SRU-HvJ-2019-48

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-820
  • Uitspraakdatum 21 juni 2019
  • Publicatiedatum 16 september 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoeker vordert nietigverklaring van zijn ontslagbesluit . Het Hof is van mening dat verzoeker niet ontvangen dient te worden in zijn vordering omdat hij deze laat heeft ingesteld.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 
In de zaak van 
 
[verzoeker] 
wonende in het [district],  
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,  
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,  
 
tegen 
 
DE STAAT SURINAME,  
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie, 
zetelende te Paramaribo,  
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,  
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,  
spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.  

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 03 februari 2017. 
  
1. Het verdere procesverloop 
1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit: 

  • het proces-verbaal van het op 03 maart 2017 gehouden getuigenverhoor zijdens de Staat; 
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 21 juli 2017 waaruit blijkt dat [verzoeker] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof. 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 februari 2018, doch nader op heden. 
 
2. De verdere beoordeling 
2.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen. 
2.2 Bij ongedateerde akte van rectificatie, overgelegd ter terechtzitting van 07 februari 2014, heeft [verzoeker] verzocht dat in het verzoekschrift in stede van [verzoeker], zal worden gelezen [verzoeker variant],. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoeker] ter zake daarvan akte zal worden verleend. 
2.3 Een vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag vanaf welke dag [verzoeker] kennis droeg van het ontslagbesluit. Bij het tussenvonnis van 03 februari 2017 is de Staat toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis had van het ontslagbesluit. 
2.4 De Staat heeft als productie 1 bij zijn verweerschrift overgelegd een door de onderinspecteur van politie [naam 1] (hierna: [naam 1]) opgemaakt resumé d.d. 26 november 2013, waarin laatstgenoemde, kort gezegd, het volgende heeft vermeld. Op maandag 13 mei 2013 heeft [naam 1] zich samen met brigadier van politie [naam 2]. (hierna: [naam 2]) begeven naar de woning van [verzoeker] teneinde een voor [verzoeker] bestemde envelop, met daarin de ontslagbeschikking, aan hem uit te reiken. [verzoeker] was niet thuis en zijn broer [naam 3] heeft voormelde envelop in ontvangst genomen. [naam 1] heeft in tegenwoordigheid van [naam 2] aan voormelde broer van [verzoeker] gevraagd om aan [verzoeker] door te geven dat hij zo gauw mogelijk contact moest opnemen met de afdeling Interne Tuchtzaken. De volgende dag, dinsdag 14 mei 2013, heeft [verzoeker] inderdaad telefonisch contact gemaakt met bovengenoemde afdeling, waarbij [naam 1] hem te woord heeft gestaan. [verzoeker] heeft toen bevestigd de ontslagbeschikking te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben genomen. Hij vroeg wanneer het ontslag zou ingaan. [naam 1] heeft hem toen meegedeeld dat het ontslag ingaat op de dag volgende op die waarop [verzoeker] van de ontslagbeschikking kennis heeft genomen. [verzoeker] heeft [naam 1] vervolgens te kennen gegeven dat hij het heeft begrepen.  
2.5.1 Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft de Staat twee getuigen, te weten [naam 1] en [naam 2], doen horen. Ter gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor heeft [naam 1] hetgeen hij in voormeld resumé heeft vermeld, bevestigd. [naam 1] heeft tevens verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat hij met [verzoeker] zelf heeft gesproken. Hij heeft de stem van [verzoeker] kunnen herkennen, omdat hij vaker met hem in contact is geweest. [verzoeker] is namelijk vaker op de afdeling Interne Tuchtzaken geweest, alwaar [naam 1] toen werkzaam was, aldus [naam 1]. Volgens [naam 1] heeft hij [verzoeker] vaker ontmoet en gesproken, ook over straat. [naam 1] heeft ten slotte verklaard dat de stem van [verzoeker] verschilt met die van zijn broer. 
2.5.2 Ook [naam 2] heeft ter gelegenheid van gehouden getuigenverhoor de inhoud van voormeld resumé bevestigd. [naam 2] heeft daarbij, zakelijk weergeven, tevens het volgende verklaard. Op de dag volgende op die waarop [naam 1] en [naam 2] de envelop met daarin de ontslagbeschikking hadden afgegeven aan de broer van [verzoeker] op het adres van [verzoeker], waren zij, [naam 1] en [naam 2], op de afdeling Interne Tuchtzaken aanwezig. [naam 2] begreep op een gegeven moment van [naam 1] dat hij aan de telefoon was met [verzoeker]. [naam 2] heeft het gesprek gevolgd. Tijdens het gesprek noemde [naam 1] de naam van [verzoeker]. [naam 2] hoorde [naam 1] telefonisch doorgeven dat het ontslag zou ingaan de dag nadat kennis was genomen van de ontslagbeschikking.  
2.5.3 Het hof acht de Staat geslaagd in het bewijs. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het hof acht de door [naam 1] en [naam 2] onder ede afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat daarvan overigens zij, dat hij zich, ten tijde van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer, in het binnenland bevond en hij dientengevolge van voormelde afgifte niet op de hoogte was en derhalve geen contact kon hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag. Immers, het zich in het binnenland bevinden brengt, gezien de ontsluiting van grote delen van het binnenland op het gebied van de telecommunicatie, niet automatisch mee dat [verzoeker] niet telefonisch bereikbaar was voor zijn broer en dat [verzoeker] geen telefonisch contact had kunnen maken met de afdeling Interne Tuchtzaken. In het licht van de verklaringen van [naam 1] en [naam 2], had het op de weg van [verzoeker] gelegen om tegenbewijs aan te bieden, met name dat hij zich, op de dag van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer en de dag waarop hij telefonisch contact zou hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken, in het binnenland bevond en wel op een plek waar hij verstoken was van elke vorm van communicatie met de buitenwereld. [verzoeker] heeft dit echter nagelaten en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.  
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat bewezen is dat [verzoeker] op 14 mei 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag en derhalve dat hij op voormelde datum kennis droeg van het ontslagbesluit. 
2.6 Nu [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis droeg van het ontslagbesluit en hij de vordering strekkende tot nietigverklaring van dit besluit op 03 september 2013, derhalve meer dan een maand na 14 mei 2013, bij het hof heeft ingesteld, dient hij daarin op grond van artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest niet-ontvankelijk te worden verklaard. 
2.7 Uit het voorgaande volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft en dat dientengevolge de grondslag aan het mede gevorderde, te weten: de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang, met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest, alles onder verbeurte van een dwangsom, is komen te ontvallen, zodat dit dient te worden afgewezen.  
 
3.De beslissing  
Het hof: 
3.1 Verleent aan [verzoeker] akte van rectificatie als verzocht. 
3.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit. 
3.3 Wijst het meer of anders gevorderde af. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.  
w.g. S.C. Berenstein                                                          
w.g. D.D. Sewratan 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Koendan namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.  
 
Voor afschrift 
De Griffier van het Hof van Justitie, 
mr. M.E. van Genderen-Relyveld