SRU-HvJ-2017-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-15078
  • Uitspraakdatum 07 april 2017
  • Publicatiedatum 19 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Echtscheidingsrecht. Tardief Appel.
    De man concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot alsnog afwijzing van de toegewezen vorderingen van de vrouw. Uit de aantekening van de griffier op het vonnis volgt dat partijen in persoon dan wel bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg zijn verschenen.
    Artikel 264 Brv geeft aan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag van de uitspraak of indien de eiser in hoger beroep bij die uitspraak niet aanwezig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis aan hem volgens de wet is medegedeeld. Aangezien de man volgens de verklaring van de griffier op 22 juli 2015, meer dan dertig dagen na 15 juni 2015, hoger beroep heeft ingesteld, is dit niet tijdig geschied en is hij derhalve niet ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl.

    Artikel 264 Brv

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],

wonende in [district],

appellant, hierna aangeduid als “de man”,

gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,

gemachtigde: mr. J.R. Garib, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 15 juni 2015 (A.R.No. 14-2872) tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat namens de man op 22 juli 2015 hoger beroep is ingesteld;

– pleidooi d.d. 18 maart 2016;

– antwoordpleidooi d.d. 06 mei 2016;

– repliekpleidooi d.d. 15 juli 2016;

– dupliekpleidooi d.d. 05 augustus 2016;

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 17 februari 2017, doch is nader bepaald op heden.

De beoordeling

2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Partijen zijn op 04 juni 1982 in het ressort Sur/NM = 1982, ingeschreven onder [nummer], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Uit dit huwelijk zijn er twee kinderen geboren, die thans meerderjarig zijn.

2.2. De vrouw heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd:

– dat de echtscheiding werd uitgesproken van het tussen partijen gesloten huwelijk op 04 juni 1982 in het ressort Suriname;

– de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van degene die mocht weigeren of in gebreke blijft aan de scheiding en deling mee te werken;

2.3 De Kantonrechter heeft bij vonnis van 15 juni 2015 de echtscheiding uitgesproken als verzocht, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd bevolen, en voorts – kort – gezegd – een boedelnotaris en twee onzijdige personen benoemd.

2.4 De man concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot alsnog afwijzing van de toegewezen vorderingen van de vrouw.

2.5 Uit de aantekening van de griffier op het vonnis van 15 juni 2015 volgt dat partijen in persoon dan wel bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg zijn verschenen. Artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering geeft aan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag van de uitspraak of indien de eiser in hoger beroep bij die uitspraak niet aanwezig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis aan hem volgens de wet is medegedeeld. Aangezien de man volgens de verklaring van de griffier op 22 juli 2015, meer dan dertig dagen na 15 juni 2015, hoger beroep heeft ingesteld, is dit niet tijdig geschied en is hij derhalve niet ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl.

2.6 Het Hof concludeert dat de man niet tijdig in appèl is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter d.d. 15 juni 2015 weshalve hij reeds op grond hiervan niet – ontvankelijk zal worden verklaard in het door hem ingestelde beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Verklaart de man niet – ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 15 juni 2015 (A.R.No. 14-2872).

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 april 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. J.R. Garib, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld