SRU-HvJ-2017-38

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-885
  • Uitspraakdatum 03 november 2017
  • Publicatiedatum 18 april 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Ambtenarenzaken. artikel 79 van de Personeelswet.In casu is er sprake van een ongeoorloofde eisvermeerdering. Ook wordt verweerder door de gevorderde eiswijziging in zijn verdediging geschaad, waardoor het proces onredelijk wordt vertraagd.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoekster in de hoofdzaak alsmede in het incident,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB),
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,
verweerder in de hoofdzaak alsmede in het incident,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, wnd. Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 24 juni 2015 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 07 augustus 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 augustus 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 11 augustus 2015, met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 17 september 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 06 oktober 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v.  22 september 2015, met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift, ingediend op 27 oktober 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 07 december 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 januari 2016;het procesverbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 18 maart 2016;
  • de incidentele conclusie tot herziening c.q. wijziging van het verzoekschrift, met producties, ingediend d.d. 18 maart 2016;
  • de conclusie van antwoord in het incident, met producties, ingediend d.d. 03 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, ingediend d.d. 05 augustus 2016;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 17 februari 20 I 7.

De vordering, de grondslag daarvan en bet verweer daartegen
In de hoofdzaak
2.1. Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om:
a. haar te ontvangen in haar vordering;nietig te verklaren, althans te vernietigen, de beschikking d.d. 13 mei 2015, Bureau [nummer 1];
b. verweerder te gelasten verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende voor de gewraakte beschikking;
c. verzoekster in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de voorheen bekleedde functie, te kunnen vervullen zonder
enige hindernis zijdens verweerde;
d. verweerder te gelasten hetsalaris aan verzoekster uit te betalen en daarmee voort te gaan conform beschikking d.d. 24 december 2013, [nummer 2];
e. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat bij in strijd handelt met het hierboven  gevorderde;
f. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding;
g. één of meer beslissingen te geven zoals het het hof geraden voorkomt.

2.2. Verzoekster heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de ontslag beschikking d.d. 13 mei 2015 berust op onware feiten, niet deugdelijk is  gemotiveerd, tot stand is gekomen in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en in strijd is met wet. Tevens stelt verzoekster dat de tuchtmaatregel van ontslag niet in overeenstemming is met het vermeend door haar gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan.

2.3. Verweerder heeft bij wege van verweer aangevoerd dat de gewraakte beschikking zal worden ingetrokken en dat verzoekster de  intrekkingsbeschikking ten spoedigste tegemoet mag zien.

In het incident
2.4. Verzoekster heeft bij incidentele conclusie verzocht om toe te staan dat het verzoekschrift wordt herzien, in dier voege dat het petitum onder b als  volgt wordt gelezen:”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1], d.d. 3 november 2015 [nummer 3] . d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerster te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functie waarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen; ”

2.5. Verzoekster legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij bij exploot d.d. 12 januari 2016 de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft  ontvangen eensluidend als de gewraakte ontslagbeschikking, waarin slechts de ingangsdatum van het ontslag is weggelaten, terwijl zij bij exploot d.d. 14 januari 2016 de beschikking d.d. 23 oktober 2016 heeft ontvangen inhoudende de intrekking van de gewraakte ontslagbeschikking. Tevens heeft verzoekster op 15 maart 2016 ontvangen, de beschikking d.d. 22 februari 2016, waarin de ingangsdatum van het aan haar verleend ontslag is vastgesteld op 13 januari 2016. Verzoekster stelt dat vanwege de gekozen volgorde het aan haar verleend ontslag nimmer heeft opgehouden  c.q. heeft voortgeduurd, weshalve zij geen reden heeft om af te zien van de onderhavige vordering, terwijl de handelingen van verweerder blijk geven  van het grovelijk in strijd handelen met de goede procesorde, te meer daar partijen voor wat betreft het onderwerpelijke te midden van het rechtsproces zijn.

2.6. Verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord op het incident als verweer aangevoerd dat de beschikking d.d. 13 mei 2015 bij beschikking d.d. 23 oktober 2015 is ingetrokken, weshalve deze niet meer van kracht is, terwijl de beschikking d.d. 23 oktober 2015 ingevolge artikel 79 lid 2 PW, niet betreft een besluit tot ontslag. Verweerder voert voorts aan dat verzoekster de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen op 12 januari 2016, terwijl de incidentele vordering tot wijziging verzoekschrift is ingediend op 18 maart 2016, en is derhalve niet conform artikel 80 PW binnen een maand na kennisname ingediend. Verweerder concludeert derhalve dat verzoekster conform artikel 80 PW niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidentele vordering.

De beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak
In het incident
3.1. Het hof stelt voorop dat thans de vraag beantwoord dient te worden of de gevorderde eiswijziging is toegestaan, zonder in dit stadium op de inhoudelijke beoordeling van het gevorderde in te gaan, zodat het hof slechts zal nagaan of er in casu sprake is van een ongeoorloofde eisvermeerdering en/of dat verweerder door de gevorderde eiswijziging in zijn verdediging wordt geschaad en/of dat het proces daardoor onredelijk wordt vertraagd. Het hof overweegt dat de eiswijziging erop neerkomt dat dat behalve de reeds gevorderde nietigverklaring c.q. vernietiging van de beschikking d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1], eveneens worden meegenomen de gedurende het proces aan verzoekster uitgereikte beschikkingen d.d. 3 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016. Naar het oordeel van het hof hebben de naderhand uitgereikte beschikkingen allen betrekking op het eerste besluit tot ontslagverlening aan verzoekster, op grond waarvan de onderhavige vordering is ingesteld, c.q. vloeien deze beschikkingen voort uit dat eerste besluit, zodat er geen sprake is van een eisvermeerdering. Evenmin is naar het oordeel van het hof verweerder in zijn verdediging geschaad. Meer nog, verweerder heeft de gelegenheid te baat genomen om bij zijn conclusie van antwoord in het incident alsnog inhoudelijk verweer te voeren op de vordering van verzoekster, hetgeen hij eerder had. Van een onredelijke vertraging van het proces is evenmin sprake, integendeel worden kosten en tijd bespaard door de beschikkingen in het onderhavig proces mee te nemen.

3.2. Gelet op het voren overwogene zal de gevorderde eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder b zal komen te luiden zoals overwogen onder 2.4 van dit vonnis.

In de hoofdzaak
3.3. Nu, de vordering in het incident zal worden toegewezen, zal in de hoofdzaak voort geprocedeerd dienen te worden in de stand waarin het zich bevond voordat de zaak voor vonnis in het incident werd bepaald, weshalve de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen voor voortzetting verhoor van partijen op de datum zoals bepaald in de beslissing.

3.4. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

  1. De beslissing in het incident en in de hoofdzaak
    Het Hof:

In het incident
4.1. Staat toe de gevorderde eiswijziging, in dier voege dat het petitum onder b als volgt zal luiden :”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1] , d.d. 3 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerder te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functiwaarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen;”

In de hoofdzaak
4.2. Bepaalt dat de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen op de terechtzitting van vrijdag 16 maart 2018 voor voortzetting verhoor van partijen.

4.3. Houdt iedere verdere beslissing aan .

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr.S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 3 november 2017, in tegenwoordigheid van mr.S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier

w.g. S.C. Berenstein     w.g. S.M.M. Chu

Partijenverzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Loi Tam Loi namens advocaat mr.M.A. Guman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr.R.Y. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof vanJustitie,
mr.M.E. van Genderen-Relyveld