SRU-HvJ-2018-24

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14728
  • Uitspraakdatum 16 maart 2018
  • Publicatiedatum 04 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Executierecht. Gevolg niet aangevangen executie. Het Hof is van oordeel dat geïntimeerde haar executierecht misbruikt door enerzijds de uitwinning van de beslagen percelen niet door te zetten en door anderzijds te weigeren het daarop gelegde beslag op te heffen. Geïntimeerde had en heeft geen deugdelijke reden om de executie niet te vervolgen.

    Artikelen 329 en 420 Rv.

Uitspraak

G.R.No.14728

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende in [district 1],

verder te noemen: [appellant]

appellant in kort geding,

gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district 2],

geïntimeerde in kort geding,

verder te noemen: [geïntimeerde]

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 10 april 2008 (A.R.No. 07-3392) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het proces-verbaal d.d. 23 april 2008 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 5 oktober 2010;

– de antwoordpleitnota d.d. 18 januari 2013;

– de repliekpleitnota d.d. 5 april 2013;

– de dupliekpleitnota d.d. 17 mei 2013.

De beoordeling

1. In dit geding vordert [appellant] de opheffing te gelasten van een op 19 september 1997 in opdracht van [geïntimeerde] gelegd conservatoir beslag op twee nader in het inleidend verzoekschrift omschreven percelen. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering van [appellant] afgewezen.

2. Tegen genoemd vonnis heeft [appellant] tijdig en op de juiste wijze appel ingesteld, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. De vordering waarvoor het beslag is gelegd betreft een schuld van de naamloze vennootschap Roep N.V., destijds gevestigd te Paramaribo (verder te noemen: Roep), aan [geïntimeerde].

b. Roep heeft vervolgens de beslagen percelen aan [appellant] in eigendom geleverd. Het beslag is door deze levering niet komen te vervallen. Het beslag is in 2003 van waarde verklaard; het betreffende vonnis is naderhand in kracht van gewijsde gegaan.

c. Roep is vervolgens gefailleerd. De vordering van [geïntimeerde] op Roep is niet uit de failliete boedel voldaan.

d. [geïntimeerde] heeft na de van waarde verklaring van het beslag geen (verdere) executiemaatregelen getroffen.

e. Het beslag is opgeheven bij in kracht van gewijsde gegaan en tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van het eerste kanton d.d. 14 januari 2010 op grond van een gebrek in het beslagexploot.

f. Dit vonnis kon en kan door [appellant] niet ten hypotheekkantore worden ingeschreven, omdat daarin in navolging van het inleidend verzoekschrift een verkeerde aanduiding van de beslagen percelen voorkwam.

3. [appellant] voert aan dat [geïntimeerde] misbruik maakt van executierecht door enerzijds de uitwinning van de beslagen percelen niet door te zetten en door anderzijds te weigeren het daarop gelegde beslag op te heffen.

4. Het Hof is van oordeel dat het inderdaad niet aangaat om, zonder daarvoor een deugdelijke reden te hebben, gedurende bijna 15 jaar na de van waarde verklaring van een beslag geen maatregelen te nemen tot tenuitvoerlegging van het vonnis waarbij die vanwaardeverklaring is uitgesproken. Een deugdelijke reden voor haar stilzitten heeft [geïntimeerde] in dit proces niet gegeven. Het is in dit opzicht gebleven bij haar volgende vage stellingen:

– “Om verscheidene redenen heeft de executie van het vonnis nog niet plaatsgevonden, echter is gedaagde (= [geïntimeerde]) voornemens op korte termijn de executie te verwezenlijken.” (c.v.a. d.d. 29-11-2007);

– “Waarom gedaagde nog niet is overgegaan tot executie heeft zo zijn redenen. Echter zo gauw dit geding zal zijn beslist, zal gedaagde haar gemachtigde vragen daartoe over te gaan (c.v.d. d.d. 31 januari 2008).

In hoger beroep heeft [geïntimeerde] ter zake niets aangevoerd.

De conclusie kan geen andere zijn dan dat [geïntimeerde] geen deugdelijke reden had en heeft om de executie niet te vervolgen.

5. [appellant] heeft van zijn kant aangevoerd bij de opheffing van het beslag belang te hebben om daarna de percelen in hypotheek te geven tot zekerheid van een af te sluiten geldlening. Weliswaar is het mogelijk om, zoals [geïntimeerde] stelt, een hypotheek op een onroerend goed te vestigen indien daarop beslag ligt, maar een kredietgever deinst uiteraard terug voor de achterstelling ten opzichte van het (eerdere) beslag.

6. Gelet op het hiervoor beschreven belang van [appellant] bij de opheffing van het beslag en het uit haar ongemotiveerde stilzitten blijkende gebrek aan belang van [geïntimeerde] bij handhaving daarvan, is het Hof van oordeel dat zij haar executierecht misbruikt door enerzijds de uitwinning van de beslagen percelen niet door te zetten en door anderzijds te weigeren het daarop gelegde beslag op te heffen. De door [appellant] voorgedragen grief is dus gegrond.

7. [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat [appellant] geen (spoedeisend) belang heeft bij zijn vorderingen vanwege de inhoud van het hierboven onder 2 e genoemde vonnis. Het Hof heeft echter al vastgesteld dat dit vonnis niet ten hypotheekkantore kan worden ingeschreven om de onder 2 f vermelde reden. [appellant] heeft dus bij zijn vorderingen wel degelijk een (spoedeisend) belang. Dat [appellant] mogelijk door eigen toedoen met genoemd vonnis niets kan aanvangen, doet aan zijn belang niets af.

8. In verband met de zogenaamde devolutieve werking van het appel bespreekt het Hof hieronder nog de overige weren van [geïntimeerde], die de kantonrechter onbesproken heeft gelaten of verworpen.

9. Volgens [geïntimeerde] had [appellant], op straffe van niet-ontvankelijkheid, Roep mede in het geding moeten betrekken, nu zij de eigenlijke schuldenaar van [geïntimeerde] was. Zij verwijst hierbij naar de artikelen 329 en 420 Rv. Artikel 329 Rv mist hier echter toepassing, reeds omdat het geen betrekking heeft op executie van onroerende goederen. Artikel 420 Rv mist eveneens toepassing, en wel omdat de daarin beschreven opvordering van eigendom in deze zaak niet aan de orde is.

10. [geïntimeerde] heeft tevens aangevoerd dat zich in deze zaak geen nieuwe feiten hebben voorgedaan na de uitspraak van het onder 2 b genoemde vonnis, waarbij het door haar gelegde beslag van waarde is verklaard. Zij verbindt daaraan de stelling dat [appellant] ook daarom de executie van het vonnis niet vermag te beletten.

Uit hetgeen eerder is overwogen vloeit voort dat wel degelijk van een nieuw feit sprake is, namelijk dat [geïntimeerde] na het betreffende vonnis inmiddels ongeveer vijftien jaar heeft stilgezeten, zodat ook deze stelling faalt, wat daarvan verder zij.

11. Op grond van al het vorenstaande moet het bestreden vonnis worden vernietigd en zullen de vorderingen van [appellant] alsnog, zoals hieronder aan te geven, worden toegewezen. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties veroordeeld.

Het vonnis wordt, nu het in hoogste instantie is gewezen, niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 10 april 2008 (A.R.No. 07-3392)

en opnieuw rechtdoende:

Gelast de opheffing in de registers ten hypotheekkantore van het ten laste van NV Roep bij exploot van deurwaarder Tj Jhagroe d.d. 19 september 1997 ten verzoeke van [geïntimeerde] gelegde conservatoir beslag, ingeschreven in [register deel en nummer] op:

1. het perceelland groot zeshonderdzeven, zestig/honderdste vierkante meter, gelegen in [district 1] op de kaart van de landmeter Ir. E.S. Devid d.d. negen en twintig september negentienhonderd vijf en tachtig aangeduid met de letters ABCD en met [nummer 1], benevens het langs de lijn AB lopende deel van de weg op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba,

2. het perceelland groot zeshonderd vierkante meter gelegen in [district 1] op de kaart van de landmeter Ir. E.S. Devid d.d. negen en twintig september negentienhonderd vijf en tachtig, aangeduid met de letters ABCD en met [nummer 2], benevens het langs de lijn AB lopende deel van de weg op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba.

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van begroot op:

– voor de eerste aanleg op SRD. 407,–

– voor het hoger beroep op SRD. 278,–

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.V. Kuldip-Singh, Leden en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                                                                           w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat

mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Y.S. Engkar, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld