SRU-HvJ-2018-25

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14686
  • Uitspraakdatum 16 maart 2018
  • Publicatiedatum 04 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Handelsrecht. Vanzelfsprekend diende DSB bij de uitvoering van Ten Shipping’s opdracht om haar schuld bij de Centrale Bank af te lossen de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Naar het oordeel van het Hof heeft zij deze verplichting niet geschonden door bij de hantering van een wisselkoers uit te gaan van de wettelijke regelingen, zoals zij onbestreden stelt te hebben gedaan. Het had op de weg van Ten Shipping gelegen DSB bij het verlenen van de aflossingsopdracht uitdrukkelijk te wijzen op de bijzondere, voor haar gunstiger, wisselkoers volgens het contract met de Centrale Bank.
    Kredietfaciliteit. Geen schuldovername.

Uitspraak

G.R.No. 14686

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

TEN SHIPPING N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: Ten Shipping,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat, (overleden),
thans mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat

tegen

DE SURINAAMSE BANK N.V.
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: DSB,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kanton rechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 3 juli 2006
(A.R. No. 02-0935) tussen Ten Shipping als eiseres en DSB als gedaagde spreekt de Fun gerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
– het proces-verbaal van de griffier der kantongerechten, waaruit blijkt dat Ten Shipping op 22 juli 2006 – kennelijk per abuis is in dit document als jaar vermeld: 2010 – hoger beroep tegen genoemd vonnis heeft ingesteld;
– de memorie van grieven en pleitnota van Ten Shipping;
– de antwoord-pleitnota van DSB, de repliekpleitnota van Ten Shipping en de dupliek pleitnota van DSB.

De beoordeling
1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Ten Shipping daarin kan worden ontvangen.

2. De feiten in deze zaak komen op het volgende neer:
a. Ten Shippin g heeft in de maand oktober 1998 een kredietfaciliteit van DSB ontvangen tot een bedrag van US$ 600.000,-.
b. Ten laste van deze faciliteit heeft DSB, in opdracht van Ten Shipping, een eerdere schuld van laatstgenoemde aan de Centrale Bank van Suriname op 1 december 1998 afgelost. Volgens een door de Centrale Bank aan DSB gedane opgave beliep deze schuld een bedrag van Sf. 220.077.429 -, ofwel US$ 344.989,-. Hierbij is door de Centrale Bank een koers van Sf 640,-: US$ 1 ,- gehanteerd.
c. Ingevolge de tussen de Centrale Bank en Ten Shipping bestaande overeenkomst had evenwel bij de aflossing een koers van Sf 406,-: US$ 1,- moeten worden gehanteerd.
d. Vanwege hetgeen hiervoor onder b en c is vermeld is door DSB een bedrag van Sf 80.674.571,- te veel aan de Centrale Bank overgemaakt.
e. Op 27 juli 2000 heeft de Centrale Bank het onder d genoemde bedrag aan DSB teruggestort en naderhand tevens de daarover berekende rente ad Sf 16. 1 34.9 14,-.
f. Door waardedaling van de Surinaamse gulden ten opzichte van de US-dollar in de periode tussen de onder b vermelde aflossing en de onder e vermelde restitutie heeft Ten Shipping schade geleden.

3. In eerste aanleg en in hoger beroep becijfert Ten Shipping haar schade op een bedrag van US$ 113.700,36, vermeerderd met rente. Aan deze vordering legt zij, naast bovengenoemde feiten ten grondslag dat DSB bij de uitvoering van de opdracht om
bedoelde aflossing namens haar te verrichten niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en wanprestatie heeft gepleegd, waardoor deze schade heeft kunnen ontstaan.

4. De kantonrechter heeft de vorderingen van Ten Shipping afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing komt Ten Shipping met vijf grieven op, die vervolgens door DSB zijn bestreden.

5. In haar grieven voert Ten Shipping in de eerste plaats aan dat DSB haar schuld aan de Centrale Bank heeft overgenomen en dat DSB om die reden de bepalingen van de overeenkomst tussen De Centrale Bank en Ten Shipping had moeten naleven. DSB heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betwist dat van de door Ten Shipping gestelde schuldovername sprake is geweest.

6. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat een schuldovername heeft plaatsgevonden. De aard van de door DSB aan Ten Shipping verstrekte kredietfaciliteit brengt die ook niet zonder meer mee. Gelet op DSB’s betwisting en bij gebrek aan enig bewijsaanbod, gaat het Hof aan de betreffende stellingen voorbij.

7. Voorts voert Ten Shipping aan dat DSB krachtens haar eigen Algemene Voorwaarden gehouden is jegens haar klanten de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en met hun belangen rekening moet houden. Daarom, aldus Ten Shipping, had DSB de onder 2 b bedoelde opgave van de Centrale Bank bij Ten Shipping moeten verifiëren alvorens de opdracht tot overboeking uit te voeren. Ten Shipping heeft in de loop van de procedure in dit verband eveneens gesteld dat DSB beschikte over een exemplaar van de tussen Ten Shipping en de Centrale Bank gesloten overeenkomst en die dus met betrekking tot de aan te houden wisselkoers had kunnen raadplegen. Dit laatste heeft DSB betwist; zij heeft aangegeven pas in een later stadium in het bezit van bedoelde overeenkomst te zijn geraakt.

8. De stellingen van Ten Shipping met betrekking tot DSB’s kennis aangaande de precieze inhoud van de overeenkomst met de Centrale Bank zijn weinig eenduidig. Wat daarvan verder zij, nu Ten Shipping heeft nagelaten van deze door DSB betwiste  stellingen bewijs aan te bieden moeten ook deze worden verworpen.

Vanzelfsprekend diende DSB bij de uitvoering van Ten Shipping’s opdracht om haar schuld bij de Centrale Bank af te lossen de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Naar het oordeel van het Hof heeft zij deze verplichting niet geschonden door bij de hantering van een wisselkoers uit te gaan van de wettelijke regelingen, zoals zij onbestreden stelt te hebben gedaan. Het had op de weg van Ten Shipping gelegen DSB bij het verlenen van de aflossingsopdracht uitdrukkelijk te wijzen op de bijzondere, voor haar gunstiger, wisselkoers volgens het contract met de Centrale Bank. Uit hetgeen eerder is overwogen volgt dat DSB daarvan niet op andere wijze op de hoogte was of behoefde te zijn.

9. Voor zover Ten Shipping nog heeft aangevoerd dat DSB onzorgvuldig heeft gehandeld door de verschuldigde rente en boeterente van de kredietfaciliteit ten laste te brengen van een spaargirorekening van Ten Shipping in plaats van de kredietfaciliteitrekening, ziet het Hof niet in waarom het DSB niet vrijstond dat te doen. Ten Shipping heeft ook niet aangegeven
waarom dit anders zou zijn.

10. Op grond van al het bovenstaande worden de grieven verworpen en nu het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het beroepen vonnis zal dit warden bevestigd.

11 . Ten Shipping zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter i n het Eerste Kanton van 3 juli 2006, A.R.No. 02-0935;

Veroordeelt Ten Shipping in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.G. Chatterpal, Leden en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein   w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J.V. van Dijk Silos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld