SRU-HvJ-2019-27

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-938
  • Uitspraakdatum 15 februari 2019
  • Publicatiedatum 01 oktober 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Op grond van artikel 79 van de Personeelswet acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu de vordering betreft nietigverklaring van een besluit van de Staat. Het Hof acht zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde. Verder wordt [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard in de ingestelde vordering.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district], verzoekster,
gemachtigde: mr. G. van der San, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door,
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van de Republiek Suriname,
domicilie hebbende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92,
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 04 januari 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 22 februari 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift door de Staat is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 april 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 november 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 05 januari 2018;
  • de processen-verbaal van de op 05 januari 2018 en 06 april 2018 gehouden verhoren van partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018 doch nader op heden;

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] is op 01 april 2011 in overheidsdienst getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 (één) jaar. Zij is bij indiensttreding tewerkgesteld als juridisch medewerker op de Griffie der Kantongerechten (Civiele Zaken) van de hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Politie, zijnde een orgaan van de Staat. De arbeidsovereenkomst is hierna steeds stilzwijgend verlengd;

2.2.verzoeker] heeft middels haar aan de directeur van Buitenlandse Zaken gericht schrijven d.d. 21 oktober 2013 een verzoek gedaan tot overplaatsing van het Ministerie van Justitie en Politie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een ander orgaan van de Staat. In reactie op voornoemd schrijven heeft [verzoeker] een schrijven d.d. 06 oktober 2014 ontvangen van de directeur van Buitenlandse Zaken waarin haar wordt medegedeeld dat haar verzoek in welwillende overweging is genomen en dat zij zich vooruitlopend op de ter beschikking stelling op 15 oktober 2014 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan aanmelden. Kort hierna wordt er namens de directeur van Justitie en Politie een schrijven d.d. 13 oktober 2014 verstuurd naar de directeur van Buitenlandse Zaken, met een cc naar [verzoeker]. In dit schrijven deelt eerstgenoemde directeur, laatstgenoemde directeur mee dat er van de zijde van het Ministerie van Justitie en Politie geen bezwaren bestaan dat [verzoeker] met ingang van 15 oktober 2014 wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiernaast wordt ook meegedeeld dat de concept overplaatsingsbeschikking ten name van [verzoeker], de directeur van Buitenlandse Zaken wordt toegezonden na bevestiging dat [verzoeker] haar diensten heeft aangevangen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. [verzoeker] vangt op 15 oktober 2014 aan met haar werkzaamheden op laatstgenoemd Ministerie;

2.3.Op 20 maart 2015 ontvangt [verzoeker] een aan haar gericht schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 waarin, onder verwijzing naar zijn schrijven d.d. 11 maart 2015 aan de Minister van Justitie en Politie, aan haar wordt meegedeeld dat wordt afgezien van haar overplaatsing. Hiernaast wordt aan haar gevraagd contact op te nemen met het Ministerie van Justitie en Politie casu quo instructies af te wachten. Derhalve wordt afgezien van de overplaatsing van [verzoeker] en betrokkene wordt per 15 maart 2015 wederom ter beschikking gesteld van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.4. Bij haar schrijven d.d. 23 maart 2015 reageert [verzoeker] op het schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 en vraagt de Minister om haar te ontvangen voor een persoonlijk onderhoud eventueel in gezelschap van de relevante functionarissen, opdat het een en ander kan worden toegelicht casu quo uitgepraat. Op dit schrijven ontvangt [verzoeker] in december 2016 een reactie;

2.5.Bij het schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 30 april 2015, wordt [verzoeker] gevraagd zich schriftelijk te verweren naar aanleiding van het feit dat zij zich niet zou hebben aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie nadat zij was terugverwezen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop informeert [verzoeker] de directeur middels haar schrijven d.d. 06 mei 2015 dat zij met betrekking tot onderhavige kwestie, in communicatie is met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waardoor zij zich niet heeft kunnen aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Hierna ontvangt [verzoeker] een ander schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 26 mei 2015, inhoudende dat zij zich moet aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Op 02 juni 2015 heeft [verzoeker] een gesprek met het wnd. Hoofden een medewerker van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie. Op 03 juni 2015 richt [verzoeker] een schrijven aan de directeur van Justitie en Politie waarin zij haar, onder andere, informeert over de gang van zaken en het gesprek van 02 juni 2015 met functionarissen van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.6. Enkele maanden later ontvangt [verzoeker] een schrijven vanwege de directeur van Justitie en Politie d.d. 22 maart 2016, onder meer, inhoudende dat hetgeen [verzoeker] heeft aangegeven bezijdens de waarheid is en zij zich tot 22 maart 2016 nimmer voor de dienst heeft aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie en dat als gevolg daarvan besloten is de met haar aangegane arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en dat haar salaris per eind maart 2016 wordt stopgezet. Enkele maanden hierna wordt voornoemd schrijven opgevolgd door de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 10 juni 2016, Bureau [nummer] [nummer 2] middels welke is besloten/bepaald dat de tussen de Staat en Blankendal aangegane arbeidsovereenkomst is opgezegd en dat [verzoeker] vanaf 15 maart 2015 (het hof begrijpt: 2016) geen aanspraak maakt op salaris of enige andere vergoeding, wegens het zonder gegronde redenen niet vervullen van haar ambtsverplichtingen. Dit besluit is middels exploot van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 01 november 2016, nummer: 182 betekend aan Blankendal;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1.[verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – primair dat de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d.10 juni 2016, Bureau [nummer] [nummer 2] nietig zal worden verklaard met daaraan gekoppelde nevenvorderingen, waaronder (door) betaling van haar maandelijkse loon. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD. 10.000,- per dag. Subsidiair vordert [verzoeker] nietigverklaring van voormelde beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en vergoeding van de door [verzoeker] geleden schade bestaande uit loonderving, zijnde het achterstallig loon te rekenen vanaf 15 maart 2015 tot en met 31 december 2016 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars. Kosten rechtens;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven en in zoverre voor de beslissing van belang – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is het niet eens met de opzegging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en de stopzetting van de doorbetaling van haar loon. Voornoemd(e) besluit(en) volgens eerdergenoemde beschikking van de directeur van Binnenlandse Zaken berust(en) op overwegingen die zijn gebaseerd op onjuiste informatie casu quo niet op waarheid. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Staat de dienstbetrekking met haar met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en daarbij de in artikel 2 onder a van de arbeidsovereenkomst overeengekomen opzegtermijn niet in acht heeft genomen;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid

4.1.Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu de vordering betreft nietigverklaring van een besluit van de Staat. Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde;

Ontvankelijk
4.2. De Staat heeft als preliminair verweer aangevoerd – kort gezegd – dat [verzoeker] tardief is met het instellen van de onderhavige vordering en derhalve niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Immers is het ontslagbesluit op 1 november 2016 per deurwaardersexploot onder nummer 182 aan [verzoeker] betekend en heeft zij onderhavige vordering pas op 04 januari 2017 ingediend. [verzoeker] heeft het voorgaande erkend maar heeft gevraagd om rekening te houden met de belangen van haar die in geding zijn. Naar het oordeel van het Hof is voormeld verweer gegrond en treft doel.Ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet dienen dergelijke vorderingen uiterlijk binnen een maand nadat het besluit ter kennis van belanghebbende is gebracht, te worden ingediend. In casu is onderhavige vordering ruim twee maanden nadat het besluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht ingediend, weshalve [verzoeker] tardief is met het instellen van onderhavige vordering;

4.3. De consequentie van het voorgaande is dat [verzoeker] niet – ontvankelijk zal worden verklaard in de ingestelde vordering. Immers zijn de in de wet opgenomen termijnen van openbare orde en leidt een redelijke en billijke belangenafweging niet tot een ander oordeel. [verzoeker] geldt als de in het ongelijk gestelde partij en zal in de gedingkosten worden veroordeeld aan de zijde van de Staat gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.4. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

5.De beslissing
Het Hof:

5.1. Verstaat dat [verzoeker] kosteloos procedeert;

5.2. Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in de ingestelde vordering;

5.3. Veroordeelt [verzoeker] in de gedingkosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr.A.M. Nooitmeer­Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 februari 2019, in tegenwoordigheid van w.g.S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. H. Matawlie namens advocaat mr.G. van der San, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Jhinkoe namens advocaat mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
M.E. van Genderen-Relyveld