SRU-HvJ-2017-37

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14986
  • Uitspraakdatum 21 juli 2017
  • Publicatiedatum 27 juli 2020
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    In hoger beroep vordert appellant echtscheiding en geeft aan duurzame ontwikkeling. Het Hof geeft aan dat de eiser concreet moet aangeven en bewijzen waaruit de duurzame ontwrichting bestaat. Geïntimeerde betwist de echtscheidingsgrond niet. De vrouw doet een beroep op pensioenverweer en het Hof gelast comparitie van partijen om voorzieningen te treffen.

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende  te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wondende in het [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R. no. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis uit:

1.  Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 19 juli 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met productie, overgelegd op 20 maart 2015;
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 03 juli 2015;
  • de repliekpleitnota, overgelegd op 02 oktober 2015;
  • de dupliekpleitnota met productie, overgelegd op 04 december 2015
  • de conclusie tot uitlating productie, overgelegd op 15 januari 2016.

1.1   De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 08 mei 1982 te Paramaribo in het ressort Par/BH in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.
2.3 Bij vonnis van 28 mei 2012 heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton de vordering tot echtscheiding en scheiding en deling zijdens de man, afgewezen.
2.4 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 28 mei 2012, noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan gemachtigden van partijen verstrekt per griffiersbrief d.d. 17 juli 2012. Nu de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 18 juli 2012, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 19 juli 2012, appèl heeft aangetekend, is dit appèl tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, als definitieve voorziening gevorderd dat:

a. tussen partijen de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
b. de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet;
c.  kosten rechtens.

5.De grieven
De door de man aangevoerde grieven kunnen alsvolgt worden opgesomd:

I. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen, hierop neerkomende, dat de ziens wijze van de man, dat hij niet hoeft te onderbouwen op grond waarvan hij aanvoert dat het huwelijk duurzaam is ontwricht tenzij gedaagde dat tegenspreekt, voorbij gaat aan het feit dat de tegenpartij het recht heeft van meet af aan te weten waartegen zij verweer dient te voeren en dat door die zienswijze van de man de kantonrechter de ruimte wordt ontnomen om aan de hand van stellingen en weren van partijen te beoordelen of er wel of niet sprake is van duurzame ontwrichting, ondanks mogelijke ontkenning van de vrouw.

II. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de man heeft volstaan met slechts te stellen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat hij daardoor onvoldoende heeft gesteld en dat zijn vordering daardoor dient te worden afgewezen aangezien de man in de conclusie van repliek de gestelde duurzame ontwrichting toch nog heeft onderbouwd, doch is de kantonrechter daaraan voorbijgegaan.

6. De vordering in hoger beroep
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg, toe te wijzen.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat het vonnis waarvan beroep bevestigd dient te worden en doet voorts een uitdrukkelijk beroep op de artikelen 263 en 264 SBW.

8. De beoordeling
8.1 De vrouw heeft op de grief gereageerd en daarbij aangevoerd dat de man de plank volledig misslaat door ervan uit te gaan dat hij niet gehouden is aan zijn stelplicht bij diens vordering en dat hij door simpelweg een blote stellingname/grondslag – dat het huwelijk duurzaam ontwricht is – een echtscheiding kan effectueren. Hierdoor heeft zij zich niet kunnen verweren omdat zij van meet af aan ten processe niet weet wat de feiten zijn die de veronderstelde duurzame ontwrichting dragen. Zij stelt voorop dat zij ontkent dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan haar schuld te wijten is en dat de man zijn vordering moet motiveren, nu zij met klem ontkent dat er sprake is van duurzame ontwrichting die in overwegende mate aan haar schuld te wijten is.

8.2 Het Hof overweegt dat de door de man aangevoerde grieven slagen. Immers geldt volgens wet, vaste jurisprudentie en doctrine het volgende. Dient een echtgenoot tegen de ander een verzoek tot echtscheiding in, dan behoeft hij in het verzoekschrift, voor zover het gaat om de ontbinding van het huwelijk, slechts te stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Als de andere echtgenoot de gestelde duurzame ontwrichting erkent, refereert aan het oordeel van de rechter danwel niet weerspreekt en dus geen verweer voert, zal het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen. De duurzame ontwrichting staat dan vast. De lijdelijkheid van de rechter leidt ertoe dat de rechter in deze gevallen niet ambtshalve mag onderzoeken of de tussen partijen vaststaande toestand inderdaad aanwezig is. Voert de andere echtgenoot het verweer dat het huwelijk niet – of niet duurzaam –  is ontwricht, dan zal de eiser concreet moeten aangeven en bewijzen waaruit de (duurzame) ontwrichting bestaat. Gelet hierop slaagt grief I.

8.3 In casu heeft de vrouw de echtscheidingsgrond niet betwist, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof komt hierop naderhand terug. In eerste aanleg heeft de man aan zijn vordering duurzame ontwrichting van het huwelijk ten grondslag gelegd. Voorts heeft hij bij conclusie van repliek gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning heeft verlaten en niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Bij conclusie van repliek in hoger beroep heeft de man verder gesteld dat de vrouw schuld heeft aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. Het hof overweegt dat nu de man voldoende onderbouwing aan de door hem gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft gegeven ook grief II slaagt.
Dit heeft tot gevolg dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en als na te melden zal worden beslist.

8.4 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en in hoger beroep de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet heeft ontkend, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat zij thans langer dan 3 jaren niet meer samenwonen en/of een man/vrouw relatie met elkaar onderhouden, waardoor naar het oordeel van het Hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat.

8.5 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord en bij conclusie van dupliek in zowel eerste aanleg en in hoger beroep heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is omdat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan overspel. De vrouw doet hiermee een uitdrukkelijk beroep op artikel 263 SBW.

8.6 Het Hof overweegt dat het enkel aangaan van een buitenechtelijke relatie en het verlaten van de echtelijke woning door de man, niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan zijn schuld te wijten is geweest, aangezien de man duidelijke redenen heeft aangevoerd waarom hij de echtelijke woning verlaten heeft.
Met name is door de man aangevoerd dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning verlaten heeft en voorts dat hij niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Voorts heeft de man aangegeven dat de vrouw schuld heeft gehad aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. De man heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de vrouw slechts heeft volstaan door aan te voeren dat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan. Hiermee heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de schuld van de man is te wijten en zal het verweer van de vrouw ter zake worden verworpen.

8.7  Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en hoger beroep een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op het pensioenverweer ingevolge artikel 264 SBW. In artikel 264 lid 1 SBW is bepaald dat indien als gevolg van de gevorderde echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de ene echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, zou teloor gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen de vordering verweer voert, kan deze niet worden toegewezen, voordat daaromtrent een voorziening is getroffen.

8.8  Het Hof constateert voorts dat de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd tegen het onder punt 8.7 gesteld pensioenverweer van de vrouw. Gelet op het in 8.7 en 8.8.overwogene acht het Hof termen aanwezig een comparitie te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen. Partijen dienen ter comparitie, voor zover nodig met medeneming en overlegging van relevante documenten, hun respectieve standpunten met betrekking tot het gevoerde pensioenverweer te onderbouwen zodat eventueel een voorziening ter zake kan worden getroffen.

8.9  Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

9. De beslissing in Hoger Beroep

 Het Hof:

9.1   Alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen ambtshalve om in persoon, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag  13 oktober 2017 des voormiddags te  09:00  uur te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het in 8.8 overwogene;
Bepaalt dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President van het Hof van Justitie;
Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr.  I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juli 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.