SRU-HvJ-2019-18

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-963
  • Uitspraakdatum 01 februari 2019
  • Publicatiedatum 18 augustus 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    De Staat handelt niet in strijd met de wet Rechtspositie Militairen. Er is dus geen sprake van discriminatie, nu andere militairen zijn gemuteerd doch wel hun status van militair hebben behouden. Bovendien heeft [verzoeker], die vanaf februari 2017 niet meer op de werkplek is verschenen, zelf ter gehouden verhoor van partijen verklaard dat hij thans niet langer in dienst wil zijn van het Ministerie van Defensie, aangezien hij zijn eigen onderneming wenst te starten. De vordering van [verzoeker] tot betaling van een dwangsom indien de Staat hiermee in gebreke blijft zal daarom worden afgewezen.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde voorheen : I.D. Kanhai, BSc., advocaat,
thans: mr. M.S.M.D. Sitaram, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-G.eneraal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,verweerder,
gevolmachtigde : mr. R. Jhinkoe, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit.
Partijen zullen hierna worden aangeduid met [verzoeker] respectievelijk de Staat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitd.d. 8 augustus 2017;
  • het verweerschrift ontvangen op 14 december 2017;
  • het proces-verbaal van het op 1 juni 2018 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Tussen [verzoeker] en de Staat is er een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van drie jaar met ingang van 2 juli 2014.

2.2 De Staat heeft bij schrijven d.d. 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1] en referentienummer [nummer 2] aan [verzoeker] medegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op grond daarvan de dienstbetrekking wordt beëindigd met ingang van 2 juli 2017.

2.3 De Staat heeft bij schrijven d.d. 7 juli 2017 kenmerk Ag. [nummer 3] en referentienummer OD [nummer 4] aan [verzoeker] medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat de dienstbetrekking met hem,
[verzoeker], wordt gehandhaafd maar dat hij per die datum wordt gedemilitariseerd en tevens wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van het Directoraat Nationale Veiligheid (DNV).

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – kort en zakelijk weergegeven – (…) bij vonnis dat het Hof van Justitie rechtdoende in Ambtenaren zaken uitvoerbaar bij voorraad:

  1. nietig zal verklaren althans zal vernietigen de brieven respectievelijk gedateerd 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1], referentienummer [nummer 2] en 7 juli 2017 kenmerk Ag.[nummer 3] en referentienummer OD [nummer 4].
  2. de Staat zal gelasten om de hiervoor vermelde brieven in te trekken en hem hiervan tijdig in kennis te stellen;
  3. de Staat zal gelasten om zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met de Wet Rechtspositie Militairen;
  4. de Staat zal gelasten om binnen een week na de uitspraak zijn benoeming c.q. bevordering te formaliseren en hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris;
  5. de Staat zal gelasten om zijn salaris maandelijks normaal uit te betalen met in achtneming van de daarbij van toepassing zijnde wettelijke regelingen;
  6. de Staat zal gelasten om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet Rechtspositie Militairen in acht te nemen, terzake zijn mutering naar een ander ministerie.
  7. de Staat zal gelasten om de bepalingen van de Personeelswet in acht te nemen, terzake het verlenen van verlof;
  8. de Staat zal gelasten om binnen een week na de uitspraak hem schriftelijk in kennis te stellen dat de gedane uitlatingen, als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup niet op waarheid berusten en hij dientengevolge wordt gerehabiliteerd ;
  9. de Staat zal veroordelen om aan hem terug te betalen het bedrag van US$1.000,= vermeerderd met de wettelijke rente;
  10. de Staat zal veroordelen tot betaling van een dwangsom indien die in strijd handelt met het hiervoor omschrevene onder II, III, IV, VI , VII en VIII;
  11. de Staat zal veroordelen om aan hem te betalen een schadevergoeding van SRD 2.500.000,= respectievelijk SRD 7.500,=;

3.2 [verzoeker] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
De Staat handelt in strijd met de wet Rechtspositie Militairen. Hij kan zich niet verenigen met het besluit dat hij wordt gedemilitariseerd omdat dit consequenties zal hebben voor zijn rechtspositie. Er is sprake van discriminatie nu andere militairen zijn gemuteerd doch wel hun status van militair hebben behouden. Met zijn overplaatsing handelt de Staat in strijd met de Personeelswet, aangezien een ambtshalve overplaatsing niet tegen de wil van de betrokken landsdienaar kan geschieden. Aan hem is medegedeeld dat indien hij niet meewerkt aan zijn overplaatsing hij vanaf de maand juli 2017 geen salaris zal ontvangen. Ook dit is in strijd met de Wet. Hij, [verzoeker], bekleedt de rang van korporaal doch de Staat laat na om dit bij beschikking te formaliseren. Ook bij de aanvraag van verlof handelt de Staat in strijd met de wet. Om voor verlof in aanmerking te komen moet hij eerst een bepaald bedrag aan zijn meerdere betalen. Zo heeft hij in totaal een bedrag van US$1.000,= betaald om in aanmerking te komen voor verlof. Tenslotte worden hij en enkele collega’s ervan beschuldigd zich bezig te houden met het beramen van een coup, hetgeen in strijd is met de waarheid . Hij lijdt door deze uitlatingen schade die de Staat dient te vergoeden. Daarnaast dient de Staat te betalen de door hem gemaakte advocaatkosten.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt voor zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 In artikel 79 van de Personeelswet (PW) heeft de wetgever limitatief opgesomd de vorderingen die ter beoordeling aan het Hof als eerste en hoogste instantie kunnen worden voorgelegd.
Het gaat met name om de volgende vorderingen:

a.gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b.vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig,nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c.oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.1.1 Het Hof zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen zoals omschreven hiervoor onder 3.1 onder II tot en met IX, nu deze vorderingen niet vallen onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Het Hof is eveneens niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker] met betrekking tot de veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om hem, [verzoeker], binnen een week na de uitspraak schriftelijk in kennis te stellen dat de gedane uitlatingen, als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup, niet op waarheid berusten en hij dientengevolge wordt gerehabiliteerd. Dit gevorderde valt ook niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Ten aanzien van de vordering van [verzoeker] tot veroordeling van de Staat om aan hem te betalen een schadevergoeding van SRD 2.500.000,= respectievelijk SRD 7.500,= is het Hof ook niet bevoegd om daarvan kennis te nemen, en wel om dezelfde reden als hiervoor vermeld.

Ontvankelijkheid
4.2 Niet is gesteld of gebleken dat de overige door [verzoeker] ingestelde vorderingen niet binnen de bij wet vastgestelde termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is daarin.

Nietigverklaring
4.3 [verzoeker] heeft gevorderd nietig te verklaren althans te vernietigen de brief gedateerd 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1],referentienummer [nummer 4]. Deze brief heeft betrekking op de mededeling van de Staat aan hem dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op grond daarvan de dienstbetrekking wordt beëindigd met ingang van 2 juli 2017. De vordering van [verzoeker] tot nietigverklaring althans vernietiging van deze brief zal worden afgewezen . [verzoeker] heeft immers zelf gesteld dat de Staat bij brief d.d. 7 juli 2017 aan hem heeft medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken. Nu de brief is ingetrokken door de Staat, heeft die geen rechtskracht meer en ontgaat het Hof welk belang [verzoeker] heeft bij de vordering tot nietigverklaring althans vernietiging van deze brief.

4.4 [verzoeker] vordert ook nietigverklaring althans vernietiging van de brief gedateerd 7 juli 2017 kenmerk Ag. [nummer 1] en referentienummer OD [nummer 4].In deze brief heeft de Staat aan [verzoeker] medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat de dienstbetrekking met hem, [verzoeker], wordt gehandhaafd maar dat hij per die datum wordt gedemilitariseerd en tevens wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van het directoraat Nationale Veiligheid (DNV).De Staat heeft ten aanzien van deze brief aangevoerd dat zij deze brief heeft herzien bij schrijven d.d. 27 juli 2017. De inhoud van dit schrijven is aan [verzoeker] medegedeeld op 30 augustus 2017 en houdt in dat hij niet meer wordt gedemilitariseerd en dat hij wordt overgeplaatst naar het infanteriebataljon .Ter gehouden verhoor op de terechtzitting van 16 november 2018 heeft de vertegenwoordiger van de Staat, in de persoon van [naam] (hierna [naam]) verklaard dat [verzoeker] nooit is gedemilitariseerd. Volgens [naam] voornoemd was [verzoeker] militair in de rang van korporaal. Hij was overgeplaatst bij de landmacht. Op 1 december 2017 moest betrokkene zich aanmelden voor diensthervatting maar hij heeft zich nimmer aangemeld.[verzoeker] heeft hetgeen de Staat bij wege van verweer heeft aangevoerd en door [naam] alszodanig ter terechtzitting is bevestigd niet althans niet gemotiveerd weersproken, zodat in rechte daarvan wordt uitgegaan.Uitgaande van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat nu de brief d.d. 7 juli 2017 is herzien bij schrijven d.d. 27 juli 2017, [verzoeker] ook geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde nietigverklaring althans vernietiging van de brief van 7 juli 2017.Deze vordering zal eveneens worden afgewezen.

Dwangsom
[verzoeker] vordert veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om:

a.de brieven d.d. 7 mei 2017 en 7 juli 2017 in te trekken en hem hiervan tijdig in kennis stelt. Naar het oordeel van het Hof heeft [verzoeker] een belang meer bij de intrekking van de genoemde brieven en wel om dezelfde redenen als overwogen onder 4.3 en 4.4 hiervoor. De vordering tot betaling van een dwangsom terzake het in gebreke zijn wordt daarom afgewezen.

b.zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met de Wet Rechtspositie Militairen. Volgens [verzoeker] bekleedt hij de rang van korporaal doch de Staat laat na om dit bij beschikking te formaliseren. De twijfel van [verzoeker] dat de Staat zijn rechtspositie niet in overeenstemming zou brengen met de realiteit was gegrond op de twee hiervoor genoemde brieven die inmiddels zijn herzien door de Staat. Ter gehouden verhoor van partijen heeft [naam] verklaard dat [verzoeker] de rang had van korporaal, en is niet gebleken dat de Staat daar een ander idee over heeft. Met deze bevestiging heeft het Hof geen redenen om te twijfelen dat de Staat (zolang [verzoeker] de jure in dienst is) zal weigeren om de rechtspositie van [verzoeker] in overeenstemming te brengen met de realiteit. De vordering van [verzoeker] tot betaling van een dwangsom indien de Staat hiermee in gebreke blijft zal daarom worden afgewezen. Bovendien heeft [verzoeker], die vanaf februari 2017 niet meer op de werkplek is verschenen, zelf ter gehouden verhoor van partijen verklaard dat hij thans niet langer in dienst wil zijn van het Ministerie van Defensie, aangezien hij zijn eigen onderneming wenst te starten. De vraag rijst dan ook nog of [verzoeker] nog enig belang heeft bij dit onderdeel van het gevorderde.

c.om binnen een week na de uitspraak zijn benoeming c.q. bevordering te formaliseren en hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris. Het gevorderde met betrekking tot betaling van een dwangsom indien de Staat in gebreke blijft met het formaliseren van zijn benoeming c.q. bevordering, zal worden afgewezen, en wel vanwege dezelfde redenen als overwogen onder 4.5 onder b. Voor wat betreft de veroordeling tot betaling van een dwangsom indien de Staat in gebreke blijft om hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris overweegt het Hof als volgt. Ingevolge artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) kan een dwangsom worden opgelegd indien de veroordeling betreft iets anders dan betaling van een geldsom. Aangezien betaling van het salaris betreft een geldsom kan er, ingevolge artikel 492 BRv, dus geen dwangsom worden opgelegd aan een dergelijke veroordeling. Bovendien is het maar de vraag of [verzoeker] aanspraak maakt op salaris nu hij zelf heeft gesteld ter terechtzitting dat hij sinds februari 2017 niet meer werkt en dat hij vanaf januari 2018 niet wordt betaald. Dat betekent dat [verzoeker] vanaf februari 2017 tot en met december 2017 salaris heeft ontvangen zonder dat hij daarvoor heeft gewerkt. Ook dit onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen.

d.om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet Rechtspositie Militairen in acht te nemen, terzake zijn mutering naar een ander Ministerie. Ook bij dit onderdeel van het gevorderde heeft [verzoeker] geen belang nu hij niet betwist het verweer van de Staat dat zijn mutering naar een ander Ministerie nimmer is geschied.

e.om de bepalingen van de Personeelswet in acht te nemen, terzake het verlenen van verlof.Ten aanzien hiervan heeft [verzoeker] gesteld dat hij eerst een bepaald bedrag moet betalen om voor verlof in aanmerking te komen. Zo heeft hij in totaal een bedrag van US$1.000,= betaald aan zijn meerdere om in aanmerking te komen voor verlof.

4.6 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig .

De beslissing
Wijst de vordering van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A Charan en mr.I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 1 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.M.D. Sitaram, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. B. Tjin Liep Shie namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld