SRU-HvJ-2018-7

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14849
  • Uitspraakdatum 04 mei 2018
  • Publicatiedatum 01 april 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Verbintenissenrecht. Voorschot op schadevergoeding toegekend wegens te late oplevering en wegens aantoonbaar te wijten gebreken.

    Het Hof vindt aannemelijk dat beslag onder de Staat het bedrijf van geïntimeerde in ernstige mate zou ontwrichten en het Hof is het eens met de belangenafweging die de kantonrechter met betrekking tot dit beslag heeft gemaakt.

    Wanprestatie. Schadevergoeding. Derdenbeslag. Aannemingsovereenkomst.

Uitspraak

G.R.No.14849

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats], [land],

appellante in kort geding,

verder ook te noemen: [appellante],

gemachtigde: mr. H.H.Veldkamp, advocaat,

tegen

[bedrijf],

gevestigd en kantoorhoudende te [district 1],

geïntimeerde in kort geding,

verder ook te noemen: [bedrijf]

gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 28 februari 2013 (A.R.No. 12-4259), tussen [appellante] als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie en [bedrijf] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 6 maart 2013, inhoudende dat [appellante] op 6 maart 2013 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 28 februari 2013 in kort geding gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie en [bedrijf] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie;

– een pleitnota van [appellante] van 2 mei 2014;

– een pleitnota van antwoord van [bedrijf] van18 juli 2014;

– een pleitnota van repliek van 1 augustus 2014;

– een pleitnota van dupliek van 16 januari 2015.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellante] daarin kan worden ontvangen.

Beoordeling

1. Het onderhavige geschil tussen partijen betreft de uitvoering van een overeenkomst van aanneming van werk, op 10 oktober 2004 door partijen gesloten, waarbij [appellante] aan [bedrijf] opdracht heeft gegeven tot onder meer het construeren en volledig gebruiksklaar opleveren van een woonhuis met beheerderswoning, alles tegen een aanneemsom van € 158.900, – op te leveren op uiterlijk 29 augustus 2005. De sleutels van het woonhuis werden pas op 30 juni 2009 door [bedrijf] aan [appellante] overhandigd. [appellante] stelt zich op het standpunt dat het woonhuis cum annexis toen gebrekkig is opgeleverd. In verband daarmee vorderde zij in kort geding:

1.de tussen [appellante] en [bedrijf] gesloten aannemingsovereenkomst d.d. 10 oktober 2004 op te schorten;

2.[bedrijf] te veroordelen om bij wege van voorschot te betalen:

a. een bedrag groot € 82.000,– voor ondeugdelijke bouw, gederfd woongenot van het woonhuis, refund zonnepanelen en ticketkosten [land]-Suriname retour;

b. € 24.900,– voor late oplevering;

c. US$ 5.900,– voor refund ondeugdelijk werk bij de rehabilitatie van de toegangsweg, alles vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot die der algehele voldoening.

[bedrijf] voerde in conventie verweer en vorderde in reconventie –kort samengevat- de opheffing van de door [appellante] ten laste van [bedrijf] gelegde conservatoire derdenbeslagen en het door haar ten laste van [bedrijf] gelegde conservatoire beslag op een perceel land in [district 2].

De kantonrechter heeft in haar vonnis van 10 oktober 2004 beslist:

In conventie:

Schorst de tussen partijen bestaande aannemingsovereenkomst dd. 10 oktober 2004 totdat de bodemrechter daarover zal hebben beslist.

In reconventie:

Heft op het ten behoeve van [appellante] en ten laste van [bedrijf] gelegd conservatoir derdenbeslag onder de Staat (—-),

Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie:

Veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten aan de zijde van [appellante] gevallen (—)

Weigert het meer of anders gevorderde.

2. In hoger beroep vordert [appellante]:

(—) dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog appellante in haar vordering in conventie zal ontvangen, althans de gevraagde voorziening zal toewijzen, terwijl geïntimeerde haar vordering in reconventie wordt ontzegd (—).

[appellante] voert daartoe twee grieven aan.

Grief 1. stelt dat de kantonrechter ten onrechte geen voorschot heeft toegewezen, hoewel de kantonrechter wel heeft overwogen dat [bedrijf] onbehoorlijk heeft gepresteerd jegens [appellante] en zich daarom aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt, waardoor [appellante] schade heeft geleden. De kantonrechter zou ten minste een voorschot op de opeisbare boete van maximaal € 25.000,– hebben moeten toekennen.

Grief 2. voert aan dat de kantonrechter ten onrechte terzake van het conservatoir derdenbeslag onder de Staat de belangen van [bedrijf] zwaarder heeft doen wegen dan de belangen van [appellante] en het beslag daarom heeft opgeheven. [appellante] ontkent dat het [bedrijf] als gevolg van het beslag volledig was lam gelegd en dat [bedrijf] als gevolg daarvan het hoofd niet meer boven water kon houden.

3. Met betrekking tot grief 1. overweegt het hof het volgende:

Met betrekking tot de uitvoering van de aannemingsovereenkomst verschillen partijen op vrijwel alle punten van mening. Dat geldt ook voor het te laat opleveren van het woonhuis cum annexis. Artikel 1 van de aannemingsovereenkomst bepaalt, dat de oplevering uiterlijk op 29 augustus 2005 dient te geschieden en dat bij te late oplevering een boete van kracht zal zijn van € 350,– per dag met een maximum van € 25.000,–. Vast staat dat de sleutels pas op 30 juni 2009 aan [appellante] zijn overhandigd terwijl dat volgens de overeenkomst uiterlijk op 29 augustus 2005 had moeten gebeuren. [bedrijf] stelt gemotiveerd dat dit niet aan hem lag maar aan [appellante]. [appellante] was te laat met het nakomen van haar betalingsverplichtingen, de communicatie met haar verliep moeizaam omdat zij meestal in het buitenland vertoefde en hoewel [bedrijf] meermalen heeft aangedrongen op het maken van een afspraak voor de oplevering, desnoods met een gemachtigde van [appellante] als zij zelf niet persoonlijk aanwezig kon zijn, lukte het maar niet om daarvoor een datum vast te stellen. Gelet op deze gemotiveerde en deels ook door overgelegde producties gestaafde tegenspraak is niet aannemelijk dat de vertraging in de oplevering volledig aan [bedrijf] te wijten is. Echter: [bedrijf] stelt zelf (conclusie van dupliek in conventie, alinea 6) dat hij ondanks de problemen met [appellante] voortvarend heeft doorgewerkt en dat hij daardoor de bouwwerkzaamheden op 26 april 2006 zou hebben kunnen afronden, met een oplevering op 15 mei 2006 tot resultaat. Dat is nog steeds ruim acht maanden na de afgesproken datum van 29 augustus 2005. Het maximum van de boete zou reeds 72 dagen na 29 augustus 2005 bereikt zijn. De totale duur van de feitelijk ontstane vertraging staat vast en de bewijslast voor de stelling dat deze vertraging volledig aan [appellante] te wijten is, ligt bij [bedrijf]. Dit alles in aanmerking nemend acht het hof voldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat [bedrijf] op zijn minst het overgrote deel van de boete verbeurd heeft.

Met betrekking tot de gebreken aan het woonhuis en de beheerderswoning beroept [appellante] zich vooral op twee door haar in het geding gebrachte rapporten: de technische rapportage uit 2011 van [aannemingsbedrijf] en het taxatierapport van 18 oktober 2012 van [makelaar-taxateur]. Een bezwaar tegen het volgen van deze rapporten is gelegen in het feit dat zij geheel buiten [bedrijf] om zijn opgemaakt. Daarom moet met de bezwaren die [bedrijf] achteraf in deze procedure tegen de rapporten te berde brengt, ernstig rekening worden gehouden. Ook dan is echter voldoende aannemelijk gemaakt dat aan het woonhuis tenminste de volgende, aan [bedrijf] te wijten gebreken kleven:

– Het plafond. De constructie deugt niet, er is niet of onvoldoende gebruik gemaakt van goed bevestigde plafondlatten;

– Het dak. Lekkages bij diverse dakschroeven. Enkele gedeukte zinkplaten moeten worden vervangen.

– Tegels. Een aantal tegels wijkt qua kleur af van de rest.

4. Op grond van het vorenoverwogene is er aanleiding om aan [appellante] een voorschot op de schadevergoeding toe te kennen van € 24.000,– wegens te late oplevering en € 2.000,– wegens aantoonbaar aan [bedrijf] te wijten gebreken.  Het vonnis waarvan beroep zal derhalve dienaangaande worden vernietigd, voor wat betreft het besliste in conventie.

5. De tweede grief wordt verworpen. Het hof vindt aannemelijk dat beslag onder de Staat het [bedrijf] in ernstige mate zou ontwrichten en het hof is het eens met de belangenafweging die de kantonrechter met betrekking tot dit beslag heeft gemaakt. Het voorgaande heeft als consequentie dat het beroepen vonnis voor wat betreft de beslissing in reconventie dient te worden bevestigd.

6. De proceskosten in hoger beroep zal het hof compenseren, des dat elk der partijen de eigen kosten draagt, omdat appellante slechts ten dele in het gelijk is gesteld.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 28 februari 2013, A.R.No. 12-4259, tussen partijen gewezen, waarvan beroep, voor wat betreft de  beslissing in conventie;

en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

1. Schorst de tussen partijen bestaande aannemingsovereenkomst d.d. 10 oktober 2004 totdat de bodemrechter daarover zal hebben beslist.

2. Veroordeelt [bedrijf] tot het betalen van een voorschot op de boete wegens te late oplevering en de schade wegens gebreken aan het opgeleverde woonhuis van in totaal € 26.000,– (zes en twintig duizend euro).

in reconventie

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 28 februari 2013, A.R.No. 12-4259, tussen partijen gewezen, waarvan  beroep,  voor wat betreft de beslissing in reconventie.

in conventie en in reconventie

3. Veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 170,– (honderd zeventig Surinaamse dollar)

4. Compenseert de proceskosten in hoger beroep, des dat partijen elk de eigen kosten dragen.

5. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr, A. Charan, Lid en

mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President  uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein              w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. P. Chen namens mr. Y.S. Engkar, gemachtigde  van geïntimeerde, terwijl appellante noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld