SRU-HvJ-2019-16

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14886
  • Uitspraakdatum 01 november 2019
  • Publicatiedatum 14 augustus 2020
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Appellante stelt hoger beroep in en het Hof verklaard haar niet ontvankelijk omdat deze niet binnen de gestelde periode is ingesteld.

Uitspraak

G.R.No. 14886

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellante],
wonende in het [district],
appellante,
verder ook aan te duiden als [appellante],
gemachtigde: mr. S. Jangi, advocaat,

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP N. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA en
B. BESTUURSLID/LEDEN VAN N.V. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
verder ook aan te duiden als Torarica onderscheidenlijk de bestuursleden,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 juli 2012 tussen [appellante] als eiseres en Torarica en de bestuursleden als gedaagden spreekt de fungerend – president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 30 oktober 2012, inhoudende dat [appellante] op diezelfde dag hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 24 juli 2012 gewezen tussen [appellante] als eiseres en Torarica en de bestuursleden als gedaagden
  • een pleitnota van 21 maart 2014;
  • een antwoordpleitnota van l augustus 2014;
  • een repliekpleitnota van 17 oktober 2014;
  • een dupliekpleitnota van 20 februari 2015;
  • de uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 5 juni 2015, is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid in hoger beroep 
Op 24 juli 2012 was [appellante] bijgestaan door haar gemachtigde bij de uitspraak van het beroepen vonnis in eerste aanleg aanwezig terwijl geïntimeerden niet in persoon en ook niet bij gemachtigde waren verschenen. Op 30 oktober 2012 is namens [appellante] door haar advokaat appèl aangetekend tegen voornoemd beroepen vonnis. Gelet op het voorgaande is [appellante] tardief in het aantekenen van appèl tegen voormeld vonnis, nu dit niet is geschied binnen de incasu geldende wettelijke termijn van dertig dagen na de uitspraak, zodat zij niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep. [appellante] zal danook worden verwezen in de kosten vallende in dit appèl.

3. Voor het geval [appellante] tijdig appèl had ingesteld, quod non, wenst het Hof ten overvloede het volgende te overwegen.
3.1 De bestuursleden als zodanig hebben geen rechtspersoonlijkheid en als natuurlijke personen zijn zij niet met voldoende bepaaldheid aangewezen zodat [appellante] in het tegen de bestuursleden ingestelde hoger beroep niet ontvangen zou kunnen worden.

3.2.1 Als enerzijds gesteld,anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.
Op zaterdag 28 november 2009 heeft [appellante] in het door Torarica geëxploiteerde hotel etenswaar, teweten een Caesar salade, tot zich genomen die vanwege Torarica was bereid en aan [appellante] ter nuttiging aangeboden. Nadat [appellante] bij Torarica had gemeld dat zij, door haar aan het nuttigen van deze Caesar salade toegeschreven ziekteverschijnselen vertoonde, heeft de bedrijfsarts [naam] haar op dinsdag l december 2009 bezocht. Hij heeft daarvan een verslag opgemaakt waarin hij onder meer rapporteerde:
”Mijn commentaar.
Vermoedelijk iets genuttigd dat niet goed verdragen is door uw maagdarm. Het is aannemelijk dat de salade de boosdoener is.
Het lichaam probeerde dit kwijt te raken middels de vertoonde klachten. Conclusie.
Waarschijnlijk een lichte voedselvergiftiging. 
Lichamelijk onderzoek:
Niet veel significants, dan een beetje maagongerief ”
Torarica heeft [appellante] aangeboden de geleden schade te compenseren met een etentje, waarop [appellante] niet is ingegaan.

3.2.2 Torarica heeft betwist dat [appellante] als gevolg van het nuttigen van de Caesar salade of enig ander voedsel in het hotel lichamelijk ongesteld zou zijn geraakt. [appellante] heeft geen bewijs aangeboden en de kantonrechter heeft haar niet ambtshalve tot bewijs toegelaten .

3.2.3 Ook in hoger beroep heeft [appellante] geen bewijs aangeboden en ook het hof, zou voor het geval [appellante] wel ontvankelijk was geweest in het ingestelde appèl, haar daartoe niet ambtshalve toelaten. Het komt het hof immers hoogst onaannemelijk voor dat thans, bijkans tien jaar na dato, nog voor bewijs vatbaar zou zijn dat [appellante] van het eten van de Caesar salade ziek geworden is en al helemaal niet dat zij er zo ernstige gevolgen van heeft ondervonden dat het aangeboden verzoenende etentje of een daarmee corresponderend geldbedrag (maar daar heeft zij niet om gevraagd) geen adequate compensatie zou zijn geweest. Een en ander leidt ertoe dat ook bij een tijdige instelling van het appèl het bestreden vonnis zou moeten worden bevestigd met verwijzing van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;

verwijst [appellante] in de kosten van het hoger beroep en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van Torarica en de bestuursleden gevallen, op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                                         w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Sitaram namens mr.S.Jangi,gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr.H.R. Lim A Po, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld