SRU-HvJ-2018-5

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-15038
  • Uitspraakdatum 16 maart 2018
  • Publicatiedatum 30 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Muziekauteursrechten: Valt het handhavings- en verbodsrecht in de Wet Auteursrecht 1913 onder “bemiddeling”?
    Door bij (dreigende) uitvoering zonder betaling van royalties handhavend op te treden, maken instanties als Sasur hun bemiddelingspositie waar. Daarzonder komt van bemiddeling ook niets terecht. Omgekeerd: die dreiging met verboden van muziekuitvoeringen heeft voor auteurs en de buitenlandse zusterorganisaties alleen zin als Sasur royalties voor hen kan incasseren door tegen betaling conform een vast tarief licenties te verlenen. Maar daarvoor ontbreekt haar nu juist de wettelijk vereiste toestemming van de minister. Zo gezien maakt volgens het Hof dat handhavingsrecht meteen ook een onlosmakelijk onderdeel uit van de bemiddelingsactiviteit die de wetgever heeft willen onderwerpen aan toezicht (artikel 30i) en ministeriele toestemming (artikel 30a) van de Wet Auteursrecht 1913.
    Auteurs van muziekwerken mogen – hoe omslachtig voor hen ook – zelf handhavend optreden, alleen Sasur mag dat niet meer voor hen doen, anders dan op ieders individuele naam uit hoofde van een daartoe strekkende exploitatie-overeenkomst. Die beperking geldt ook als zij optreedt op basis van door haar gesloten al dan niet wederkerige mandaat-overeenkomsten met zusterorganisaties. De regeling van artikel 30-a en volgende van de Wet Auteursrecht 2013 schendt volgens het Hof de Berner Conventie ook niet.
    Het verweer van Sasur in eerste aanleg dat zij eigenlijk niet tegen openbaarmakingen door SRS optreedt maar tegen verveelvoudigingen, waarbij geen sprake zou zijn van bemiddeling in de zin van voormeld wetsartikel 30-a gaat niet op. Het ontgaat het Hof hoe het via de radio afspelen van geluidsopnamen opeens geen openbaarmaking als bedoeld in dat artikel meer zou kunnen zijn.
    Verbod handhaving en bemiddeling muziekauteursrechten

Uitspraak

G.R.No. 15038

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS),

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellante in kort geding, oorspronkelijk eiseres in kort geding,

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME,

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

geïntimeerde in kort geding, oorspronkelijk gedaagde in kort geding,

gemachtigden:  mr. E. Naarendorp, advocaat en [naam], algemeen directeur,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton gewezen en op 19 januari 2015 uitgesproken kort geding vonnis (A.R.No. 14-4867) tussen appellante als oorspronkelijk eiseres en geïntimeerde als oorspronkelijk gedaagde,

spreekt de Fungerend president, in Naam van de Republiek het volgende vonnis uit. Daarin zal appellante ook wel als SRS worden aangeduid en geïntimeerde als Sasur.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken inhoudende dat appellante op 29 januari 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van het eerste kanton, op 19 januari 2015 in kort geding tegen haar uitgesproken;

– een pleitnota van SRS van 15 januari 2016;

– een antwoordpleidooi van 4 maart 2016;

– een repliekpleidooi van 6 mei 2016 en

– een dupliek pleidooi tevens uitlating productie van 5 augustus 2016.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

1. Nu het hoger beroep binnen de voor korte gedingen geldende beroepstermijn van twee weken is ingesteld, kan appellante daarin worden ontvangen.

De omvang van het hoger beroep

2. Blijkens de aanhef ervan bouwt het bestreden vonnis van 19 januari 2015 voort op een in deze zaak eerder gewezen vonnis van 30 december 2014, waarbij een comparitie van partijen was gelast. Dit  laatste vonnis zal mede in die beoordeling worden betrokken, ook gelet op artikel 269 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Omdat er geen grieven tegen zijn ingediend en de rechter daarin slechts een ook daadwerkelijk gehouden comparitie heeft gelast, kan het in stand blijven.

De beoordeling

3. De feiten

3.1 Bij op verzoek van Sasur gewezen en onherroepelijk geworden kort geding vonnis van 3 december 2009 (AR 07-3984) was het SRS verboden, zonder toestemming van Sasur (delen van) muziekwerken al dan niet in de oorspronkelijke versie via het door haar geexploiteerde radiostation openbaar te maken en te verveelvoudigen, die behoorden tot het door Sasur beheerde repertoire; wel geteld drie werken daaruit waren met de titel ervan aangeduid. De dwangsom was bepaald op SRD 1.000,- per overtreding met een maximum van 1 miljoen SRD.

3.2 Het vonnis is betekend op 10 november 2011 (exploit 861 van deurwaarder Hieralal) en opnieuw op 16 oktober 2013 (exploit 719 van deurwaarder Santono); de inhoud van het door Sasur beheerde repertoire van miljoenen werken is toen niet betekend. Intussen was op 16 mei 2012 onder betekening van een lijst met beweerdelijk door SRS op de frequentie 96.3 FM gedurende een viertal dagen in 2011 ten gehore gebrachte muziekwerken aanspraak gemaakt op dwangsommen; het vervolgens op 8 juni 2012 uit hoofde daarvan gelegde executoriaal beslag is weer opgeheven bij kort geding vonnis (A.R.No. 12-3358) van 7 februari 2013 op grond dat er geen dwangsommen verbeurd zouden zijn.

3.3 Bij exploit van 26 juli 2014 heeft Sasur opnieuw SRS gesommeerd om verbeurde dwangsommen te voldoen, nu tot het maximale bedrag van 1 miljoen SRD onder betekening van een nieuwe lijst met 1017 muziekwerken die op bepaalde dagen tussen 11 juni en 24 juli 2014 ten gehore zouden zijn gebracht. Vervolgens zijn op 7 en 21 augustus 2014 executoriale beslagen door Sasur gelegd ten laste van SRS op een aan de laatste toebehorend erfpachtsrecht aan de Verlengde Hoogestraat te Paramaribo (zijnde het onroerend goed waarop het radiostation gevestigd is) respectievelijk op banktegoeden onder de Surinaamsche Bank N.V. en Hakrinbank N.V.

3.4 Intussen was bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 17 mei 2013 (Jno. 13/02718) de wettelijk vereiste toestemming voor de bemiddelingswerkzaamheden van Sasur met onmiddellijke ingang ingetrokken.

3.5 In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter geweigerd, de executoriale beslagen op te heffen.

4. De grieven

4.1 In eerste aanleg heeft SRS zich erop gebaseerd dat Sasur uit eigen naam geen beslag mocht leggen na de intrekking van de toestemming tot bemiddeling. De eerste grief verwijt de kantonrechter ten onrechte dit over het hoofd te hebben gezien, nu de rechtsoverwegingen 3.2 in het vonnis van 30 december 2014 en 3.1 in het vonnis van 19 januari 2015 deze grondslag wel degelijk onderkennen. Deze eerste grief faalt dus.

4.2 De tweede grief maakt duidelijk dat SRS van oordeel is dat Sasur in deze zaak krachtens de in het geding gebrachte wederkerige mandaatovereenkomsten met buitenlandse zusterorganisaties niet op eigen naam handhavend mag optreden en niet alleen omdat dat verboden bemiddeling zou zijn. Volgens SRS behelst de overeenkomst met de Nederlandse zusterorganisatie BUMA een door deze aan Sasur verstrekt recht om toestemming te geven voor openbare uitvoering van het BUMA-repertoire of deze te weigeren. Bovendien voldoet Sasur als stichting niet aan het met ingang van 18 april 2015 ingevoerde artikel 30c van de Wet Auteursrecht 1913, dat bemiddeling alleen aan verenigingen toestaat. Exploitatie overeenkomsten zouden in dit kort geding helemaal niet aan de orde zijn.

4.3 Sasur heeft daar in eerste aanleg echter tegen ingebracht dat zij haar handhavend optreden niet baseert op het feit dat SRS niet beschikt over tegen betaling van royalties van haar te verkrijgen licenties (wat ook volgens Sasur verboden bemiddeling zou opleveren), maar slechts op exploitatie-overeenkomsten met muziekauteurs en al dan niet wederkerige mandaat-overeenkomsten met buitenlandse zusterorganisaties. De kantonrechter was het met Sasur eens dat Sasur muziekgebruikers wel namens de gerechtigden mocht attenderen op hun auteursrechten en op het daaruit voortvloeiende recht om openbaarmaking zonder enigerlei vorm van toestemming tegen te gaan, en ook een rechterlijk verbod mocht uitlokken en naleving daarvan afdwingen. De kantonrechter zag daarentegen wel verboden bemiddeling in het sluiten van overeenkomsten met gebruikers van muziek over een voorgenomen uitvoering, zodat in haar ogen – zo concludeert het Hof – Sasur slechts twee uiterste alternatieven openstonden na de attendering: hetzij gedogen hetzij verbieden. De kantonrechter heeft naar het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 3.7 treffend beschreven tot welke voor zowel auteurs als gebruikers ongewenste situatie haar wetsuitleg leidt: gebruikers zijn verstoken van een wereldrepertoire en auteurs ontvangen geen royalties.

4.4 In de derde grief betwist SRS dat Sasur het vonnis van 3 december 2009 kan executeren op grond dat het toen op eigen naam verzochte en toegewezen rechterlijk verbod verkregen werd met een beroep op haar toen nog bestaande maar nadien verloren bemiddelingsbevoegdheid. Ten gevolge van dat verlies zou zij geen dwangsommen meer kunnen innen.

4.5 Aan de vierde en de vijfde grief zal het Hof niet meer toekomen. Het zal namelijk hierna uiteenzetten waarom de tweede en de derde grief opgaan.

Omvat bemiddeling in de Wet Auteursrecht 1913 handhaving ?

5. Sasur stelt dat zij geen ministeriele toestemming nodig heeft voor handhaving van de aan haar toevertrouwde en conform artikel 2, tweede lid van de Wet Auteursrecht 1913 (hierna de wet) overgedragen auteursrechten. Handhaving valt volgens Sasur niet onder bemiddeling in de zin der wet. Het Hof deelt de door geïntimeerden verdedigde visie dat deze toestemming van de minister vereist is voor bemiddeling vanwege de machts- of zelfs monopolie positie die een instantie als Sasur inneemt in het afwegen van de deels tegenstrijdige belangen van componisten, arrangeurs, tekstdichters en liedschrijvers, kortom auteurs en muziekuitgevers enerzijds en uitvoerenden van nog tot 50 jaar na de dood van de auteur beschermde muziek en organisatoren van evenementen anderzijds. Uiteraard lopen deze belangen deels ook parallel: zonder auteurs geen uitvoering en zonder uitvoeringen geen royalties.

6. De wet gaat bemiddeling niet tegen, reguleert deze alleen. Wil men immers ook maar bij benadering bevorderen dat de componisten – zeker wereldwijd  – beloond worden naar rato van de afname van hun muziek, dan dienen zij hun werken in te brengen in een instelling die bedrijfsmatig

a) vaststelt welke werken zijn uitgevoerd en door wie (controle)

b) zorgt dat de daarvoor verschuldigde auteursrechten binnen komen (incasso) en

c) zorgt dat deze gelden volgens de juiste maatstaven verdeeld worden onder de rechthebbenden repartitie).

7. Daartoe is dan allereerst nodig dat al degenen die muziek in het openbaar ten gehore willen brengen alsmede degenen die daartoe gelegenheid geven zich kunnen wenden tot een bedrijfsmatig werkend bureau ter verkrijging van de vereiste toestemming. Zo ontstaat de bemiddelingsfunctie van dergelijke bureaus. Weliswaar vallen niet alle rechten van de makers van muzikale werken eronder doch alleen de bevoegdheid te beslissen over uitvoering in het openbaar. Maar ook dat betekent een grote inperking van de vrijheid om muziekwerken uit te voeren. Doordat dergelijke bemiddelingsbureaus dan ook nog eens op internationale schaal afspreken, elkanders repertoire wederkerig te handhaven en te beschermen en daarvoor royalties te incasseren, ontstaat een wereldrepertoire dat zij beheren. Organisatoren van concerten en uitvoerders van door anderen geschreven muziek kunnen niet om hen heen, tenzij ze veiligheidshalve uitsluitend zelf gecomponeerde muziek spelen. Wensen zij zich daartoe niet te beperken, dan komen zij in een positie waarin zij welhaast gedwongen zijn, zich in een gebruikersraad te organiseren, willen zij nog enig tegenwicht kunnen bieden aan de tarieven die de bemiddelingsbureaus eenzijdig vermogen vast te stellen. In die situatie heeft de wetgever willen ingrijpen.

8. Sinds 18 april 2015 is in elk geval voor incasseren volgens zelf vastgestelde tarieven en verdelen van geïncasseerde royalties onder auteurs na aftrek van eigen kosten volgens het toen krachtens de Wet van 17 april 2015, Staatsblad 2015, no. 83 in werking getreden artikel 30i van de Wet Auteursrecht 1913 toezicht ingevoerd en als sluitstuk ministeriele toestemming nodig op grond van artikel 30a: daarover verschillen partijen niet van mening. Dat geldt ook voor het feit dat Sasur deze toestemming mist, wat alle door haar gesloten bemiddelingsovereenkomsten voortaan nietig maakt.

9. De hamvraag is echter of ook het handhavings- en verbodsrecht onder “bemiddeling” vallen. Weliswaar bevatte de Memorie van Toelichting op de Wet van 17 april 2015, Staatsblad 2015, no  83 waarbij dat artikel werd ingevoerd, geen toelichting  op het begrip “bemiddeling” maar de maatschappelijke onrust waarop in de considerans gedoeld werd, betrof – naar van algemene bekendheid is – niet alleen de wijze waarop de tarifering eenzijdig werd vastgesteld maar ook de onzekerheid over de claims van bemiddelingsbureaus bij de behartiging van belangen van auteurs en de absolute verboden van uitvoering waarmee zij dreigden. Zonder die dreiging achter de hand viel er voor hen natuurlijk ook niets te bemiddelen.

10. Door bij (dreigende) uitvoering zonder betaling van royalties handhavend op te treden, maken instanties als Sasur hun bemiddelingspositie waar. Daarzonder komt van bemiddeling ook niets terecht. Omgekeerd: die dreiging met verboden van muziekuitvoeringen heeft voor auteurs en de buitenlandse zusterorganisaties alleen zin als Sasur royalties voor hen kan incasseren door tegen betaling conform een vast tarief licenties te verlenen. Maar daarvoor ontbreekt haar nu juist de wettelijk vereiste toestemming van de minister. Zo gezien maakt volgens het Hof dat handhavingsrecht meteen ook een onlosmakelijk onderdeel uit van de bemiddelingsactiviteit die de wetgever heeft willen onderwerpen aan toezicht (artikel 30i) en ministeriele toestemming (artikel 30a). Deze lezing vindt ook steun in de bewoordingen van de wet: “het al dan niet op eigen naam ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden (…) ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar (…)”. Een en ander brengt mee dat het Hof de poging om handhaving los te weken van bemiddeling, niet vermag te honoreren. In dit verband citeert het Hof de toenmalige Regeringscommissaris van Sasurs Nederlandse zuster-organisatie, de BUMA, die in 1973 schreef: “het laat zich denken dat het bureau voor of namens de componist zou optreden; ook dan is er bemiddeling.”  (Mr. S. Gerbrandy in zijn bewerking van Pfeffer’ s Kort Commentaar op de Auteurswet, Haarlem 1973, p. 244, aantekening 5 bij artikel 30-a van de Nederlandse Auteurswet 1912).

11. Het Hof voegt daar nog aan toe dat het ook niet in het belang van de muziekauteurs en de buitenlandse zusterorganisaties is, dat Sasur alleen maar handhavend kan optreden en moet volstaan met muziekuitvoeringen te laten verbieden. Licenties verlenen tegen vast tarief is immers het doel dat zij beoogden met overdracht van auteursrechten respectievelijk wederzijdse mandaat-overeenkomsten, maar dat is Sasur nu juist – naar tussen partijen onomstreden is – verboden. Alleen door handhaving te begrijpen onder de nu verboden bemiddeling kan een eind worden gemaakt aan de huidige patstelling waarin Sasur wel wil handhaven maar niet kan bemiddelen, andere rechtspersonen (de wet eist verenigingen) niet kunnen gaan bemiddelen zonder de nu aan Sasur toevertrouwde handhaving.

12. Het Hof concludeert dat op 17 mei 2013 een eind is gekomen aan het recht van Sasur om het beweerdelijk overtreden rechterlijk verbod te handhaven en dat vanaf die datum geen dwangsommen zijn verbeurd. Het Hof gaat er daarbij van uit dat Sasur zich heeft gehouden aan artikel 3, tweede lid van de Bijlage behorende bij de Resolutie van 15 januari 2005, no 276/05 dat Sasur voorschreef, in door haar te sluiten overeenkomsten betreffende de uitvoering van muziekwerken in het openbaar te bedingen dat deze van rechtswege zouden eindigen bij intrekking van de ministeriële toestemming.

De toepasselijkheid van internationale verdragen

13.  Auteurs van muziekwerken mogen – hoe omslachtig voor hen ook – zelf handhavend optreden, alleen Sasur mag dat niet meer voor hen doen, anders dan op ieders individuele naam uit hoofde van een daartoe strekkende exploitatie-overeenkomst. Die beperking geldt ook als zij optreedt op basis van door haar gesloten al dan niet wederkerige mandaat-overeenkomsten met zusterorganisaties. De regeling van artikel 30-a en volgende van de Wet Auteursrecht 2013 schendt volgens het Hof de Berner Conventie ook niet.

Devolutieve werking van het appel

14. Nu de tweede en derde grief van SRS opgaan, zal het Hof nog een onderzoek wijden aan de andere grondslagen die Sasur voor het executoriaal beslag heeft aangevoerd en met name tegen het opheffingsverzoek van SRS.

14.1 Het verweer van Sasur in eerste aanleg dat zij eigenlijk niet tegen openbaarmakingen door SRS optreedt maar tegen verveelvoudigingen, waarbij geen sprake zou zijn van bemiddeling in de zin van voormeld wetsartikel 30-a gaat niet op. Het ontgaat het Hof hoe het via de radio afspelen van geluidsopnamen opeens geen openbaarmaking als bedoeld in dat artikel meer zou kunnen zijn.

14.2 De conclusie van het Hof dat op 17 mei 2013 ook een einde kwam aan het recht van Sasur om het beweerdelijk overtreden rechterlijk verbod op eigen naam te handhaven en dat vanaf die datum geen dwangsommen meer konden worden verbeurd, impliceert – anders dan Sasur meent – geen aantasting van het vonnis van 3 december 2009, maar simpelweg een rekening houden met na dat vonnis opgekomen omstandigheden, die meebrengen dat een ooit gegeven verbod niet meer door degene die het verkreeg kan worden gehandhaafd maar voortaan alleen nog door individuele auteurs en nieuwe bemiddelende verenigingen die daarvoor toestemming van de minister van Justitie en Politie  verkrijgen. De rechter die het verbod oplegde, hoefde deze nieuwe ontwikkeling die culmineerde in de intrekking van ministeriele toestemming, niet te voorzien.

14.3 In zoverre in rechtsoverweging 4.4 van dat vonnis uit 2009 is overwogen dat BUMA en STEMRA aan Sasur het recht verleend hebben om in eigen naam op te treden, berust dat op een misverstand blijkens de door Sasur zelf bij dupliek in eerste aanleg op 15 december 2014 in dit geding alsnog ingebrachte mandaat-overeenkomsten met BUMA, STEMRA en de Indiase zusterorganisatie IPRS, die alle dateren van vóór dat vonnis van 2009. Artikel 2.1 van de met BUMA en STEMRA gesloten overeenkomsten – waarop overigens Nederlands recht van toepassing is verklaard – rept weliswaar van de overdracht aan Sasur van het recht om “in rechte op te treden tegen inbreuken op het BUMA-repertoire en al datgene te (doen) verrichten, zowel in als buiten rechte, waartoe BUMA zonder deze mandaatovereenkomst zelf gerechtigd zou zijn”, maar het voert het Hof te ver hier ook het ver gaande recht tot optreden in rechte uit eigen naam in de mandaatovereenkomst in te lezen, terwijl het er niet staat. Juist dit laatste laat ook de mogelijkheid open dat Sasur slechts bevoegd is om te handelen in naam van de lastgever.

14.4 Artikel 2 van het met de IPRS gesloten contract staat slechts toe, op eigen naam op te treden mits dit binnen het kader van de nationale wetgeving gebeurt en dat is hier niet het geval. De door Sasur met instemming aangehaalde rechtsoverweging in het vonnis van dit Hof in de onder nummer G.R.No. 14351 geregistreerde zaak berust op het ontbreken van een voldoende gespecificeerde grief. SRS stelt onbestreden dat handhaving op eigen naam van door Surinaamse auteurs aan Sasur overgedragen auteursrechten in deze zaak niet aan de orde is.

De resterende grieven van SRS behoeven geen bespreking meer.

15. De vierde grief die zich keert tegen de opvatting van de kantonrechter dat SRS via de website van Sasur bekend kon zijn met het door haar beheerde repertoire en zich ook bewust moest zijn van het risico van zonder toestemming afspelen van een modern buitenlands muziekwerk, behoeft tegen deze achtergrond geen bespreking meer. Dit geldt ook voor de vijfde grief die Sasur misbruik van executierecht verwijt op grond dat zij dwangsommen zou baseren op het gedrag van SRS gedurende vijf jaar in plaats van dertien dagen in juni en juli 2014 en verder stelt dat het beslag op haar erfpachtsrecht het radiostation betreft dat zij aanmerkt als voor de openbare dienst bestemd in de zin van artikel 312-a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Conclusie

16. Het Hof zal dus het vonnis van de kantonrechter vernietigen en de gelegde executoriale beslagen opheffen. Anders dan Sasur in eerste aanleg meende, staat daaraan niet in de weg dat inmiddels voor de openbare veiling al voorbereidingen waren getroffen noch ook dat de verklaringsprocedure ten opzichte van beide banken al was gestart.

17. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Sasur veroordeeld worden in de kosten van beide instanties.

De beslissing

Het Hof van Justitie van Suriname:

1. Vernietigt het vonnis waarvan hoger beroep  en

opnieuw rechtdoende in kort geding:

2. Heft op de bij exploiten van deurwaarder Hieralal op 7 augustus 2014 op een erfpachtsrecht en op 21 augustus 2014 onder De Surinaamsche Bank N.V. en Hakrinbank N.V. ten laste van appellante gelegde executoriale beslagen;

3. Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten, tot op deze uitspraak:

– in eerste aanleg begroot op SRD.430,–.

– en in hoger beroep op SRD 220,–.

4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-plaatsvervanger en

w.g.  M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van vrijdag 16 maart 2018 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein      w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. E. Naarendorp, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld