SRU-HvJ-2018-32

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14726
  • Uitspraakdatum 06 april 2018
  • Publicatiedatum 04 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Eindvonnis. Verbintenissenrecht. De vordering wegens onverschuldigde betaling.
    Appellant doet het op verschillende plaatsen in zijn processtukken voorkomen dat geïntimeerde moet aantonen dat de door hem teruggevorderde bedragen wel degelijk aan haar verschuldigd waren en dat bij gebreke van zodanig bewijs zijn vordering toewijsbaar is.
    Dit uitgangspunt is onjuist. De bewijslast van door hem gestelde – en door geïntimeerde voldoende betwiste – feiten rust daarentegen in beginsel op hém. Dit volgt uit de aanvangswoorden van artikel 1380 BW: “Iedere betaling doet een schuld veronderstellen…”.

    De vordering tot schadevergoeding
    Het Hof acht het op grond van de rapporten voldoende aannemelijk dat het door geïntimeerde tot stand gebrachte werk enig herstel behoefde, maar kan zowel de omvang daarvan als de daarmee gemoeide kosten niet nauwkeurig vaststellen. Het Hof zal de herstelkosten dan ook schatten.

    Vaststelling schade.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
verder te noemen: [appellant],
appellant,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

[de stichting], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
verder te noemen: [de stichting],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.J. Blufpand, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 19 oktober 2010 (A.R.No. 07-4974) tussen [appellant] en [naam] (verder tezamen aangeduid als [appellant en naam]) als eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie enerzijds en [de stichting] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie anderzijds spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop in hoger beroep

Bij tussenvonnis d.d. 7 augustus 2015 is [de stichting] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het feit dat het hoger beroep alleen door [appellant] is aangetekend. Zij heeft daarop een pleitnota tot uitlating d.d. 4 december 2015 ingediend. Hierna is opnieuw vonnis verzocht.

De verdere beoordeling

1. In de hiervoor genoemde pleitnota heeft [de stichting] zich over het door het Hof genoemde feit in het geheel niet uitgelaten. Zij heeft daarin slechts enkele andere punten aangesneden.

2. Het appel is door [appellant] tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3. Het Hof ziet zich genoodzaakt thans eerst de grenzen van de rechtsstrijd in appel aan te geven.

4. [appellant] heeft tegen de volgende beslissingen van de kantonrechter grieven of bezwaren aangevoerd:
a. De kantonrechter had niet mogen aannemen dat [appellant en naam] hadden gesteld dat de onder 2 tot en met 5 vermelde bedragen, als vermeld in het staatje onder 4.1 van zijn vonnis, los van het bedrag van € 220.296.- zijn betaald. Hij had moeten begrijpen dat zij bedoelden te stellen dat zij die bedragen los van het bedrag van € 195.000,- hebben betaald.
b. De kantonrechter had niet mogen uitgaan van de juistheid van bovenbedoeld staatje.
c. Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat de afwijkingen van de aannemingsovereenkomst – meerkosten of meerwerk – in beginsel voor rekening van [appellant en naam] komen. [de stichting] heeft niet aangetoond welke afwijkingen in het materiaal en ontwerp zich hebben voorgedaan; de kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de posten 2 tot en met 5 afwijkingen zijn.
d. Ten onrechte is in het vonnis beslist dat [de stichting] slechts € 5.000,- ter zake van de keuken aan [appellant en naam] moest terugbetalen in plaats van een bedrag van € 7.500,-.
e. Ten onrechte is beslist dat het in het staatje genoemde bedrag van € 13.500,- niet voor rekening van [de stichting] komt.
f. Ten onrechte is beslist dat een bedrag van € 1.827,27 bestemd was voor aanschaffingen ten behoeve van appellanten.
g. De bankkosten ad € 196,- komen, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, voor rekening van [de stichting].
h. De kantonrechter heeft ten onrechte de vordering van [appellant en naam] ter zake van herstelkosten ad € 29.141,- afgewezen.

5. In haar antwoordpleitnota voert [de stichting] aan dat de meerkosten met betrekking tot de keuken juist geheel voor rekening van [appellant en naam] komen, zodat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat [de stichting] daarvan € 5.000,- moet dragen. Een schriftelijke meerwerkopdracht was daarvoor, aldus [de stichting], niet vereist.
Bij deze stelling betrekt [de stichting] een positie die verder gaat dan hetgeen [appellant] ter zake van de keuken aan het Hof heeft voorgelegd, te weten (slechts) het verschil tussen de door hem gevorderde € 7.500,- en het door de kantonrechter toegewezen bedrag ad € 5.000,-. Voor dat verschil zal het Hof ook acht slaan op hetgeen [de stichting] te dier zake in eerste aanleg heeft aangevoerd, maar voor het overige moet het Hof aan [de stichting]’s stellingen in dit verband voorbijgaan, nu zij heeft nagelaten ter zake harerzijds te appelleren.
Dit laatste geldt eveneens voor de klacht van [de stichting] dat de kantonrechter het bedrag van € 2.273,- niet aan [appellant en naam] had mogen toewijzen. Ook om deze kwestie door het Hof te doen beoordelen had zij in hoger beroep moeten komen.

6. Het Hof zal hieronder de grieven en bezwaren van [appellant], zoals hierboven verkort onder 4 a t/m h weergegeven, behandelen. De punten a t/m g hebben betrekking op een vordering van in totaal
€ 25.296,-, waarvan [appellant en naam] stellen dat dit onverschuldigd aan [de stichting] is betaald. Punt h betreft een vordering tot schadevergoeding.

De vordering wegens onverschuldigde betaling.

7. [appellant] doet het op verschillende plaatsen in zijn processtukken voorkomen dat [de stichting] moet aantonen dat de door hem teruggevorderde bedragen wel degelijk aan haar verschuldigd waren en dat bij gebreke van zodanig bewijs zijn vordering toewijsbaar is. Dit uitgangspunt is onjuist. De bewijslast van door hem gestelde – en door [de stichting] voldoende betwiste – feiten rust daarentegen in beginsel op hém. Dit volgt uit de aanvangswoorden van artikel 1380 BW: “Iedere betaling doet een schuld veronderstellen…”.

8. Ad 4a.
Inderdaad bedoelden [appellant en naam] blijkbaar te stellen dat de posten 2 t/m 5 los van het bedrag van € 195.000.- zijn betaald (i.p.v. het in het bestreden vonnis genoemde bedrag van
€ 220.296,-). [appellant] heeft echter niet aangevoerd dat bedoelde vermelding in het vonnis enig rechtsgevolg heeft gehad en het Hof ziet zodanig rechtsgevolg evenmin. Aan de onderhavige klacht kan dan ook worden voorbijgegaan.

Ad 4b.
Het ontgaat het Hof wat [appellant] met deze klacht beoogt. De kantonrechter heeft aan het staatje niet meer ontleend dan dat daarin de bedragen vermeld staan waarom het bij de samenstelling van de vordering wegens onverschuldigde betaling gaat. De betreffende posten zijn in het vervolg van het vonnis van de kantonrechter verder in ogenschouw genomen. Ook het Hof zal deze posten, voor zover zij in hoger beroep ter beoordeling zijn voorgelegd, bespreken.

Ad 4c.
Voor zover [appellant] onder dit punt betoogt dat hij geen vergoeding aan [de stichting] verschuldigd is voor door laatstgenoemde in zijn opdracht verricht meerwerk, is dit onjuist. Dit blijkt reeds uit hetgeen in de tussen partijen gesloten overeenkomst onder 1 is bepaald, te weten dat slechts “de geraamde kosten voor gewenste optionals” in de aannemingssom van € 195.000,- zijn begrepen. Daaruit vloeit voort dat er bij- of terugbetaald moet worden indien de betreffende kosten anders uitvallen dan geraamd. Ook uit de bij de aannemingsovereenkomst behorende bijlage (onder 3) blijkt dat er meerwerk kan zijn en dat daarvoor – uiteraard – moet worden betaald. In feite weerspreekt [appellant] dit ook niet. In het vervolg van zijn betoog maakt hij duidelijk waarom het hem werkelijk gaat, namelijk dat [de stichting] niet heeft aangetoond van welk meerwerk of “afwijkingen” van het ontwerp er hier sprake is, alsmede dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat de posten 2 t/m 5 van meergenoemd staatje zodanige afwijkingen betreffen. Nu deze posten, zoals hiervoor onder
4 d t/m g weergegeven, afzonderlijk terugkeren in de bezwaren die [appellant] verder tegen het vonnis van de kantonrechter opsomt, zal het Hof die ook afzonderlijk bespreken.

Ad 4 d.
Onder de offerte van [de stichting] die ten grondslag ligt aan de tussen partijen tot stand gekomen aannemingsovereenkomst is in een noot bepaald dat daarbuiten vallen: optionals, patio-betegeling en “eigen aankoop hoofdkeuken onder aftrek van een stand keuken ad Euro 2.500,-”.
Met [appellant] is het Hof van oordeel dat deze zinsnede moeilijk anders verstaan kan worden dan dat laatstgenoemd bedrag in de totale aannemingssom is begrepen. Daarover lijken partijen het ook wel eens te zijn, maar zij strijden over het antwoord op de vraag of, nadat [appellant en naam] aan [de stichting] een bedrag ad € 7.500,- voor de door hen gewenste keuken ter doorbetaling aan de leverancier daarvan hadden overgemaakt, [de stichting] het (dus) in aftrek te brengen bedrag van € 2.500,- in werkelijkheid aan [appellant en naam] ten goede heeft doen komen. In een door [de stichting] bij antwoordpleitnota overgelegde kostenstaat is laatstgenoemd bedrag op de opgevoerde meerwerkkosten in mindering gebracht; deze staat is, naar [de stichting]onweersproken heeft gesteld, door beide partijen ondertekend. Uit de vervolgens door [appellant] bij replieknota overgelegde staat kan het tegendeel niet worden afgeleid. Reeds hierom is voldoende aannemelijk dat [appellant] niet nog eens recht heeft op terugbetaling van een bedrag van € 2.500,-. Het Hof verwijst bovendien naar hetgeen hierboven onder 7 over de bewijslastverdeling is overwogen. [appellant] heeft slechts in algemene bewoordingen, aldus niet voldoende specifiek en ter zake dienend, bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Ad 4 e.
Het bedrag van € 13.500,- betreft al dan niet vermeende prijsstijgingen van meer dan 5%, die ingevolge artikel 1 van de aannemingsovereenkomst aan [appellant en naam] mochten worden doorberekend.
Nu [appellant en naam] dit bedrag aan [de stichting] hebben betaald en [appellant] dit (ook) in hoger beroep als onverschuldigd terugvordert, rust op hem de bewijslast van feiten die zodanige terugvordering rechtvaardigen. Het Hof constateert dat hij zodanige feiten niet voldoende specifiek heeft gesteld, laat staan daarvan ter zake dienend bewijs heeft aangeboden.

Ad f.
Voor de teruggevorderde € 1.827,27 geldt hetzelfde. Uit de processtukken kan het Hof onvoldoende afleiden wie van partijen op dit punt het gelijk aan zijn of haar zijde heeft. Vanwege de hierboven onder 7 weergegeven bewijsregel diende [appellant] in dit verband voldoende specifieke feiten te stellen en, in geval van tegenspraak door [de stichting], te bewijzen. [appellant] heeft verzuimd dit te doen.

Ad g.
[appellant] betwist dat [de stichting] bankkosten tot een bedrag ad € 196,- heeft gemaakt en dat zij [appellant en naam] daarmee mocht belasten. Ook hier geldt dat de betaling daarvan door [appellant en naam] hun schuld ter zake doet veronderstellen. [appellant] had dus daaraan tegengestelde feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen. Hij heeft dit niet gedaan.

9. Het Hof verwerpt op grond van het bovenstaande de door [appellant] voorgedragen grieven en bezwaren met betrekking tot de vordering wegens onverschuldigde betaling.

De vordering tot schadevergoeding
10. [appellant en naam] hebben in de procedure niet weersproken dat hun in 2007 de sleutels van het huis zijn overhandigd, zodat de eerste oplevering van het werk toen heeft plaatsgevonden. De thans in hoger beroep voor het eerst overgelegde rapporten van Techno Ruk zijn in datzelfde jaar opgemaakt en beschrijven gebreken die volgens dit bureau toen aan het werk kleefden. Het te dezer zake door [appellant] gevorderde bedrag aan herstelkosten ad € 29.141,- is blijkbaar een samentelling van twee bedragen die in bedoelde rapporten worden genoemd: € 21.860.- en US$ 7.281,-.
Ten aanzien van de bruikbaarheid van de rapporten merkt het Hof het volgende op:
(1) De rapporten zijn kennelijk eenzijdig opgemaakt; niet gesteld of gebleken is dat [de stichting] is uitgenodigd bij de inspectie door Techno Ruk van het tot stand gebrachte werk aanwezig te zijn.
(2) In de rapporten worden bovengenoemde bedragen niet (per gebrek) gespecificeerd, zodat het inderdaad voor [de stichting] niet goed mogelijk is behoorlijk verweer te voeren.
(3) In de namens [appellant en naam]. c.q. [appellant] ingediende processtukken is noch in eerste instantie, noch in hoger beroep een poging gedaan een en ander te verduidelijken of toe te lichten. Volstaan werd met een verwijzing naar de rapporten.

11. Het Hof heeft zich beraden over de vraag in hoeverre, gelet op het vorenstaande, aan de rapporten bewijs is te ontlenen voor de juistheid van de gevorderde schade en komt daarbij tot het volgende.
Het Hof acht het op grond van de rapporten voldoende aannemelijk dat het door [de stichting] tot stand gebrachte werk enig herstel behoefde, maar kan zowel de omvang daarvan als de daarmee gemoeide kosten niet nauwkeurig vaststellen. Het komt niet raadzaam voor thans, ongeveer elf jaar na de oplevering, een nader deskundigenonderzoek te bevelen. Er kan immers niet van uit worden gegaan dat het werk nog in dezelfde staat verkeert als destijds. Daardoor wordt het onderzoek op zijn minst bemoeilijkt en wellicht is het op een aantal onderdelen onmogelijk. Bovendien brengt een nieuw deskundigenonderzoek verdere kosten en vertraging met zich mee.
Het Hof zal de herstelkosten dan ook schatten. Het heeft daarvoor geen verdere aanknopingspunten dan de omvang van het werk en de constateringen van Techno Ruk, waaraan om bovengenoemde redenen slechts beperkte waarde kan worden toegekend. Alles overziende stelt het Hof de herstelkosten vast op een bedrag van € 5.000,-, waarin de wettelijke rente tot heden is begrepen.

12. De grieven en bezwaren van [appellant] treffen doel in zoverre als hiervoor weergegeven en worden voor het overige verworpen. Dit leidt tot onderstaande beslissingen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

I. Vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 19 oktober 2010 (A.R.No. 07-4974) in zoverre daarbij in conventie het meer of anders door [appellant en naam] gevorderde bedrag is afgewezen

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt [de stichting] aan [appellant] te betalen een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf heden tot de dag der voldoening,

wijst af het meer of anders gevorderde.

II. Bevestigt het vonnis voor het overige.

III. Verrekent de proceskosten in hoger beroep aldus dat ieder der partijen de zijne c.q. de hare draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld