SRU-HvJ-2018-47

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14546
  • Uitspraakdatum 19 januari 2018
  • Publicatiedatum 08 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad. Schadevergoeding. Het Hof merkt contractueel verschuldigde rente niet als een schadepost aan.

Uitspraak

G.R.No. 14546

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
a) LANDBOUWBANK N.V., rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, appellante, gemachtigde:
mr. C.Ch. Bhagwandin, advocaat;
b) JADNANANSINGH, CARLO RANDJIT, destijds als notaris kantoorhoudende te Paramaribo, appellant, gemachtigde : mr. E.C.M. Hooplot, advocaat;
appellanten,

tegen:

a) [persoon 1],
b) [persoon 2],
In algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, beiden wonende aan de [plaats] in [district],
c) [persoon 3], EN
d) [persoon 4],
In algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, beiden wonende te [plaats 2] in [district],

allen geïntimeerden, gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat;
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en op 1 december 2008 uitgesproken vonnis (A.R.No. 05 1028) tussen appellanten alsmede Stichting Virana, aan de Van Drimmelenpolder in het district Nickerie gevestigde rechtspersoon, en Infinity N.V., te Paramaribo gevestigde rechtspersoon, als gedaagden en geïntimeerden als eisers,

spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het volgende vonnis uit.

Daarin zullen appellanten ook wel kortheidshalve worden aangeduid als de bank respectievelijk de notaris.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– verklaringen van de griffier van de kantongerechten civiele zaken inhoudende dat appellanten sub a) en b) op 25 respectievelijk 13 februari 2009 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, op 1 december 2008 tegen onder meer hen beiden uitgesproken.
– pleitnota’ s van appellanten van 15 oktober 2010;
– antwoordpleidooi van 19 november 2010;
– repliekpleidooien van 4 februari 2011; en een
– dupliekpleidooi van 3 juni 2011.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
1 Nu geen van partijen in persoon dan wel bij gemachtigde bij de uitspraak ter zitting van 1 december 2008 was verschenen en de uitspraak vervolgens bij aangetekende dienstbrief van 11 februari 2009 aan de gemachtigden van appellanten was toegezonden, is het hoger beroep tijdig ingesteld en kunnen appellanten daarin worden ontvangen.

De beoordeling

De feiten

2 De door de kantonrechter in zijn vonnis onder 2 vastgestelde feiten gelden nog steeds tussen partijen, met dien verstande dat in hoger beroep is gebleken dat de notaris bij op 8 februari 2008 in het hypotheekregister onder [nummers] ingeschreven rectificatie-akten van 19 november 2007 is overgegaan tot rectificatie van wat in het vonnis van de kantonrechter onder 2.10 tot en met 2.12 is gerelateerd betreffende de akten van 20 en 27 juni 2003. Daarin had de notaris melding gemaakt van de door de bank als executant geïnitieerde openbare verkoping van de landpercelen 49 en 58 respectievelijk gunning daarvan aan respectievelijk Stichting Virana en Infinity N.V. Het betrof hier steeds proces-verbaal-akten die door de betrokken partijen niet behoeven te worden ondertekend; dat is dan ook niet gebeurd. Er was weliswaar bij dupliek al op gezinspeeld maar toen de kantonrechter vonnis wees, waren de rectificatie-akten nog niet overgelegd en de oorspronkelijk geïntimeerden hadden ook geen gelegenheid meer gehad om erop te reageren.

3 In de beide rectificatie-akten relateert de notaris dat “de iure aan de Landbouwbank N.V. is verkocht en toegewezen en de koopsom door de Landbouwbank N.V. als koper aan haar als hypotheekhouder is voldaan althans is verrekend; dat de Landbouwbank N.V. als (veiling)koper besloten had ter besparing van kosten niet direct tot overschrijving van het proces-verbaal over te gaan, maar haar rechten voortvloeiende uit de veiling over te dragen aan de gemelde Stichting Virana” respectievelijk “Infinity N.V. zodat het voorschreven onroerend goed rechtstreeks overdragen kon worden aan de voormelde Stichting Virana ” respectievelijk “Infinity N.V.; dat derhalve in voormelde procesverbaalakte abusievelijk is opgenomen dat de (…) Stichting Virana” respectievelijk “Infinity N.V. de hoogste bieder is geworden, terwijl het moest zijn de Landbouwbank N.V.”.

4 De bank blijkt het dus te zijn die op 20 juni 2003 als koper is opgetreden en die door inschrijving van de rectificatie-akten in de registers van het hypotheekkantoor op 8 februari 2008 eigenaar van beide percelen is geworden. Het ontgaat het Hof waarom geïntimeerden menen dat deze akten feiten relateren die toen nog in de toekomst lagen en waarom ze zichzelf nu opeens weer als eigenaren lijken te beschouwen.

Vernietiging van akten en doorhaling van inschrijvingen ten hypotheekkantore

5 Het Hof constateert dat deze rectificatie-akten alle door de kantonrechter in navolging van geïntimeerden op basis van omissies en tegenstrijdigheden in de eerdere procesverbaalakten gekoesterde twijfels wegnemen. Er is voor het Hof geen reden meer om te twijfelen aan het door de akten uit 2003 en 2007 tezamen gerelateerde. In het licht van deze rectificatie-akten vervalt al hetgeen ter vernietiging van de akten van 20 en 27 juni 2003 was aangevoerd, zodat het Hof geïntimeerden alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen tot vernietiging althans nietig-verklaring ervan als ook die tot doorhaling van de inschrijvingen ten hypotheekkantore en het vonnis van de kantonrechter in zoverre zal vernietigen. Daarmee is overigens nog niet gezegd dat geïntimeerden in zoverre ook hebben te gelden als in het ongelijk gestelde partijen of dat er geen nodeloos gemaakte proceskosten zijn; die zijn er wel degelijk nu appellanten in eerste aanleg wel op een rectificatie-akte gezinspeeld hebben maar verzuimd hebben deze toen al in het geding te brengen.

6 Het Hof constateert nog dat geïntimeerden geen vernietiging van de rectificatie-akten gevorderd hebben noch doorhaling van de inschrijving ervan en dan kunnen de oorspronkelijke akten uit 2003 duidelijkheidshalve ook maar beter in stand blijven, omdat de rectificatie-akten anders ook moeilijk begrijpelijk zouden zijn.

Schadevergoeding door de Landbouwbank N.V.

7 Rest dus nog ter beoordeling de eis tot schadevergoeding van geïntimeerden die geclaimd hebben dat Virana en Infinity – zo niet in 2003 ter veiling dan toch wel in 2004 bij de inschrijving van de procesverbaalakten uit 2003 – veel hogere bedragen aan de bank hebben betaald dan de ook in de rectificatie-akte volgehouden bedragen van Sf 22.500.000,- voor elk van beide landpercelen. Geïntimeerden stellen dat zij schade hebben geleden doordat de bank hen niettemin confronteerde met een afrekening op basis van een lagere veilingopbrengst die in een kleine restschuld resulteerde en dat de notaris hieraan heeft meegewerkt.

8 Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat schuldenaren wier in hypotheek gegeven goed geveild wordt, belang hebben bij een zo hoog mogelijke opbrengst en het Hof sluit zich hierbij aan. Daarmee kan dus ook voorbijgegaan worden aan alles wat appellanten hebben gesteld over de ontbrekende zeggenschap van geëxecuteerden als geïntimeerden in de gang van zaken bij en na een openbare verkoping. Tegen de achtergrond van de oorspronkelijke poging om de latere verkoop aan Virana en Infinitief in 2004 voor te stellen als een verkoop op de veiling van 2003, legt het Hof die verkoop na een advertentie in De Ware Tijd van 6 februari 2004 uit als een herveiling na ophouding als voorzien in de hypotheekakte uit 2001 en in de veilingvoorwaarden.

9 Uit het antwoordpleidooi van geïntimeerden in hoger beroep – dat refereert aan een niet in geding gebracht maar wel aan de appellanten bekend blijkend, van de bank afkomstig faxbericht van 24 juli 2007 – blijkt dat in het kader van deze door het Hof als herveiling aangemerkte verkoop na openbare advertentie SRD 52.650,- is betaald aan de bank als executant door Virana en door Infinity SRD 64.800,-. Het Hof acht deze opgave van geïntimeerden onvoldoende weersproken door de Bank die volstaat met op te merken dat deze productie slechts de notaris aangaat “die daarop ongetwijfeld zal reageren”, maar dat in deze procedure niet heeft gedaan. Uit een en ander volgt dat de executoriale verkoop de bank SRD 72.450-,- meer heeft opgeleverd dan in augustus 2004 aan geïntimeerden werd gemeld – te weten SRD 45.000,- – onder de toevoeging dat nog een restschuld bestond van SRD 714,15. Derhalve bedraagt de schade door niet-afrekening van het surplus van de latere informele veiling SRD 71.735,85. Op grond dat deze nalatigheid van de bank een onrechtmatige daad oplevert jegens geïntimeerden, zal zij worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan hen. Resteert de vraag of er nog andere schadeposten zijn.

Schade niet groter dan misgelopen surplus van executie-opbrengst

10 Het Hof gaat ervan uit dat de executiekosten en de rente reeds op de opbrengst waren verhaald toen geïntimeerden van de bank te horen kregen dat nog een schuld resteerde van SRD 714,15.
Het Hof gaat ook uit van de juistheid van deze berekening van de restschuld inclusief deze kosten door de bank en verwerpt de tegen die berekening door geïntimeerden ingebrachte bezwaren.
Bij de hypotheekkredietakte was in 2001 al overeengekomen dat de boekhouding van de bank behoudens tegenbewijs volledig bewijs van de restschuld inclusief rente zou opleveren en tegen die berekeningen zijn wel uitingen van verbazing ingebracht maar geen tegenwerpingen, laat staan dat er specifiek tegenbewijs is aangeboden zoals tegen de beweerde opbrengsten van de verkoop van beide landpercelen. Geïntimeerden hebben onvoldoende specifiek bewijs aangeboden tegen de boekhouding van de bank, zoals in hoger beroep wel geraden was.

11 Verder houden geïntimeerden ten onrechte vol dat door en na de opzegging van de kredietovereenkomst geen rente meer door hen verschuldigd was. Deze verplichting verviel volgens het Hof echter pas door binnenkomst van de betalingen door Virana en Infinity op 19 juli respectievelijk 18 augustus 2004. Tot die data raakten geïntimeerden maandelijks een rentebedrag verschuldigd. Van 18 augustus 2004 dateert ook de opgave van de bank dat na SRD 45.000,- in mindering gebracht te hebben op de schuld van geïntimeerden daarvan nog SRD 714,15 resteert. Het ontgaat het Hof ten enen male waarom geïntimeerden strak en stijf volhouden dat na de opzegging van de kredietovereenkomst door de schuldenaren geen rente meer verschuldigd zou zijn. Nu geïntimeerden ook niet in staat blijken deze gedachte te baseren op enige in wet of jurisprudentie neergelegde rechtsregel, weigert het Hof dus om contractueel verschuldigde rente als een schadepost aan te merken.

12 Voorts zal de verschuldigde schadevergoeding ook niet verhoogd worden met de door geïntimeerden opgevoerde schadepost van inkomstenderving op grond dat zij de landpercelen niet konden gebruiken (voor industriële doeleinden) ; daarop konden zij immers al vanaf de toewijzing ter veiling aan de koper geen aanspraak meer maken. Ook voor vergoeding van immateriële schade (niet nader gespecificeerde, laat staan door medische verklaringen toegelichte “stress, onrust, spanning en zorgen” ten gevolge van de procedure) ziet het Hof geen aanleiding.

13 De met de procesvoering gemoeide schadeposten die geïntimeerden melden, komen niet verder voor vergoeding in aanmerking dan op de voet van artikel 61 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tot begroting van die proceskosten zal het Hof nog wel overgaan.

Geen gehoudenheid van de notaris tot schadevergoeding

14 Voordien dient echter nog vastgesteld te worden of de notaris ook aansprakelijk is voor het achterhouden van de meeropbrengst van de veiling. Voor het naast de bank aansprakelijk stellen van de notaris wegens de aan de bank verweten onrechtmatige daad acht het Hof diens slordigheden en omissies in de akten – hoe onwenselijk ook – onvoldoende; geïntimeerden voldoen ook niet aan hun stelplicht ten aanzien van zowel onrechtmatig handelen of nalaten als het oorzakelijk verband, door deze fouten als “sjoemelen” aan te merken. Geïntimeerden stelden bij repliek in eerste aanleg zelf ook dat het de bank was die sjoemelde met de informatie in de akten en dat de bank de notaris de akten van 2003 valselijk had doen opmaken; een enkele maal werd dat samengevat als een samen (onrechtmatig) handelen. Voor gezamenlijke of zelfs hoofdelijke aansprakelijkheid is echter meer nodig en daarover hebben geïntimeerden niets gesteld.

15 De notaris relateert in de naderhand door hem gerectificeerde akten van 2003 ook dat naast de getuigen alleen een employé van de bank respectievelijk directeur van de bank voor hem verschenen waren, die zich bij het mijnen beriepen op een mondelinge volmacht van Infinity N.V. respectievelijk de Stichting Virana. Het is dus heel goed mogelijk dat ook de notaris door de bank is misleid, toen deze vertegenwoordigers van de bank mijnden bij een bedrag van Sf 22.500.000, – dat was een jaar later SRD 22.500,-. In dit verband is het wellicht veelzeggend dat – zoals geïntimeerden bij antwoordpleidooi in hoger beroep zelf hebben gesteld en de bank niet heeft weersproken – de bank geweigerd heeft om de rectificatie-akten van de notaris te tekenen: daaruit zou kunnen worden afgeleid dat er in 2003 geen samenwerking laat staan samenspanning tussen bank en notaris geweest is. Hoe dan ook: er is door geïntimeerden niet eens gesteld dat de notaris ook maar iets wist van de betalingen van hogere bedragen aan de bank dan waarvoor gemijnd was.

16 De conclusie moet zijn dat de door de kantonrechter uitgesproken veroordeling van de notaris tot schadevergoeding moet worden vernietigd. De veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg dient wel in stand te blijven want door zijn rectificatie-akten niet tijdig bij dupliek in het geding te brengen heeft hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep nodeloze proceskosten veroorzaakt.

17 Uiteraard zal de veroordeling van de bank tot schadevergoeding bij staat ook worden vernietigd, daar het Hof zich nu reeds in staat acht, deze te begroten. Daarmee blijft van het vonnis van de kantonrechter alleen de proceskostenveroordeling in stand – en uiteraard de veroordeling van de oorspronkelijke gedaagden sub c) en d).

Proceskosten in hoger beroep

18 Op grond dat de bank heeft te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, die bovendien – evenals trouwens de notaris – nodeloze proceskosten in eerste aanleg heeft gemaakt door eerst in hoger beroep de rectificatie-akte in het geding te brengen, zal de bank verwezen blijven worden in de proceskosten in eerste aanleg en zal de bank tevens veroordeeld worden in die in hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 1 december 2008 (A.R.No. 05-1028) waarvan beroep, behoudens de veroordeling in de proceskosten en de veroordeling van de oorspronkelijk gedaagden sub c) en d).

en opnieuw recht doende:

2 Verklaart geïntimeerden, oorspronkelijk eisers niet-ontvankelijk in hun primaire vorderingen onder a en b.

3 Veroordeelt de bank tot betaling aan geïntimeerden, oorspronkelijk eisers, tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van SRD 71.735,85—(Eenenzeventigduizend Zevenhonderdenvijfendertig Surinaamse dollars en 35 dollarcents).

4 Wijst af de primaire en subsidiaire vorderingen van geïntimeerden, oorspronkelijk eisers, tegen de notaris, oorspronkelijk gedaagde sub b.

5 Veroordeelt de bank en de notaris, oorspronkelijk gedaagden in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu , Fungerend President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en
mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger en w.g. S.M.M. Chu

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein mr. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat
mr. Y.S. Engkar, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier