SRU-HvJ-2019-31

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-858
  • Uitspraakdatum 06 december 2019
  • Publicatiedatum 01 oktober 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    De aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf is niet onevenredig aan de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Naar het oordeel van het hof is met de belangen van [verzoeker] voldoende rekening gehouden en is van enige onzorgvuldigheid bij het nemen van het schorsingsbesluit geen sprake.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in het bijzonder het Ministerie van Openbare Werken, thans het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: voorheen mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat, thans mr. N.U. van Dijk, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 14 augustus 2014;
  • het verweerschrift en uitlating producties d.d. 07 november 2014, met producties;
  • de beschikking van het hof van 20 april 2015 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 mei 2015, welk verhoor is verplaatst naar 19 juni 2015;
  • het proces-verbaal van het op 19 juni 2015 gehouden verhoor van partijen;
  • het schrijven van mr. dr. J. van Dijk-Silos d.d. 02 oktober 2015, waarbij zij zich als gemachtigde van de Staat onttrekt aan de zaak en het schrijven van mr. N.U. van Dijk van dezelfde datum, waarbij zij zich stelt voor de Staat;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen zijdens de Staat d.d. 15 januari 2016;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens [verzoeker] d.d. 15 april 2016, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 17 juni 2016.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 januari 2017, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is in vaste dienst bij het Ministerie van Openbare Werken, laatstelijk in de functie van onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken. [verzoeker] is tevens parlementariër.

2.2 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 25 oktober 2010, Bureau [nummer], [nummer 2] (hierna: de ontheffingsresolutie), is [verzoeker] met toepassing van artikel 23 lid 5 van de Personeelswet (Pw) te rekenen van 20 september 2010 ontheven uit de functie van onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken en per dezelfde datum ter beschikking gesteld van de minister van Openbare Werken (hierna: de minister), met behoud van zijn bezoldiging en met gelijktijdige omzetting van de representatietoelage in een overgangstoelage.

2.3 [verzoeker] is bij verzoekschrift d.d. 22 februari 2011 bij het hof opgekomen tegen vorenbedoeld ontheffingsbesluit.

2.4 De directeur Civieltechnische Werken van Openbare Werken (hierna: de directeur) heeft bij schrijven d.d. 28 juli 2011, 17 augustus 2011, 23 september 2011, 14 oktober 2011 en 17 oktober 2011 [verzoeker] opgeroepen dan wel gesommeerd om zich aan te melden voor hervatting van de dienst.

2.5 Bij schrijven d.d. 20 oktober 2011 heeft de directeur onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: bespreking inzake uw functie als ambtenaar
Geachte heer [verzoeker],
Middels deze bevestig ik, het met u gevoerde gesprek op woensdag 19 oktober 2011 te mijner kantore op het Ministerie van Openbare Werken.
Hierbij heb ik u duidelijk geïnstrueerd, in uw hoedanigheid van ambtenaar, informatie betreffende het Ministerie van Openbare Werken niet naar buiten te laten gaan c.q. niet te bespreken en ook niet bespreekbaar te maken zonder mijn nadrukkelijke goedkeuring.
Het confidentialiteits beginsel is bij u, als ambtenaar op het Ministerie, onverkort van toepassing. Andere door ons besproken onderwerpen zullen na uitwerking eveneens schriftelijk worden vastgelegd.Wij hopen dat u zich, zoals afgesproken, aan deze gedragscode zal houden en verblijven.”

2.6 De minister heeft middels schrijven d.d. 28 januari 2013 aan [verzoeker] aangeboden een exemplaar van een werkomschrijving en afspraken betreffende het functioneren van [verzoeker] op het ministerie, met het verzoek dit te ondertekenen en te retourneren. Daarbij is [verzoeker] tevens aangezegd om zich op 29 januari 2013 aan te melden bij de directeur om de omschreven werkzaamheden te kunnen starten.Voormelde werkomschrijving en afspraken luiden als volgt:

“WERKOMSCHRIJVING

  1. .Adviseert gevraagd en ongevraagd, de departementsleiding inzake de diverse beleidsgebieden van het Ministerie van Openbare werken.
  2. Brengt advies uit m.b.t. diverse rapporten.
  3. Ondersteunt c.q. adviseert de departementsleiding t.a.v. diverse vraagstukken het Ministerie regarederende [sic] zowel nationaal als internationaal.
  4. Volgt de instructies verkregen vanwege de departementsleiding m.b.t. de ondersteuning aan het beleid van het Ministerie.
  5. Stelt alles in het werk om de werksfeer op Openbare Werken te helpen bevorderen.

AFSPRAKEN M.B.T. HET FUNCTIONEREN.

  1. U tekent de presentie in op het secretariaat van de Directeur van het Directoraat Civiel Technische Werken van Openbare Werken tot uiterlijk 7.15 van maandag tot en met vrijdag en u tekent van maandag tot en met donderdag uit uiterlijk 15.00 uur. Op de vrijdag tekent u 14.30 uur uit. (Het e.e.a. conform de dienstvoorschriften voor landsdienaren (Rondzendbrief van 15 mei 2003 [nummer 3]).
  2. Op de dagen dat u D.N.A. vergaderingen moet bijwonen, bent u vrijgesteld van dienst. Vermeld dient te worden dat u op de dagen dat u D.N.A. vergaderingen moet bijwonen, voor 8.00 uur s’morgens, dit telefonisch doorgeeft aan het secretariaat van de Directeur van het Directoraat Civiel Technische Werken op telefoonnummer: [nummer].”

2.7 Bij schrijven d.d. 28 augustus 2013, [nummer 4], heeft de minister [verzoeker] onder meer meegedeeld dat hij, [verzoeker], blijkens zijn personeelsdossier op verschillende data in het jaar 2011 door de departementsleiding is aangezegd de dienst te hervatten, doch dat hij zulks tot op heden heeft nagelaten. [verzoeker] is vervolgens aangezegd om zich op 30 augustus 2013 om 07.00 uur aan te melden bij de minister voor hervatting van de dienst en meegedeeld dat bij die gelegenheid met hem zal worden besproken de werkzaamheden waarmee hij zal worden belast en de wijze van uitvoering van deze werkzaamheden.

2.8 Op 30 augustus 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de minister en [verzoeker].

2.9 Bij schrijven d.d. 02 september 2013, [nummer 5], heeft de minister onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: Hervatting werkzaamheden op het Ministerie van Openbare Werken
Heer [verzoeker],
Met verwijzing naar mijn eerder schrijven gedateerd 28 augustus 2013, kenmerk [nummer 4] en het onderhoud welke ik met u had op 30 augustus jl. moge het volgende gelden:
(…)
Aangezien het ministerie grote behoefte heeft aan deskundig kader, wordt u per onmiddellijk belast met het adviseren van de minister omtrent te treffen maatregelen nodig voor het optimaliseren van het functioneren van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, alsook het mede begeleiden en monitoren van de in dit kader uit te voeren activiteiten en het hieromtrent rapporteren naar de minister.In verband met het voorgaande, zult u een werkplek toegewezen krijgen op het ministerie. Vanwege uw rol bij het begeleiden van het transformatieproces op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, wordt het noodzakelijk geacht dat u dagelijks aanwezig bent op de werkplek. Rekening houdend met het door u t/m 27 september 2013 aangevraagd verlof, wordt u middels deze aangezegd zich op de eerstvolgende werkdag na afloop van het verlof, om 07.00 uur aan te melden bij de minister voor nadere instructies.”

2.10 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2013 onder meer het volgende aan de minister meegedeeld:
“Betreft: uw schrijven d.d. 2 september 2013,

Geachte Minister,
Zoals u uit de bijlagen behorende bij mijn brief d.d. 29 augustus 2013 en mijn brief van 29 januari 2013 heeft kunnen vernemen alsook van hetgeen ik eerder mondeling aan de orde heb gesteld, ben ik bereid mijn plichten als ambtenaar te vervullen.
(…)
Een ander zeer belangrijk punt, dat door mij aan de orde is gesteld, is dat mijn nieuwe taken vooraf duidelijk moeten zijn. Dus voordat aan de uitoefening van de werkzaamheden in een andere functie wordt begonnen.U stelt in uw brief d.d. 2 september 2013 dat ik belast zal worden met het adviseren van de minister omtrent te treffen maatregelen nodig voor het optimaliseren van het functioneren van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, alsook het mede begeleiden en monitoren van de in dit kader uit te voeren activiteiten en het hieromtrent rapporteren naar de minister.Ik functioneerde vóór de ontheffing in functie van onderdirecteur Administratieve Diensten, derhalve behoef ik uit dien hoofde geen werk uit te voeren op een lager nivo [sic].U zou mij, zo begrijp ik, willen inzetten als interne ‘adviseur’. Naar ik begrijp wenst u geadviseerd te worden over hoe het functioneren van het personeel op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht te upgraden. Deze werkzaamheden vallen duidelijk niet onder de functie van onderdirecteur Administratieve Diensten. Ik wil daarom eerst duidelijkheid hebben over de aanduiding van de functie (functiebenaming) waaronder de door u gewenste advieswerkzaamheden worden gebracht, alsmede de formatie plaats binnen het Ministerie.
(…) Ik wil niet dat ik in een onzekere situatie terechtkom. Ik heb er namelijk, zoals u ook weet, niet zelf voor gekozen om in deze situatie te zijn. De ontheffing, die onterecht is, heeft buiten mij om plaatsgehad. Ik ben daarom van mening dat behalve vastlegging van mijn nieuwe taken ook vastgelegd dient te zijn dat ik op geen enkel onderdeel in [sic] ook in geen enkel opzicht afstand doe van de rechten die ik ontleen aan mijn functie als onderdirecteur Administratieve Diensten. Immers indien het Hof van Justitie de ontheffing vernietigt, moet ik in staat zijn wederom invulling aan die functie te geven. Een ander, maar niet minder belangrijk aspect, is mijn lidmaatschap van De Nationale Assemblee. Zoals u weet, ben ik gekozen en geïnstalleerd als volksvertegenwoordiger. In het parlementaire werk in Suriname is het altijd zo geweest dat parlementariërs met behoud van hun baan in de gelegenheid worden gesteld hun taken voortvloeiende uit hun lidmaatschap van het Parlement uit te oefenen. Deze benadering is gebaseerd op enerzijds het algemeen bekende feit dat de schadeloosstelling die parlementariërs ontvangen hun dagelijke kosten van levensonderhoud niet dekken en anderzijds op het feit dat indien de zittingsperiode van de parlementariër in kwestie erop zit hij niet zonder baan komt te zitten. Ik ben van mening dat ook mij een dergelijke bejegening toekomt. Er dienen derhalve duidelijke werkafspraken vooraf te worden gemaakt en die moeten ook bij anderen bekend zijn. Ik ben bereid daarover dan ook afspraken met u te maken.U bent zelf ook parlementariër geweest. Zoals u weet, kan die taak alleen naar behoren worden vervuld als ook effectief invulling gegeven kan worden aan het DNA-lidmaatschap en de daaraan verbonden verplichtingen en verantwoordelijkheden. Ik moet dus de vergaderingen kunnen bijwonen, alsook de andere bijeenkomsten welke aan deze functie verbonden zijn. Ook moet ik mij kunnen voorbereiden op deze bijeenkomsten en de nodige onderzoeken kunnen verrichten en contacten onderhouden.Ik verneem derhalve gaarne uw reactie op het voorgaande en dank u voor uw bereidwilligheid en begrip in dezen.”

2.11 Bij schrijven d.d. 11 oktober 2013, [nummer 6], heeft de minister onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: Verduidelijking omtrent aanvang werkzaamheden op het Ministerie van Openbare Werken
Heer [verzoeker],
Uw schrijven gedateerd 27 september 2013, heb ik in goede orde ontvangen. Uit de verschillende stellingen en argumenten welke u in genoemd schrijven poneert en aandraagt, destilleer ik in hoofdzaak het volgende:

  1. U wenst formalisatie van de taken waarmee u belast zult worden
  2. Tevens wenst u dat wordt vastgelegd dat u in geen enkel opzicht afstand doet van de rechten welke u meent te ontlenen aan de door u in het verleden bekleedde functie van Onder-Directeur Administratie van het Ministerie van Openbare werken
  3. U meent financieel niet rond te kunnen komen van de schadeloosstelling welke toegekend wordt aan parlementariërs, en heeft derhalve belang bij de instandhouding van de ambtenarenstatus en de daarbij behorende bezoldiging
  4. U wenst duidelijke afspraken ten aanzien van het combineren van uw lidmaatschap van De Nationale Assemblee en uw werkzaamheden als ambtenaar bij het Ministerie van Openbare Werken

Ten aanzien van het vorengaande, deel ik u het volgende mede:
Per resolutie gedateerd 25 oktober 2010, bureau [nummer], [nummer 2] bent u ontheven uit de functie van Onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken, en ter beschikking gesteld van de Minister van Openbare Werken. Aangezien u zich niet kunt verenigen met dit besluit heeft u ter zake de onafhankelijke rechter geadieerd, hetwelk uw goed recht is.Totdat anders is beslist door de rechter, blijft het regeringsbesluit echter in stand, en bent u ter beschikking van de Minister van Openbare Werken. Dit houdt in dat u op aangeven van de minister belast kunt worden met taken welke in overeenstemming zijn met uw opleidings- en ervaringsniveau. Indien u van mening bent dat het adviseren van de minister ten aanzien van beleidsvraagstukken van een lager niveau is dan het functioneren als onderdirecteur van het ministerie, dan is dat uw interpretatie en voor uw rekening.Verder acht ik het overbodig om vast te doen leggen dat u geen afstand doet van rechten welke u meent te ontlenen aan een functie die u in het verleden bekleedde. Ik veronderstel dat u bekend bent met het gegeven dat indien een onherroepelijke rechterlijke uitspraak u mocht herstellen in die functie, de rechten en plichten verbonden aan die functie, daarmee herleven.
(…)
Ten aanzien van het combineren van uw taken als lid van De Nationale Assemblee en die van ambtenaar op het Ministerie van Openbare Werken, geef ik u mee dat dezerzijds de medewerking zal worden verleend voor uw participatie aan de door de Griffier van de Nationale Assemblee uitgeschreven huishoudelijke en openbare vergaderingen, alsook de door de Griffier uitgeschreven vergaderingen van vaste commissies in welke u zitting heeft.Ik verwacht dat alle onzekerheden en onduidelijkheden welke bij u mochten hebben bestaan ten aanzien van uw functioneren op het ministerie, middels deze uiteenzetting zijn weggenomen. Derhalve wordt u – met verwijzing naar mijn eerdere brieven aan u – respectievelijk gedateerd 28 augustus 2013, kenmerk [nummer 4] en 2 september 2013, kenmerk [nummer 7] – middels deze nogmaals aangezegd zich zonder uitstel aan te melden bij de Minister van Openbare Werken voor hervatting van de werkzaamheden, en wel op de eerste werkdag volgend op de dagtekening van dit schrijven.Indien geen gehoor wordt gegeven aan deze aanzegging, zal het ministerie genoodzaakt zijn een tuchtrechtelijke procedure in te zetten.”

2.12 Bij schrijven d.d. 16 oktober 2013 heeft [verzoeker] onder meer het volgende aan de minister meegedeeld:
“Betreft: uw schrijven d.d. 11 oktober 2013
Geachte minister,
Ik heb met veel interesse kennis genomen van uw zienswijze over de wijze waarop u mij tegemoet wenst te komen met betrekking tot mijn wettelijke verplichtingen uit hoofde van mijn lidmaatschap van De Nationale Assemblee.
(…)
Deze kwestie verdient naar mening de nodige aandacht te krijgen opdat het geheel werkbaar blijft (overigens niet alleen voor mij maar ook voor andere parlementariërs in overheidsdienst). U kunt zich voorstellen dat ik niet in een positie wil komen waarbij ik mijn taken als parlementariër zou moeten verzaken.De invulling van de taken als parlementariër zijn zoals u weet niet beperkt tot het bijwonen van uitgeschreven huishoudelijke-, openbare- en commissievergaderingen.Mij is gebleken dat het doen van onderzoek, het voorbereiden van besprekingen en vergaderingen en het hebben van overleg met andere parlementariërs en deskundigen ook veel arbeidstijd in beslag neemt. Wil ik serieus inhoud geven aan mijn lidmaatschap van DNA dan is de beschikking over deze arbeidstijd onontbeerlijk. Ik zou u daarom, nu u mij klaarblijkelijk niet wenst tegemoet te komen in deze arbeidstijd en gelet op het feit dat mijn lidmaatschap over ruim anderhalf jaar al ten einde zal zijn, het voorstel willen doen om mij met behoud van salaris vrij te stellen van dienst.Ik zou graag een bespreking met u willen hebben over dit voorstel.Ik wil voor de volledigheid van de gelegenheid gebruik maken om te reageren op de overige inhoud van uw brief. De behoefte aan vastlegging van het standpunt dat ik geen afstand doe van mijn rechten is volgens mij gebruikelijk wanneer partijen een schikking treffen. Ook is het volgens mij op grond van de Personeelswet voorgeschreven dat de door de ambtenaar uit te voeren taken, immers zijn die gekoppeld aan een bevoegdheid, vooraf dienen te zijn omschreven. De functie dient volgens mij ook een grondslag te hebben in de op basis van de Personeelswet tot stand gekomen regelingen en/of besluiten. Ik heb met mijn stellingen hierover dus niet willen beweren dat het verrichten van werkzaamheden in het kader van het adviseren van de minister ten aanzien van beleidsvraagstukken van lager niveau zijn dan die verbonden aan de functie van onderdirecteur Administratieve Diensten. Ik wens slechts duidelijkheid vooraf. Volgens mij is het voor beide partijen wenselijk om vóóraf aan die duidelijkheid te werken.
(…)
Ik neem aan dat u begrip kunt opbrengen voor het feit dat ik als werknemer slechts duidelijkheid aan het vragen ben over de door mij te verrichten werkzaamheden, mijn functieaanduiding c.q. functiebenaming en mijn rechtspositie als ambtenaar en als parlementariër en dat u niet op grond hiervan tuchtrechtelijke maatregelen jegens mij treft.Ik wil bij dezen voor alle duidelijkheid tot slot nog benadrukken dat ik nog immer bereid ben mijn diensten als ambtenaar aan de overheid te verlenen. Ik stel overigens voor om, zolang op het hier vorenvermelde verzoek nog niet is beslist, duidelijke afspraken te maken over de wijze van afmelding in geval van andere verplichtingen, ziekte, verlof ect. van mijn zijde.”

2.13 [verzoeker] is bij schrijven van de minister d.d. 23 oktober 2013 in de gelegenheid gesteld zich te verweren, hetgeen hij ook heeft gedaan bij schrijven d.d. 28 oktober 2013.

2.14 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 20 mei 2014, Bureau [nummer 8], [nummer 9] (hierna: de schorsingsresolutie), is [verzoeker] geschorst voor een periode van 1 (één) maand met stilstand van het door hem uit staatskas genoten salaris. Daartoe is als volgt overwogen: “dat de heer drs. [verzoeker] (…) die bij resolutie d.d. 25 oktober 2010 bureau [nummer], res. [nummer 10] ontheven is uit de functie van Onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken en ter beschikking is gesteld van de Minister van Openbare Werken vanaf augustus 2013 diverse malen is aangezegd dan wel aangeschreven om zich te melden voor hervatting van de dienst;dat de heer Drs. [verzoeker] voornoemd tegen deze aanzeggingen c.q. aanschrijvingen onder andere heeft aangevoerd dat:
a.hij in de gelegenheid dient te worden gesteld zijn taken, voortvloeiende uit het lidmaatschap van De Nationale Assemblee, uit te voeren;
b.er vooraf duidelijkheid dient te zijn over zijn functiebenaming en formatieplaats binnen het Ministerie; c.er uitdrukkelijk dient te worden vastgelegd, dat hij in geen enkel opzicht afstand doet van de rechten die hij meent te ontlenen aan de functie van Onderdirecteur Administratie;
hoewel in reactie op de stellingen van de heer Drs. [verzoeker] meergenoemd, de standpunten van het Ministerie daaromtrent schriftelijk uiteen gezet en betrokkene tevens bij herhaling is aangezegd dan wel aangeschreven de dienst te hervatten, heeft hij zulks nagelaten;dat een dergelijk [sic] handeling ernstig plichtsverzuim oplevert en niet getolereerd kan worden;dat betrokkene per schrijven van de Minister van Openbare Werken d.d. 23 oktober 2013, kenmerk [nummer 11] in de gelegenheid is gesteld zich terzake schriftelijk te verweren en zulks ook heeft gedaan per schrijven d.d. 28 oktober 2013;

In zijn verweer stelt betrokkene onder andere:

  1. dat het onjuist is dat hij geen gevolg heeft gegeven aan aanzeggingen om zich te melden voor hervatting van de dienst, daar hij zich juist iedere keer heeft gemeld;
  2. dat zijn functie en werkzaamheden hem sinds zijn ontheffing niet bekend zijn, en dat hij hieromtrent steeds om duidelijkheid heeft gevraagd.

Dat het verweer echter niet steekhoudend is bevonden, aangezien:

  1. betrokkene zich weliswaar heeft gemeld voor een bespreking met de Minister op 30 augustus 2013, waarvoor hij uitgenodigd is geworden, doch hij zich nimmer heeft gemeld voor diensthervatting;
  2. de werkzaamheden waarmee hij belast zou worden, hem kenbaar zijn gemaakt per schrijven d.d. 2 september 2013, kenmerk [nummer 7].

Dat de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim is begaan, de ernst en de gevolgen daarvan het opleggen van de te melden tuchtstraf van schorsing in artikel 61 lid 1 aanhef onder h van de aangehaalde ‘Personeelswet’, rechtvaardigt.”

2.15 De schorsingsresolutie is bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Gangaram Panday, d.d. 16 juli 2014 no. 219, aan [verzoeker] betekend.

2.16 Bij schrijven van de minister d.d. 25 juli 2014, [nummer 12], is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk te verweren ter zake van – volgens dit schrijven – zijn nalaten om zich, ondanks herhaalde aanzeggingen daartoe, aan te melden voor het verrichten van werkzaamheden alsmede zijn negatieve publieke uitlatingen over het beleid van de regering, dan wel het gevoerde beleid op het ministerie, dan wel de persoon van de minister.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard. Tevens is gevorderd het in de schorsingsresolutie vervatte schorsingsbesluit nietig te verklaren en de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het schorsingsbesluit, de gevolgen ervan en de gronden waarop het berust en wel om de volgende redenen. De schorsing is op onjuiste feiten gebaseerd. Het schorsingsbesluit is gebaseerd op de in 2.2 genoemde ontheffingsresolutie. [verzoeker] is bij verzoekschrift van 22 februari 2011 bij het hof opgekomen tegen de ontheffingsresolutie. Zolang het hof niet heeft beslist over de rechtmatigheid van de ontheffingsresolutie, kan deze op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet tegen [verzoeker] worden gebruikt als grondslag voor het schorsingsbesluit. Verder heeft [verzoeker] zich niet aan plichtsverzuim schuldig gemaakt. Immers heeft [verzoeker] zich wel voor diensthervatting gemeld en is hem nimmer, ondanks herhaalde verzoeken, duidelijkheid verschaft over zijn functie, zijn functieomschrijving en de daarbij behorende taken. Voorts is de maatregel van schorsing met inhouding van het salaris heel ingrijpend voor [verzoeker] en zijn gezin en voor het functioneren van [verzoeker] als parlementariër. De Staat wil met het schorsingsbesluit zijn politieke macht demonstreren door [verzoeker] functioneren als parlementariër te bemoeilijken. Het schorsingsbesluit is, nu met de belangen van [verzoeker] geen rekening is gehouden, dan ook in strijd met het beginsel van een redelijke belangenafweging. Ook de vereiste zorgvuldigheid is ver te zoeken. Op grond van het voorgaande is het bestreden schorsingsbesluit onwettig en komt het derhalve in aanmerking voor algehele nietigverklaring.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. De vorderingen waarvan het hof als ambtenarenrechter bevoegd is kennis te nemen, zijn limitatief opgesomd in artikel 79 Pw. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring. De vordering van [verzoeker] strekt tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem de tuchtstraf van schorsing voor een maand met stilstand van salaris is opgelegd. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar een tuchtstraf van schorsing is opgelegd, als waarvan in dit geding sprake is, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. De schorsingsresolutie is op 16 juli 2014 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 14 augustus 2014 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in het gevorderde.

4.3 De Staat betwist dat de schorsing op onjuiste feiten is gebaseerd. De Staat voert in dit kader aan dat het schorsingsbesluit niet is gestoeld op de ontheffingsresolutie, maar op hetgeen zich na de ontheffing van [verzoeker] heeft voorgedaan. [verzoeker] heeft zich, ondanks daartoe te zijn aangezegd, nimmer aangemeld voor hervatting van de dienst, aldus de Staat.

4.4 Blijkens de schorsingsresolutie wordt [verzoeker], kort gezegd, verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim, daarin bestaande dat hij, ondanks vanaf augustus 2013 diverse malen te zijn aangezegd dan wel aangeschreven om zich te melden voor hervatting van de dienst, heeft nagelaten de dienst te hervatten.Geen der partijen heeft de verweeraanzegging d.d. 23 oktober 2013 overgelegd noch iets gesteld dan wel aangevoerd over de periode waarover [verzoeker] zich ter zake van plichtsverzuim diende te verweren. Het hof houdt het derhalve, gelet op de dagtekening van de verweeraanzegging en de inhoud van de schorsingsresolutie, ervoor dat het aan [verzoeker] verweten gedrag de periode van augustus 2013 tot en met 22 oktober 2013 betreft en het hof zal zijn beoordeling omtrent het vermeende plichtsverzuim dan ook tot deze periode beperken.

4.5.1 Het hof zal zich eerst buigen over de vraag of [verzoeker] zich heeft gedragen zoals bedoeld in de schorsingsresolutie, nu [verzoeker] dit ontkent.

4.5.2 De minister heeft [verzoeker] bij schrijven d.d. 28 augustus 2013 aangezegd zich op 30 augustus 2013 bij hem aan te melden voor hervatting van de dienst. De minister heeft, na op 30 augustus 2013 een gesprek te hebben gehad met [verzoeker] over diens wedertewerkstelling op het ministerie, laatstgenoemde bij schrijven d.d. 02 september 2013 meegedeeld welke de werkzaamheden zijn waarmee hij zal worden belast en hem aangezegd zich op de eerste werkdag na afloop van zijn verlof – dit is 30 september 2013 – aan te melden voor nadere instructies (zie 2.9). De minister heeft [verzoeker] vervolgens bij schrijven d.d. 11 oktober 2013 onder meer wederom aangezegd zich aan te melden voor hervatting van de werkzaamheden en wel op 14 oktober 2013 en voorts [verzoeker] meegedeeld dat, indien hij geen gehoor geeft aan deze aanzegging, het ministerie genoodzaakt zal zijn een tuchtrechtelijke procedure tegen hem in te zetten (zie 2.11).

4.5.3 [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onder meer het volgende verklaard:“Op uw vraag of ik mij heb aangemeld op mijn eerste werkdag na mijn verlof in september 2013 bij de minister, kan ik aangeven dat ik mij heb aangemeld om het werk te hervatten, maar dat het probleem met betrekking tot de onduidelijkheid van mijn taken er nog steeds was. Vandaar dat ik gevraagd heb aan de minister om eerst ontvangen te worden om de afspraken die mondeling op 30 augustus 2013 gemaakt zijn ten aanzien van mijn functioneren, de functie en mijn taakomschrijving en ook mijn functioneren als volksvertegenwoordiger te bespreken. Aangezien de minister niet aanwezig was heb ik een schrijven achtergelaten. Op uw vraag als ik mij heb aangemeld bij de minister nadat ik het schrijven van 11 oktober 2013 heb ontvangen kan ik aangeven dat ik direkt een schrijven heb gestuurd omdat het nog steeds niet duidelijk was welke functie en werkzaamheden ik moest uitvoeren.”

4.5.4 Een redelijke lezing van het schrijven van [verzoeker] d.d. 27 september 2013 en d.d. 16 oktober 2013 (zie 2.10 en 2.12) – in reactie op de aanzeggingen van de minister d.d. 02 september 2013 en d.d. 11 oktober 2013 – leidt naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie dan dat [verzoeker] over de door hem aangehaalde zaken in bedoeld schrijven eerst duidelijkheid wilde hebben, alvorens een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden. In zijn schrijven d.d. 27 september 2013 geeft [verzoeker] onder meer aan dat voor hem van belang is dat zijn nieuwe taken vooraf, dus voordat aan de uitoefening van de werkzaamheden in een andere functie wordt begonnen, duidelijk moeten zijn. Tevens maakt [verzoeker] in zijn schrijven d.d. 16 oktober 2013 onder meer gewag ervan dat hij slechts duidelijkheid vraagt omtrent de door hem te verrichten werkzaamheden, zijn functieaanduiding en zijn rechtspositie als ambtenaar tevens parlementariër en dat zulks geen grond oplevert voor het treffen van tuchtrechtelijke maatregelen jegens hem.

4.5.5 Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat [verzoeker], hoewel daartoe aangezegd, zich in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 niet heeft aangemeld om een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden. Het hof verwerpt derhalve de stelling van [verzoeker] dat hij zich wel heeft aangemeld voor hervatting van de dienst.

4.6 Thans is aan de orde de vraag of de in 4.5.5 als vaststaand aangenomen gedraging zijdens [verzoeker] (ernstig) plichtsverzuim oplevert. Het hof stelt voorop dat een werkgever die een werknemer uit zijn functie ontheft en hem vervolgens oproept om zich aan te melden voor de dienst, als goed werkgever ervoor dient zorg te dragen dat duidelijk is met welke werkzaamheden de werknemer bij zijn wedertewerkstelling zal worden belast.In de onderhavige zaak heeft de minister bij schrijven d.d. 02 september 2013 aan [verzoeker] kenbaar gemaakt met welke werkzaamheden hij zou worden belast, alsmede dat hij een werkplek op het ministerie krijgt toegewezen (zie 2.9). Naar het oordeel van het hof zijn vorenbedoelde werkzaamheden voldoende duidelijk omschreven en kon [verzoeker], vooral gelet op het feit dat hij zijn salaris als ambtenaar elke maand krijgt uitbetaald, in alle redelijkheid niet voorbijgaan aan de aanzegging van de minister om zich op 30 september 2013 voor nadere instructies aan te melden. Hieraan doet niet af dat aan [veroeker] naar eigen zeggen nog geen volledige duidelijkheid was verschaft omtrent onder meer de functieaanduiding, de formatieplaats en de afspraken omtrent de tegemoetkoming van het ministerie aan [verzoeker] ter zake van het verrichten van zijn werkzaamheden als parlementariër. In 4.9 gaat het hof nader op dit laatste in. Duidelijkheid over voormelde zaken kon immers ook na aanvang van de nieuwe werkzaamheden aan [verzoeker] worden verschaft. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] met zijn nalaten om zich, hoewel daartoe aangezegd, in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 aan te melden teneinde een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden, zich niet gedragen als het een goed en getrouw landsdienaar betaamt, één en ander zoals bepaald in artikel 36 Pw. [verzoeker] heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, welk plichtsverzuim in de schorsingsresolutie terecht als ernstig is aangemerkt.Het hof verwerpt, met inachtneming van het in 4.5.5 overwogene, derhalve de stelling van [verzoeker] dat het schorsingsbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert.

4.7 Vervolgens moet worden beantwoord de vraag of in casu sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. Naar het oordeel van het hof begreep [verzoeker] althans had hij kunnen begrijpen dat hij, in afwachting van de door hem gewenste duidelijkheid omtrent de zaken genoemd in 4.6, wel aan het werk diende te verschijnen, nu de aanzegging van de minister d.d. 02 september 2013 en d.d. 11 oktober 2013 niet voor andere uitleg vatbaar is. Dit leidt tot de slotsom dat het plichtsverzuim aan [verzoeker] kan worden toegerekend.

4.8 Het hof acht de aan [verzoeker] opgelegd tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand met inhouding van salaris niet onevenredig aan de ernst en de gevolgen van het door [verzoeker] gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Hiermee wordt de vraag of het plichtsverzuim de opgelegde tuchtstraf rechtvaardigt, bevestigend beantwoord.

4.9 Het hof merkt op dat de ambtenaar die besluit zich verkiesbaar te stellen als lid van De Nationale Assemblée, erop bedacht dient te zijn dat een eventuele verkiezing tot lid van dit college hem niet ontslaat van zijn verplichtingen als ambtenaar noch dat zulks voor de werkgever enige verplichting meebrengt om hem te accommoderen in zijn werkzaamheden als parlementariër.De kennelijke stelling van [verzoeker] dat het ministerie hem zodanig tegemoet moet komen dat hij niet alleen in de gelegenheid wordt gesteld om de door de griffier van De Nationale Assemblée uitgeschreven openbare en huishoudelijke vergaderingen alsmede de vergaderingen van de vaste commissies waarin hij zitting heeft, bij te wonen, maar ook dat hij daarnaast in de gelegenheid wordt gesteld om tijdens kantooruren andere, naar zijn zeggen, aan het ambt van parlementariër verbonden werkzaamheden te verrichten, vindt dan ook in geen enkele (wettelijke) bepaling steun.De visie van [verzoeker] brengt mee dat de ambtenaar die tevens parlementariër is, zelf kan bepalen wanneer zijn werkzaamheden als parlementariër toelaten dat hij zijn verplichtingen als ambtenaar vervult, terwijl hij maandelijks wel zijn vol salaris als ambtenaar opstrijkt. Deze visie is naar het oordeel van het hof onjuist.In dit kader siert het [verzoeker] allerminst dat hij bij schrijven d.d. 16 oktober 2013 de minister het voorstel heeft gedaan om hem met behoud van zijn salaris als ambtenaar vrij te stellen van dienst, zodat hij naar eigen zeggen niet in een positie komt te verkeren waarbij hij zijn taken als parlementariër zou moeten verzaken.

4.10 Een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, kan ingevolge het bepaalde in artikel 79 leden 1 tot en met 3 Pw nietig worden verklaard wegens strijd met een wettelijk voorschrift, wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dan wel op de grond dat die straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan.

4.11 Voor zover [verzoeker] betoogt dat het schorsingsbesluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor nietigverklaring in aanmerking komt, omdat het hof nog niet heeft beslist over de rechtmatigheid van het besluit tot de ontheffing van [verzoeker], zoals bedoeld in 2.2, volgt het hof [verzoeker] niet daarin. Immers, het schorsingsbesluit heeft als grondslag het aan [verzoeker] verweten plichtsverzuim, welk plichtsverzuim in rechte is komen vast te staan. De Staat heeft bovendien terecht aangevoerd dat zolang het ontheffingsbesluit niet nietig is verklaard, het in stand blijft. Naar het oordeel van het hof is strijd met het rechtszekerheidsbeginsel hier niet aan de orde.

4.12 Naar het hof begrijpt, betoogt [verzoeker] dat het schorsingsbesluit tot doel had het bemoeilijken van zijn functioneren als parlementariër, vanwege zijn kritische houding jegens de regering. Voor zover [verzoeker] hiermee erop doelt dat de President van zijn bevoegdheid tot het opleggen aan [verzoeker] van de in de schorsingsresolutie vermelde tuchtstraf, anders gebruik heeft gemaakt dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, volgt het hof [verzoeker] niet in voormeld betoog. Immers, hierboven is reeds overwogen dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim – kort gezegd het onwettig afwezig zijn van de dienst in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 – en dat hem daarvoor vorenbedoelde tuchtstraf is opgelegd.

4.13 Zoals hierboven in 4.8 reeds is overwogen acht het hof de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf niet onevenredig aan de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Naar het oordeel van het hof is met de belangen van [verzoeker] voldoende rekening gehouden en is van enige onzorgvuldigheid bij het nemen van het schorsingsbesluit geen sprake.

4.14 Uit het voorgaande volgt dat geen van de in 4.10 genoemde gronden voor nietigverklaring van het schorsingsbesluit aanwezig is, zodat de vordering zal worden afgewezen.

4.15 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.16 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] ontvankelijk in zijn vordering.

5.2 Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 december 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. G.R. Sewcharan namens advocaat mr. C.P. Baal en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. N.U. van Dijk,gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld