SRU-HvJ-2017-7

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-906
  • Uitspraakdatum 16 juni 2017
  • Publicatiedatum 20 maart 2019
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Termijnoverschrijding. Ontslag rechtsgeldig.
    De termijn voor het instellen van een vordering bij de Burgerlijke Rechter in Ambtenarenzaken is van openbare orde. Niet alle termijnoverschrijdingen worden gevolgd door een niet-ontvankelijkheid. De mogelijkheid om de vordering alsnog ontvankelijk te verklaren dient te worden geopend, indien in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
    (Artikel 80, lid 1, onder b, van de Personeelswet)

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],

wonende in [district],

verzoekster,

gemachtigde: I.D. Kanhai Bsc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, VEEETEELT EN VISSERIJ,

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. M. Winter, Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het verzoekschrift d.d. 11 maart 2016 met producties;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 10 mei 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 augustus 2015;

– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 02 december 2016.

2. De feiten

Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoekster” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 Verzoekster is tot aan haar ontslag werkzaam geweest als ambtenaar, in de functie van Aspirant Landbouwvoorlichter L.V.V. ingedeeld in de functiegroep 05 (schaal 05B), in vaste dienst bij de Hoofdafdeling Regio West van het Onderdirectoraat Landbouw van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij.

2.2 Verzoekster heeft middels aangetekende post op 22 december 2015 een ontslagbeschikking ontvangen, gedateerd 29 oktober 2015 met het [nummer].

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

3.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:

A. De beschikking gedateerd 29 oktober 2015 [nummer] nietig te verklaren, althans te vernietigen, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Ambtenarenpensioenwet;

B. Om bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen, verweerder te veroordelen en te gelasten om binnen een week na uitspraak van het vonnis:

1. De beschikking gedateerd 29 oktober 2015 [nummer], met terugwerkende kracht vanaf 29 oktober 2015 ongedaan te maken, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Ambtenarenpensioenwet;

2. Verzoekster in de gelegenheid te stellen om haar werkzaamheden als normaal voort te zetten en haar daarin niet te hinderen;

3. Aan verzoekster te voldoen het salaris en alle daarbij gepaard gaande emolumenten vanaf januari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot en met de dag der algehele kwijting;

4. Het voldoen van een dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of iedere keer dat hij in strijd met het onder B 1 en 2 gevorderde zal handelen;

5. Tot betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten voor vastrecht ad SRD 60,-; deurwaarderskosten ad SRD 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.500,-.

Verzoekster heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij blijkens haar ontslagbeschikking is ontslagen op grond van een verklaring van de geneeskundige commissie gedateerd 25 juni 2015, waarin is aangegeven, dat verzoekster blijvend ongeschikt is voor de verdere dienst.

De ontslagbeschikking is in strijd met de Personeelswet vanwege het feit dat het ontslag ingevolge artikel 69 lid 2 onder f verleend zou moeten zijn en niet artikel 71 lid 4 zoals is vermeld onder de 2e overweging in de ontslagbeschikking.

Verzoekster diende overigens in aanmerking te komen voor een Invaliditeitspensioen, conform artikel 20 lid 1 sub b van de Ambtenarenpensioenwet 1972. Dit is echter nagelaten in de voornoemde beschikking.

Voorts is verzoekster van mening dat de Geneeskundige Commissie niet bevoegd is om een dergelijke verklaring af te leggen, daar de instructies betreffende het geneeskundig onderzoek bij ambtenaren conform artikel 44 van de Landsverordening van 03 december 1938 (G.B. 1938 no. 131) nimmer zijn vastgesteld.

De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat verzoekster vanaf het jaar 2013 tot en met het jaar 2015 niet aan het werk is verschenen vanwege ziekte. Er zijn geen mogelijkheden bekeken om verzoekster aangepaste werkzaamheden te laten verrichten, omdat zij niet aan het werk verscheen.

Pogingen van het waarnemend hoofd Personeelszaken om met verzoekster in contact te treden, teneinde mogelijkheden te bespreken om haar te reïntegreren zijn vruchteloos gebleven, omdat verzoekster niets van het Ministerie van LVV wilde horen. Vervolgpogingen om met verzoekster in contact te treden zijn eveneens mislukt, daar verzoekster telefonisch niet bereikbaar was. Vervolgens is de ontslagprocedure van verzoekster ingezet, daar zij door de Geneeskundige Commissie is afgekeurd voor verdere dienst.

4.De beoordeling van het geschil

4.1 Verzoekster is ingevolge artikel 80 lid 1 onder b van de Personeelswet tardief met het instellen van haar vordering. Zij verzoekt het Hof haar vordering op grond van overmacht niettemin ontvankelijk te verklaren. Immers is de vordering te laat ingesteld door omstandigheden buiten haar schuld.

4.1.1 Het Hof overweegt dat de termijn voor het instellen van een vordering bij de Burgerlijke Rechter in Ambtenarenzaken van openbare orde is.

Echter mogen niet alle termijnoverschrijdingen worden gevolgd door een niet-ontvankelijkheid. De mogelijkheid om de vordering alsnog ontvankelijk te verklaren dient te worden geopend, indien in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De indiener zal dan ook aannemelijk moeten maken dat het geschrift is ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs van hen kan worden verlangd. Onderscheid kan dan worden gemaakt tussen bijzondere omstandigheden die de indiener persoonlijk treffen zoals bijvoorbeeld ziekte of een ongeval, danwel omstandigheden die aan de kant van het Bestuursorgaan liggen.

Naar het oordeel van het Hof is in casu niet gebleken van een omstandigheid die aan de zijde van het Bestuursorgaan heeft gelegen. Evenmin is in casu sprake van een dusdanige omstandigheid aan de zijde van verzoekster, dat zij in redelijkheid niet in staat moest worden geacht haar vordering tijdig in te dienen. Naar het oordeel van het Hof is nalatigheid van de (gewezen) gemachtigde geen grond welk een beroep op overmacht rechtvaardigt en zal verzoekster ingevolge artikel 80 lid 1 sub b niet worden ontvangen in haar vordering.

4.2 Ten overvloede overweegt het Hof, dat ook indien verzoekster in haar vordering was ontvangen, de beslissing in haar nadeel zou zijn gevallen.

Immers is uit de stellingen en weren gebleken dat verzoekster over de kalenderjaren 2013 en 2014 in totaal 551 ziektedagen heeft genoten en gedurende die twee kalenderjaren geen werkzaamheden heeft verricht wegens ziekte. De Geneeskundige Commissie is conform artikel 1 van de Instructiën van de Geneeskundige Commissie en van den Secretaris dier Commissie bevoegd alle voorstellen te doen die haar in het belang van de haar opgedragen taak geraden voorkomen. Indien de landsdienaar blijvend ongeschikt wordt bevonden voor de verdere waarneming in zijn of haar ambt, wordt dit ter kennis aan de Gouverneur (lees President) gebracht.

Het niet bestaan van het Staatsbesluit inhoudende voorschriften met betrekking tot de geneeskundige controle ingevolge artikel 42 van de Personeelswet, levert naar het oordeel van het Hof geen ongeldig advies op. Verzoekster heeft zich immers aangemeld voor de herkeuring en zij is volgens de  gebruikelijke procedure door de Geneeskundige Commissie onderworpen aan de keuring.

Voorts heeft de Geneeskundige Commissie een zelfstandige beoordelingsruimte naar aanleiding van het door hen ingesteld onderzoek en levert het niet overnemen van de aanbevelingen van de deskundige geen misleiding en bedrog op.

Blijkens de verklaring van de Ressortleider Regio Landbouw, Veeteelt en Visserij ([district]), [naam 1] is voor de leiding trouwens geen mogelijkheid geweest om aangepaste werkzaamheden voor verzoekster te creëren, daar zij niet op het werk verscheen in de eerdergenoemde periode.

Verzoekster heeft, blijkens de op de terechtzitting van 02 december 2016 afgelegde verklaringen, daarnaast geweigerd in gesprek te gaan met het waarnemend hoofd van de afdeling Personeelszaken, [naam 2] teneinde te trachten tot een minnelijke oplossing te komen.

Het Hof is tenslotte van oordeel dat het niet opnemen van het recht op Invaliditeitspensioen in de ontslagbeschikking, deze beschikking niet nietig maakt.

Gezien al het voorgaande, is niet komen vast te staan dat de beschikking van 29 oktober 2015 [nummer] in strijd met de Personeelswet en/of de Ambtenarenpensioenwet tot stand is gekomen.

5. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc. en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens  mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.