SRU-HvJ-2018-6

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-15186
  • Uitspraakdatum 18 mei 2018
  • Publicatiedatum 30 maart 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Burgerlijk Procesrecht. Een request-civiel moet worden ingediend binnen drie maanden na de dagtekening van het vonnis, waarover men zich beklaagt. Indien het request-civiel is gegrond op bedrog of arglist of het ontdekken van nieuwe stukken, lopen de termijnen slechts vanaf de dag op welke het bedrog of de arglist bekend of de stukken ontdekt zijn, mits in die laatste gevallen die dag bij geschrifte kan worden bewezen. Deze in cursief weergegeven voorwaarde impliceert dat de verzoeker in het request-civiel moet stellen en zo nodig (op de aangegeven wijze) bewijzen op welke dag hem het bedrog, de arglist en/of de stukken bekend geworden is of zijn.
    Artikel 295 en artikel 297 Burgerlijke Rechtsvordering.

Uitspraak

G.R.No. 15186

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[verzoekster],

wonende in [district],

verzoekster,

verder te noemen: [verzoekster],

procederende in persoon,

tegen

1. [verweerder 1],

2. [verweerder 2],

beiden wonende te [district],

verweerders,

verder te noemen: [verweerders],

gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het request-civiel tegen het tussen partijen in kort geding gewezen appelvonnis van dit Hof d.d. 4 maart 2011 (G.R.No. 14429) spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het verzoekschrift d.d. 30 januari 2017;

– de pleitnota d.d. 4 augustus 2017;

– de antwoordpleitnota d.d. 20 oktober 2017;

– de repliekpleitnota d.d. 2 februari 2018;

– de dupliekpleitnota d.d. 6 april 2018;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 3 augustus 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Bij bovengenoemd vonnis heeft dit Hof het in die zaak door de kantonrechter gewezen vonnis d.d. 21 januari 2008 (A.R.No. 06-3195) bevestigd, met dien verstande dat de veroordelingen van [verzoekster] werden ingericht als en beperkt tot hetgeen in het dictum van het Hofvonnis valt te lezen.

2. [verzoekster] heeft bij op 30 januari 2017 ingediend verzoekschrift een vordering tot herroeping van het hiervoor onder 1 genoemde Hofvonnis ingesteld. Voorts heeft zij bij dit verzoekschrift primair zowel als subsidiair enige andere vorderingen tegen [verweerders] aanhangig gemaakt.

3. Meergenoemd Hofvonnis is in laatste ressort gewezen. Nu [verzoekster] in die zaak partij was, kan zij – mits daarvoor een wettelijke grond bestaat – binnen zekere termijn daarvan herroeping vorderen.

4. Als grondslag voor haar verzoek tot herroeping noemt [verzoekster] dat [verweerders] bedrog althans arglist hebben gepleegd, hetwelk zij na de uitspraak van het Hofvonnis heeft ontdekt. Bovendien heeft zij, aldus [verzoekster], na genoemd vonnis stukken van beslissende aard in handen gekregen die kennelijk door toedoen van [verweerders] waren achtergehouden. Het gaat daarbij om een resolutie van 29 april 2009, [nummer]. Daarbij, aldus nog steeds [verzoekster], is de strook grond waarop een erfdienstbaarheid van weg werd vastgesteld, tot openbare weg benoemd. Deze aanwijzing tot openbare weg geschiedde op verzoek van een der verweerders.

5. Blijkens artikel 295 Rv moet een request-civiel worden ingediend binnen drie maanden na de dagtekening van het vonnis, waarover men zich beklaagt. Uit de hierboven weergegeven data blijkt dat [verzoekster] deze indieningstermijn ruimschoots heeft overschreden.

6. Echter bepaalt artikel 297 Rv in afwijking hiervan dat, indien het request-civiel is gegrond op bedrog of arglist of het ontdekken van nieuwe stukken, de termijnen slechts lopen vanaf de dag op welke het bedrog of de arglist bekend of de stukken ontdekt zijn, mits in die laatste gevallen die dag bij geschrifte kan worden bewezen.

7. Deze in cursief weergegeven voorwaarde impliceert dat de verzoeker in het request-civiel moet stellen en zo nodig (op de aangegeven wijze) bewijzen op welke dag hem het bedrog, de arglist en/of de stukken bekend geworden is of zijn. (Zie hierover het Handboek van Cleveringa over de Nederlandse Burgerlijke Rechtsvordering, 4e druk, blz. 940/941). [verzoekster] heeft zodanige dag, zelfs bij benadering, niet genoemd. Dit klemt te meer omdat, anders dan [verzoekster] aanvoert, [verweerders] helemaal niet geheimzinnig hebben gedaan over het bestaan van de hierboven onder 4 genoemde resolutie. Zij hebben er onweersproken op gewezen dat zij uitdrukkelijk die resolutie in hun processtukken voorafgaande aan het Hof vonnis hebben genoemd. Nog ervan afgezien dat hieruit tevens voortvloeit dat van bedrog, arglist of van het achterhouden van stukken door [verweerders] geen sprake is geweest, brengt dit een vermoeden mee dat [verzoekster] nog tijdens bedoelde procedure voor het Hof of kort na de uitspraak van het daarin gewezen vonnis met de resolutie bekend is geraakt. Des te meer had [verzoekster] dus moeten aangeven (en zo nodig bewijzen) op welke dag de door haar gestelde ontdekking of bekendwording heeft plaatsgevonden, zodat had kunnen worden vastgesteld of het request-civiel tijdig door haar is ingediend.

Door dit na te laten is [verzoekster] in haar stelplicht schromelijk tekortgeschoten.

8. De conclusie uit het bovenstaande is dat [verzoekster] in haar request-civiel niet kan worden ontvangen en evenmin in haar overige ingestelde vorderingen, die immers van een welslagen van de herroeping uitgaan.

De beslissing in Request-Civiel

Het Hof:

verklaart [verzoekster] in haar request-civiel van het tussen partijen gewezen Hof vonnis d.d. 4 maart 2011 (G.R.No. 14429) niet-ontvankelijk,

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en

w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag  4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                         w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van verweerders, terwijl verzoekster noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld