezig, noch in persoon, noch bij gemachtigde.

3.3 Het vonnis is per griffiersbrief gedateerd 12 september 2012 aan [appellante] verzonden.

3.4 Zowel de Hypotheekbewaarder als Calor, de zus, de moeder en de Stichting hebben in hun antwoord pleidooi aangevoerd dat [appellante] niet –ontvankelijk verklaard moet worden in haar appèl omdat zij tardief is in het aantekenen van het appèl doordat zij pas 16 dagen na de dagtekening van de griffiersbrief appèl heeft aangetekend. Zij had binnen 14 dagen appèl moeten aantekenen.

3.5 [appellante] heeft op dit verweer aangevoerd dat zij de griffiersbrief welke gedatteerd is 12 september 2012 pas op 27 september 2012 heeft ontvangen. Zij heeft ter adstructie daarvan overgelegd een kennisgeving van aankomst van een aangetekend stuk van het Surinaams Postbedrijf Surpost de dato 26 september 2012 in welke kennisgeving staat vermeld dat zij het  aangetekend stuk vanaf 27 september 2012 kan afhalen op het post kantoor Land van Dijk. Zij voert aan dat zij op 27 september 2012 het stuk is gaan ophalen en zag dat het de griffiersbrief betrof waarmee het vonnis aan haar werd gezonden. Zij heeft toen gelijk de appèlaantekening in orde gemaakt op 28 september 2012 en heeft ook aan de President van het Hof van Justitie op 28 september 2012 een schrijven gericht waarin zij het hiervoor gestelde heeft verwoord.

3.6 De hypotheekbewaarder en Calor, de zus, de moeder en de Stichting hebben hierop gereageerd en blijven erbij dat [appellante] niet ontvankelijk verklaard moet worden in haar appèl. De hypotheek bewaarder stelt daarbij dat de verzendtheorie aangehouden moet worden waarbij slechts de datum van verzending in ogenschouw genomen moet worden. Ook Calor, de zus, de moeder en de Stichting zijn de mening toegedaan dat de wet duideljik is hierover en de datum van verzending van de griffiersbrief van belang is.

3.7 Het Hof deelt voormelde zienswijze van de hypotheekbewaarder , Calor, de zus, de moeder en de Stichting niet. De ontvangsttheorie, die ervan uitgaat dat het moment van ontvangst ook meegenomen moet worden bij de beoordeling of er sprake is van ontvankelijkheid, is naar het oordeel van het Hof rechtvaardiger en zal dan ook door het Hof gevolgd worden. Hoe kan immers van een persoon, die door de procedure gevolgd door de griffie en het Postbedrijf, nog niet eens op de hoogte is van een uitspraak, gevraagd worden dat die zich aan de termijn houdt, zonder dat die persoon op de hoogte is gesteld van het feit dat de termijn is ingegaan. De verzendingsprocedure van de griffie via het Postbedrijf valt niet binnen de invloedssfeer van een partij, waardoor een vertraagde verzendtijd niet ten nadele van die partij kan worden uitgelegd. Het Hof is dan ook van oordeel dat [appellante] voldoende heeft aangetoond dat zij niet anders kon dan na de ontvangst van de griffiers brief het appèl aantekenen waardoor zij ontvankelijk zal worden verklaard in haar appèl.

4.De grieven

4.1[appellante] heeft de volgende acht grieven tegen het vonnis aangevoerd:

1.Ten onrechte heeft de kantonrechter in de punten 2.3 en 2.4 van het vonnis vastgesteld dat de percelen bij akten van 7 december 1994 en 31 januari 1995 zijn overgedragen aan gedaagde sub F, de Stichting;

2.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 2.5 van het vonnis vastgesteld dat als eisers optraden gedaagde sub E en F, de moeder en de Stichting;

3.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 2.7 van het vonnis vastgesteld dat het perceelland in het openbaar is verkocht; de kantonrechter heeft geen specifieke aanduiding gegeven van het verkochte perceelland;

4.Ten onrechte is de kantonrechter eraan voorbij gegaan dat noch in het verzoekschrift, noch in de beschikking de dato 23 maart 2009 in de zaak met A.R.No. 083859, enige aanduiding is opgenomen van de zogenaamde verkochte delen;

5.Ten onrechte is de kantonrechter eraan voorbij gegaan dat de zus een aan haar door [appellante] geschonken deel groot 1.238,23 m2 met no. 4 reeds in het jaar 2007 aan de heer [naam] heeft geschonken; hierdoor hadden de zus en de moeder in 2008 geen belang meer bij uitvoering van het veroordelend vonnis waarbij dwangsommen zijn geexecuteerd; de schutting waarover het veroordelend vonnis ging stond immers bij het perceel dat aan [naam] is geschonken;

6.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 4.5 van het vonnis vermeld: “de omschrijving/aanduiding heeft alleen de strekking te vermelden op welke wijze de eigendom is overgegaan op de latere verkrijgers.”; de kantonrechter had niet mogen aanvaarden dat in de akten van 2012 dezelfde delen grond worden aangeduid als te zijn verkocht terwijl zij zijn geschonken;

7.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 4.6 van het vonnis bepaald dat er aan de procedure voorafgaand aan de openbare verkoop geen gebreken kleven; immers is het gebleken dat er een foutieve aanduiding of omschrijving stond in de beschikking en in de advertentie voor de openbare verkoop; er kleefde dus wel een gebrek;

8.Ten onrechte heeft de kantonrechter niet onderzocht of er daadwerkelijk een koopsom van SRD.270.000,= is betaald door de Stichting; immers, het is zeer onwaarschijnlijk waardoor ook daar sprake is van een valse opgave in de akte.

4.2 Op grond van voormelde grieven vordert [appellante] dat het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd en dat het Hof opnieuw rechtsdoende het gevorderde toewijst.

4.3 [appellante] vordert tevens dat ook de hoofdzaak bekend onder A.R.No. 122381 door het Hof zal worden afgedaan.

5.De beoordeling

Grief 1 en grief 2

5.1 Calor, de zus en de moeder hebben op deze grieven verweer gevoerd waarbij zij stellen dat het een schrijffout betreft. Uit de stellingen en weren in eerste aanleg blijkt dat de percelen aan de zus en de moeder zijn geschonken en dat zij eisers waren in de zaak betreffende de openbare verkoop.

5.2 Het hof overweegt dat, gelijk geïntimeerden stellen, uit de stellingen en weren in eerste aanleg en de in eerste aanleg overgelegde producties blijkt dat de percelen aan de zus en de moeder zijn geschonken en dat zij eisers waren in de zaak betreffende de openbare verkoop. Hierdoor kan het niet anders dan dat de kantonrechter de zus en de moeder bedoelde in de opsomming van de feiten.

5.3 Het Hof zal aan die grieven dan ook voorbij gaan.

Grief 3.

5.4  Calor, de zus en de moeder hebben ten aanzien van deze grief aangevoerd dat de kantonrechter in punt 2.6 wel een omschrijving van het perceel heeft aangegeven. Hierdoor is het duidelijk welk perceel het feit genoemd in 2.7 betreft.

5.5 Het Hof is het met Calor, de zus en de moeder eens, immers blijkt uit de opsomming van de feiten duidelijk dat de kantonrechter met het feit in 2.7 genoemd bedoelt dat het onroerend goed genoemd in punt 2.6 in het openbaar is verkocht. De opsomming zoals door de kantonrechter gekozen levert geen grond op om het vonnis te vernietigen.

Ook aan deze grief zal daarom voorbij gegaan worden.

Grief 4, grief 6 en grief 7.

5.6 Calor, de zus en de moeder hebben op deze grieven gereageerd waarbij zij aanvoerden dat [appellante] ten onrechte stil blijft staan bij het feit dat in de advertentie en de beschikking betreffende de toestemming voor de openbare verkoop de woorden “verkocht en overgedragen”staan in plaats van “geschonken en overgedragen”.  Echter heeft de openbare verkoop geen betrekking op deze delen, immers behoorden die niet meer toe aan [appellante] en maakten zij geen onderdeel uit van hetgeen in het openbaar werd verkocht. Zij stellen dat deze woorden geen invloed hebben op de feitelijke verkoop die heeft plaatsgevonden. Immers, zo stellen zij, is het wel duidelijk welk perceel geveild wordt en is ten aanzien van het perceel dat geveild wordt geen verkeerde omschrijving gegeven.

5.7 [appellante] heeft in reactie op het verweer van geintimeerden aangevoerd dat de omschrijving vals is en daarom de akten niet in stand kunnen blijven.

5.8 Het Hof overweegt dat in casu de vraag aan de orde is of het feit dat in het verzoekschrift van 18 september 2008 in A.R.No. 083859, in de beschikking van 23 maart 2009, in de advertentie met betrekking tot de openbare verkoop en in de akten met betrekking tot de openbare verkoop niet staat dat de uitgezonderde delen zijn geschonken tot gevolg moet hebben dat alle gevolgen van de openbare verkoop moeten worden teruggedraaid. Zij noemt tevens als gevolg dat de beschikking met betrekking tot de openbare verkoop niet meer gebruikt mag worden. [appellante] stelt van wel en de geïntimeerden stellen van niet.

5.9 Het Hof overweegt dat de kantonrechter van oordeel was dat dat niet het geval is doch [appellante] heeft in haar grieven aangevoerd, zoals hierboven reeds genoemd, dat dat oordeel niet juist is en beroept zich erop dat de akten van de openbare verkoop een valsheid bevatten waardoor zij niet in stand kunnen blijven.

5.10 Het Hof overweegt dat, gelijk de kantonrechter heeft geoordeeld, in de praktijk dit feit niet hoeft te leiden tot het terugdraaien van alle gevolgen van de openbare verkoop. In casu is er klaarblijkelijk sprake van een verschrijving die is begonnen bij het verzoekschrift voor de openbare verkoop. Immers is de omschrijving van de uitgesloten delen in de registers van het hypotheek kantoor wel juist.

Deze verschrijving in het verzoekschrift heeft geleid tot een beschikking waarin ook een verschrijving terecht is gekomen. Omdat geen der partijen of instanties de verschrijving had opgemerkt is de verschrijving ook opgenomen in de akten betreffende de openbare verkoop.

5.11 Het Hof overweegt dat een verschrijving in akten ingevolge de Wet op het Notarisambt met name de artikelen 29, 30 en 31 kunnen worden gerectificeerd. Indien de verschrijving in de akten betreffende de openbare verkoop van zodanig aard is dat deze zou moeten worden verbeterd zal die procedure genoemd in de artikelen hiervoor moeten worden gevolgd. In elk geval dient een dergelijke verschrijving, gelijk de kantonrechter heeft geoordeeld, niet als gevolg te hebben dat de gevolgen van de openbare verkoop teniet gedaan moeten worden. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld.

Het Hof is van oordeel dat het belang dat geschaad wordt door de verkeerde omschrijving van de uitgesloten delen, die überhaupt niet aan de orde waren bij de openbare verkoop, niet opweegt tegen het belang dat geschaad wordt indien de gevolgen van de openbare verkoop teniet gedaan zouden worden. Nu de Wet op het Notaris ambt voor deze verschrijving een procedure biedt, zal die procedure gevolgd moeten worden.

5.12 Op grond van het voorgaande is de kantonrechter haar oordeel ook juist dat aan de procedures voorafgaand aan de openbare verkoop geen gebreken kleven die zouden moeten leiden tot het nietig verklaren van de openbare verkoop. De Openbare verkoop kan in stand blijven, evenals de akten die in verband met de openbare verkoop zijn opgemaakt.

5.13 Het Hof gaat op grond van het voorgaande voorbij aan de grieven.

Grief 5

5.14 Calor, de zus en de moeder hebben op deze grief gereageerd waarbij zij hebben aangevoerd dat het feit dat het blote eigendom van het perceel met nummer 4 in 2007 is overgedragen aan de heer [naam] niets afdoet aan het belang dat de zus en de moeder hadden bij de executie van de dwangsommen. Immers, bij de overdracht van de blote eigendom op [naam], is het recht van vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van de moeder. Het is niet juist dat die overdracht van de blote eigendom ertoe zou moeten leiden dat de dwangsommen niet meer mochten worden geëxecuteerd.

5.15 Het Hof overweegt dat de vraag die hierbij aan de orde is de vraag betreft of de zus en de moeder op 18 september 2008 het recht hadden om dwangsommen te executeren. [appellante] stelt van niet en de zus en de moeder stellen van wel.

5.16 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren van partijen blijkt dat het vonnis van 21 januari 2008 in de zaak bekend onder A.R.No. 063195 een veroordeling inhield aan welke veroordeling een dwangsom verbonden was en welke veroordeling uit drie onderdelen bestond: [appellante] mocht geen handelingen plegen die inbreuk maakte op de erfdienstbaarheid ten behoeve van de zus en de moeder; [appellante] moest binnen twee dagen de schutting van zinkplaten afbreken; [appellante] moest gedogen dat de EBS N.V. de bomen op haar perceel zou snoeien ter voorkoming van kortsluiting aan de electriciteitskabels die aangesloten waren aan de woning van de zus gelegen aan de [straat] no. 14 en 14a.

5.17 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren van partijen blijkt dat aan de moeder en de zus drie percelen waren geschonken. Uit de conclusie van antwoord in eerste aanleg en de overgelegde perceelkaart (overgelegd bij conclusie van antwoord van Calor, de zus, de moeder en de Stichting) blijkt dat de drie percelen achter elkaar liggen en dat de erfdienstbaarheid langs alle drie percelen loopt. Het proces waarin de veroordeling is uitgesproken betreft de erfdienstbaarheid waardoor, gelijk geïntimeerden stellen en ook de kantonrechter heeft overwogen, het feit dat de blote eigendom van een der drie percelen op een ander is overgegaan,  niet tot gevolg heeft dat er verandering is opgetreden in de eigendom van de  twee andere percelen waarlangs de erfdienstbaarheid loopt en waarop de rest van de veroordeling betrekking had. Om die reden en op grond van het feit dat de moeder wel het recht van vruchtgebruik bezit op het perceel dat is overgedragen aan [naam], kan niet gesteld worden dat de zus en de moeder geen belang meer hadden bij de nakoming van het vonnis en daarmee bij de executie van de dwangsommen.

5.18 Het Hof zal op grond van het voorgaande ook voorbij gaan aan deze grief.

Grief 8

5.19  Calor, de zus en de moeder hebben op de grief gereageerd waarbij zij aanvoerden dat het gegeven of de koopsom betaald is niet van belang is voor de zaak. Zij voeren aan dat de rechtsrelatie tussen de executant en de koper op de veiling niet door de rechter onderzocht hoeft te worden.

5.20 Het Hof overweegt dat, gelijk de geïntimeerden hiervoor stellen, de vraag of de koopsom is betaald of zou kunnen zijn betaald door de Stichting, geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van de openbare verkoop en op de overdracht van het onroerend goed aan de veiling koper in casu de Stichting. Immers, zolang de executant van mening is dat er voldoende is voldaan voor wat betreft de betaling van de koopsom en de executant accoord gaat met de overdracht aan de koper na de veiling, is er voor de kantonrechter geen aanleiding om onderzoek te doen. Ook voor het Hof bestaat geen aanleiding om onderzoek te doen naar de vraag of de koopsom wel is voldaan nu noch de koper, noch de executant daar een rechtsgeschil over zijn begonnen.

5.21 Op grond van het hiervoor overwogene zal ook aan die grief voorbij gegaan moeten worden.

Het verzoek van [appellante] om ook de bodemzaak af te doen met de onderhavige appèlbehandeling.

5.22 Aan het verzoek van [appellante] om ook de bodemzaak welke bekend staat onder A.R.No. 122381 in deze zaak af te doen, zal het Hof voorbij gaan, nu de onderhavige appèlzaak slechts betreft de zaak met A.R.No. 122020 waartegen bij schrijven van 28 september 2012 door [appellante] appèl is aangetekend en welk appèl bij beschikking van de Vice-President van het Hof van Justitie van 6 november 2012 is geappointeerd voor 4 januari 2013.

5.23 Het Hof is van oordeel dat nu de grieven allen ongegrond zijn, het vonnis in prima moet worden bevestigd.

6.De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 19 juli 2012, A.R.No. 122020, waarvan beroep.

6.2 Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. I. H. M. H. Rasoelbaks, Waarnemend-President, mr. S. S. S. Wijnhard, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging  uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 oktober 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                                        w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellante en geïntimeerde sub A vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Sewdien namens advocaat mr. C.B. Lachman, geïntimeerde sub B vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. C.N. Mijnals en geïntimeerden sub C, D, E en F vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld