SRU-HvJ-2019-49

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-818
  • Uitspraakdatum 19 juli 2019
  • Publicatiedatum 16 september 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoeker is bevorderd naar een naast hogere rang . Deze wordt na enige tijd ingetrokken. Verzoeker vordert nietigverklaring van het intrekkingsbesluit. Het Hof is van oordeel dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking in strijd met artikel 24 lid 3 Pw is genomen. Dit besluit is immers genomen nadat verzoeker reeds kennis droeg van haar bevordering .

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 
In de zaak van 
 
[verzoekster], 
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”, 
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,  
 
tegen 
 
DE STAAT SURINAME
met name het Ministerie van Justitie en Politie, 
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,  
kantoorhoudende te Paramaribo, 
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”, 
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, substituut officier van justitie, 
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit. 
 
1.Het procesverloop 
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen: 

  • het verzoekschrift met een productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 19 augustus 2013; 
  • het verweerschrift met producties ingediend op 11 november 2013; 
  • de beschikking van het hof van 03 januari 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 februari 2014; 
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen; 
  • de pleitnota, met een productie, d.d. 07 maart 2014; 
  • de antwoordpleitnota d.d. 04 april 2014; 
  • de repliekpleitnota, met een productie, d.d. 02 mei 2014; 
  • de dupliekpleitnota d.d. 06 juni 2014. 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden. 

2.De feiten 
2.1 [verzoekster] is op 17 april 2000 in dienst getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie. Zij is thans in vaste dienst bij de afdeling Algemene Dienst van voormeld ministerie. 
2.2 [verzoekster] is te rekenen van 01 juni 2008 bevorderd tot agent van politie 2e klasse. 
2.3 [verzoekster] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. [nummer 1] (hierna ook: de bevorderingsbeschikking) te rekenen van 01 juni 2011 bevorderd tot agent van politie 1e klasse. Daartoe is onder meer overwogen dat [verzoekster] gunstig is beoordeeld en dat zij voldoet aan de criteria zoals vastgesteld in artikel 48 van het Reglement Algemene Politie. 
2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie [nummer 2] (hierna ook: de intrekkingsbeschikking), is besloten de bevorderingsbeschikking in te trekken en [verzoekster] weer aan te stellen als agent van politie 2e klasse, te rekenen van de dag waarop dit besluit tot haar kennis wordt gebracht. Daartoe is overwogen: 
“- dat de Agent van Politie [verzoekster],  (…) bij beschikking de dato 17 januari 2012 just. [nummer 1] te rekenen van 1 juni 2011 is bevorderd tot Agent van Politie 1e klasse; 
– dat er abusievelijk een bevorderingsbeschikking voor mej. [verzoekster],  is opgemaakt tot Agent van Politie 1e klasse; 
– dat mej [verzoekster] was overgeplaatst naar het Ministerie van Regionale Ontwikkeling in de periode 26 april 2010 tot en met 01 oktober 2010 en dus een diensttijdonderbreking heeft gehad; 
 – dat mej. [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis lijdt; 
– dat betrokkene als gevolg van haar ziektebeeld slechts met administratieve werkzaamheden wordt belast en niet van een dienstvuurwapen wordt voorzien; 
– dat de beoordeling waarop de bevordering gebaseerd is, onjuist is bevonden; 
– dat betrokkene niet voldoet aan de eisen van benoembaarheid vastgesteld in artikel 48 lid 5 van het Reglement Algemene Politie en de betreffende bevorderingsbeschikking dient te worden ingetrokken.” 
2.5 [verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen. 
 
3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer 
3.1 [verzoekster] vordert, na rectificatie van het petitum, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de intrekkingsbeschikking, waarbij de Staat de beschikking tot bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse heeft ingetrokken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten. 
3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Staat in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 3 van de Personeelswet (Pw) de bevorderingsbeschikking heeft ingetrokken. 
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.  

4.De beoordeling 
4.1 [verzoekster] heeft bij pleitnota akte van rectificatie verzocht, in die zin dat in het petitum van het verzoekschrift in stede van ‘agent van politie 2e klasse’ zal worden gelezen: agent van politie 1e klasse. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoekster] ter zake daarvan akte zal worden verleend, zoals reeds in 3.1 tot uitdrukking is gebracht.  

Bevoegdheid 
4.2.1 Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:  
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;  
b.tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;  
c.tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.  
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:  
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld; 
b.tot verlaging van rang;  
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;  
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;  
e.tot schorsing of ontslag.  
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.  
4.2.2 De vordering van [verzoekster] strekt tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse, en weder aanstelling van [verzoekster] als agent van politie 2e klasse. [verzoekster] heeft aan deze vordering een dwangsom gekoppeld. Voormeld besluit behelst naar het oordeel van het hof de verlaging van de rang van [verzoekster] van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw dan ook bevoegd om van het gevorderde kennis te nemen. 

Ontvankelijkheid 
4.3 Op grond van artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 2 sub b Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit tot verlaging van rang niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen. Nu zij het verzoekschrift op 19 augustus 2013 heeft ingediend, derhalve binnen de termijn van een maand, is zij ontvankelijk in haar vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit behelzende de verlaging van haar rang van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse. 
4.4.1 Partijen twisten onder meer over de vraag of de bevorderingsbeschikking aan [verzoekster] is uitgereikt of niet. [verzoekster] heeft gesteld dat de bevorderingsbeschikking aan haar is uitgereikt, terwijl de Staat, naar het hof begrijpt, heeft aangevoerd dat bedoelde uitreiking nimmer heeft plaatsgevonden zodat het besluit tot de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse niet formeel te harer kennis is gebracht en [verzoekster] zich ook niet daarop kan beroepen. 
4.4.2 Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoekster], die niet door de Staat zijn weersproken, dat zij de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft ontvangen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [verzoekster] in de rang van agent van politie 1e klasse op de ‘Ranglijst KPS Politiepersoneel 2013’ nog voorkomt onder [nummer 3]. Op grond van het voorgaande wordt [verzoekster] geacht kennis te hebben genomen van het besluit tot haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. In dit licht kan het naar het oordeel van het hof in het midden blijven of de bevorderingsbeschikking al dan niet aan [verzoekster] is uitgereikt. Voor zover de Staat een andere mening is toegedaan, gaat hij uit van een onjuist standpunt. 
4.5.1 Ingevolge artikel 24 lid 1 en 2 Pw kan het bevoegde gezag een ambtenaar, die daarvoor op grond van zijn geschiktheid, bekwaamheid, betrouwbaarheid en ervaring in aanmerking komt, tot een hogere rang bevorderen en worden nadere algemene vereisten voor bevordering bij staatsbesluit vastgesteld.  
De Staat heeft aangevoerd dat [verzoekster] abusievelijk is bevorderd tot agent van politie 1e klasse te rekenen van 01 juni 2011. De Staat heeft daartoe onder meer verwezen naar de redenen vermeld in de, hierboven in 2.4 genoemde, intrekkingsbeschikking, waaronder het niet voldoen van [verzoekster] aan de in artikel 48 lid 6 van het Reglement Algemene Politie genoemde vereisten voor benoeming tot agent van politie 1e klasse – [verzoekster] heeft volgens de Staat niet vier jaren gediend in de rang van agent van politie 2e klasse noch ten minste twee jaren daarvan gediend buiten de gewesten Paramaribo en Suriname (Wanica) – en het lijden van [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis, te weten narcolepsie, als gevolg waarvan het dienstwapen van [verzoekster] werd ingenomen en [verzoekster] uiteindelijk slechts werd belast met administratieve werkzaamheden. Nu voormelde bevordering abusievelijk heeft plaatsgevonden, is deze conform wet en recht teniet gedaan middels de intrekkingsbeschikking, aldus de Staat. 
4.5.2 De bevoegdheid tot intrekking van een besluit tot bevordering van een ambtenaar is neergelegd in artikel 24 lid 3 Pw. Dit artikel schrijft voor dat een besluit tot bevordering, nadat dit ter kennis van de ambtenaar is gebracht, niet meer wegens strijd met een bepaling, vastgesteld bij of krachtens de voorgaande leden van dit artikel, kan worden ingetrokken of buiten werking gesteld. 
Het hof is van oordeel dat, gelijk [verzoekster] heeft betoogd, het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking in strijd met artikel 24 lid 3 Pw is genomen. Dit besluit is immers genomen nadat [verzoekster] reeds kennis droeg van haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. Het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking komt derhalve reeds wegens strijd met voormelde bepaling voor nietigverklaring in aanmerking. Daarbij komt dat de Staat pas elf maanden na de bevordering van [verzoekster] is overgegaan tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, overigens zonder voor het lange tijdsverloop een verklaring te geven. Voorts is [verzoekster], naar zij ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken heeft gesteld, voorafgaand aan de intrekking van de bevorderingsbeschikking niet door de Staat gehoord. Verder is gesteld noch gebleken dat [verzoekster] voorafgaand aan vorenbedoelde intrekking ten minste van het voornemen van de Staat daartoe op de hoogte is gesteld. Daarenboven staat als onweersproken in rechte tussen partijen vast dat [verzoekster] gedurende twee jaren met de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft rondgelopen, terwijl de Staat niet heeft aangevoerd dat hij op enig moment voormelde onderscheidingstekens vanwege de naar zijn mening onterechte bevordering van [verzoekster] heeft teruggenomen en zulks ook niet anderszins is gebleken. 
Aan het oordeel van het hof dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, doen niet af de door de Staat aangevoerde en in de intrekkingsbeschikking opgesomde redenen tot ongedaanmaking van de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse. 
4.6.1[verzoekster] heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Staat heeft daartegen aangevoerd dat [verzoekster] weet dat zij niet voldoet aan de vereisten voor haar benoeming tot agent van politie 1e klasse en dus ook weet dat zij geen aanspraak maakt op de bevordering, zodat er van een daartoe strekkend gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake kan zijn. 
4.6.2 Nu is overwogen dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, kan een bespreking van het beroep van [verzoekster] op het vertrouwensbeginsel achterwege blijven. 
4.7 Uit hetgeen hierboven in 4.5.2 is overwogen volgt dat de vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, zal worden toegewezen.  
4.8 De mede gevorderde dwangsom is niet gekoppeld aan het verder achterwege laten van een besluit of handeling dan wel het voortzetten of herhalen van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, zodat deze ingevolge artikel 79 lid 1 sub c van voormelde wet als ongegrond zal worden afgewezen. 
4.9 De gevorderde uitvoerbaar bijvoorraadverklaring van het vonnis zal eveneens worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist. 
4.10 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld. 
4.11 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking. 
 
5.De beslissing  
Het hof: 
5.1 Verleent aan [verzoekster] akte van rectificatie als verzocht, zoals overwogen in 4.1 van de beoordeling. 
5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie [nummer 2], vervatte besluit tot intrekking van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. [nummer 1], waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse. 
5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 19 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier. 
w.g. S.C. Berenstein                                                             
w.g. D.D. Sewratan 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door  mr. R. Gravenbeek namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. 

Voor afschrift 
De Griffier van het Hof van Justitie, 
mr. M.E. van Genderen-Relyveld