SRU-HvJ-2019-54

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-15224
  • Uitspraakdatum 18 oktober 2019
  • Publicatiedatum 29 oktober 2020
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Appellanten vorderen dat het vonnis in eerste aanleg, waarin is bevolen scheiding en deling van het perceel, wordt vernietigd.
    In artikel 1093 BW is bepaald dat niemand verplicht is in een onverdeelde boedel te blijven en dat de boedelscheiding te allen tijde kan worden gevorderd. Verkoop van een onverdeeld aandeel in een deel van de totale boedel staat op gespannen voet met dit wetsartikel. Een dergelijke verkoop is derhalve slechts toegestaan indien de overige deelgerechtigden daarvoor toestemming hebben verleend. In casu niet het geval. Het in eerste aanleg gewezen vonnis kan derhalve geen stand houden en zal worden vernietigd.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 
                                   In de zaak van 
 
[appellant a], 
[appellant b],  
wonende te [plaats 1]  in [land],  
appellanten, hierna aangeduid als “[appellanten]”, 
gemachtigde: mr. R.L. Kensmil, advocaat,  
 
tegen 
 
[geïntimeerde 1], 
wonende te [plaats 1],[land], 
[geïntimeerde 2], 
wonende te [plaats 2],[land], 
[geïntimeerde 3], 
wonende te [plaats 1],[land], 
[geïntimeerde 4]
wonende te [plaats 1],[land], 
[geïntimeerde 5], 
wonende te [plaats 1],[land], 
[geïntimeerde 6], 
wonende te [plaats 1],[land], 
[geïntimeerde 7], 
wonende te [plaats 1],[land], hierna gezamenlijk aangeduid als “[geïntimeerden]”, 
[geïntimeerde 8] , 
wonende in het [district], 
hierna aangeduid als “[geïntimeerde 8]”, 
geïntimeerden, 
gemachtigde voor [geïntimeerde 8]: mr. F.F.P. Truideman, advocaat, 
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 november 2016 (A.R.No. 12-3949) tussen  geïntimeerden als eisers en appellanten als gedaagden, 
spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.  
 
Het procesverloop in hoger beroep 
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:  

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] bij schriftelijke verklaring van hun procesgemachtigde op 22 november 2016 hoger beroep heeft ingesteld; 
  • de pleitnota d.d. 2 februari 2018, met een productie;  
  • de antwoord pleitnota d.d. 16 maart 2018, met een productie;  
  • de repliek pleitnota d.d. 6 april 2018;  
  • de dupliek pleitnota d.d. 4 mei 2018.

[geïntimeerden]  zijn, ondanks behoorlijke oproeping, in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen. 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden. 
 
De ontvankelijkheid 
2.Partijen waren ter terechtzitting vertegenwoordigd op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg, d.d. 14 november 2016.  
[appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 22 november 2016 appèl aangetekend. 
Gelet op het voorgaande hebben zij tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep. 
 
De feiten 
3.1 [appellanten] en [geïntimeerden]  zijn de wettige kinderen van [naam 1] en [naam 2]. 
3.2 [naam 1], hierna aangeduid als “de moeder”, is op 15 augustus 2003 te [plaats1] overleden. 
3.3 Mr. Pali Ferencz Wilhelm Sebök, notaris te [plaats 1], heeft in een door hem opgestelde verklaring van erfrecht d.d. 3 december 2003 verklaard dat [appellanten] en [geïntimeerden]  gezamenlijk bevoegd zijn om over de goederen van de nalatenschap van de moeder te beschikken. 
3.4 De onverdeelde nalatenschap van de moeder bestond uit een zestal in Suriname gelegen percelen waaronder een perceelland groot 4 ha., met de daarop staande gebouwen en beplantingen, gelegen in het [district] aan het [Pad], thans bekend als [adres] en deel uitmakende van het voormalig land van de [plantage] , hierna aangeduid als “het perceel”. 
3.5 [geïntimeerden] hebben bij onderhandse overeenkomsten van 18 maart 2012, 29 maart 2012 en 30 maart 2012 verklaard dat zij hun aandeel in het perceel verkopen aan [geïntimeerde 8].  
 
De procedure in eerste aanleg 
4.1 [geïntimeerden]  en [geïntimeerde 8] hebben in eerste aanleg gevorderd [appellanten] te veroordelen met hen over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de moeder, van het perceel, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon alles volgens de wet. Bij repliek is gevorderd de eis aan te vullen met een zestal in die conclusie genoemde perceellanden. 
4.2 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 14 november 2016 [geïntimeerden]  niet ontvankelijk verklaard in hun vordering en heeft [appellanten] veroordeelt om binnen een maand na de betekening van het vonnis met [geïntimeerde 8] over te gaan tot scheiding en deling van het perceelland behorende tot de nalatenschap van de moeder, met benoeming van een notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden en onzijdige personen namens partijen. 
4.3 De kantonrechter heeft in de beoordeling die heeft geleid tot de beslissing het verweer van [appellanten] dat [geïntimeerde 8] geen erfgenaam is en de door [geïntimeerden]  met [geïntimeerde 8] gesloten verkoopovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn omdat deze gesloten dienden te worden met medewerking van alle erfgenamen, verworpen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerden]  partiele scheiding en deling vorderen van de nalatenschap en wel slechts ten aanzien van het perceel. Geoordeeld is dat het ingevolge de Surinaamse rechtspraktijk en jurisprudentie partiele scheiding en deling is toegestaan, alsook de verkoop van de aandelen van een bepaalde tot de nalatenschap behorende zaak, zodat de met [geïntimeerde 8] gesloten overeenkomsten rechtsgeldig zijn en het gevorderde toewijsbaar is.   
 
De vordering, de grieven en het verweer 
5.1 [appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van [geïntimeerden]  en [geïntimeerde 8] om met hen over te gaan tot de scheiding en deling van alle zes percelen behorend tot de nalatenschap van de moeder, waarbij de overige vorderingen vermeld in eerste aanleg in het petitum worden toegewezen. 
5.2 [appellanten] hebben ter onderbouwing van de vordering in hoger beroep gesteld dat zij veroordeeld zijn om met een niet-deelgerechtigde persoon over te gaan tot scheiding en deling van een perceel behorend tot de nalatenschap van de moeder. 
Als grief is verder aangevoerd dat de verkoop van de 7/9de onverdeeld aandeel in het perceel is verricht zonder toestemming of medewerking van hen, [appellanten], zodat die verkoop elk rechtsgevolg ontbeert. 
Voorts is aangevoerd dat de kantonrechter in eerste aanleg ervan uitgaat dat ingevolge de Surinaamse rechtspraktijk en jurisprudentie zowel partiele scheiding en deling is toegestaan, alsook de verkoop van de aandelen in een bepaalde tot de nalatenschap behorende onroerende zaak, maar dat de rechter geen rechtsbronnen noemt waaruit het een en ander zou blijken. Bestreden is dat zulks het geval is. Tevens is aangevoerd dat rechterlijke beslissingen niet in strijd mogen zijn met het bepaalde in artikel 365 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.). 
5.3 [geïntimeerden]  hebben verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan. 

De beoordeling  
6.1 Het Hof constateert dat [appellanten] zowel vernietiging van het vonnis in eerste aanleg gewezen, vorderen en bij pleitnota een reconventionele vordering instellen.  
Artikel 182 lid 2 Rv bepaalt evenwel dat indien in eerste aanleg een eis in reconventie niet is gedaan, dit niet meer mag geschieden in hoger beroep.   
Ingevolge artikel 183 Rv. moet de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord van de verweerder in conventie worden gedaan.  
Nu [appellanten] pas bij pleitnota (in hoger beroep) een eis in reconventie hebben gedaan zijn zij tardief. [appellanten] is derhalve niet ontvankelijk in de reconventionele vordering. 
6.2 Het Hof begrijpt uit het verzoekschrift en het petitum dat in het inleidend verzoekschrift  scheiding en deling van het perceel is gevorderd. 
In artikel 1093 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat niemand verplicht is in een overdeelde boedel te blijven en dat de boedelscheiding te allen tijde kan worden gevorderd. Verkoop van een onverdeeld aandeel in een deel van de totale boedel staat op gespannen voet met dit wetsartikel. Daardoor ontstaan immers meerdere onverdeeldheden, zodat de boedelscheiding voor de deelgerechtigden die niet aan de verkoop hebben meegewerkt, wordt bemoeilijkt. Een dergelijke verkoop is derhalve slechts toegestaan indien de overige deelgerechtigden daarvoor toestemming hebben verleend. 
In casu is zulks niet het geval. 
[geïntimeerden] hebben hun aandeel in het perceel, dat deel uitmaakt van een grotere boedel, verkocht aan [geïntimeerde 8], zonder dat [appellanten] daartoe hun toestemming hebben verleend. [geïntimeerde 8] heeft derhalve weliswaar een vordering tot levering op [geïntimeerden] , maar [geïntimeerden]  kunnen slechts tot levering overgaan indien het perceel aan hen wordt toegewezen. Zulks is evenwel (nog) niet het geval, zodat [geïntimeerde 8] naar het oordeel van het Hof niet ontvankelijk is in de gevorderde scheiding en deling. 
Het in eerste aanleg gewezen vonnis kan derhalve geen stand houden en zal worden vernietigd. 
 6.3 In eerste aanleg hebben [geïntimeerden]  bij conclusie van repliek gevorderd het inleidend verzoekschrift aan te vullen met zes tot de boedel behorende percelen. 
Nu het petitum niet is aangevuld, en derhalve scheiding en deling is gevorderd van slechts een deel van de nalatenschap van de moeder, is de vordering niet toewijsbaar aangezien [appellanten] als de overige deelgerechtigden, zich tegen de partiële scheiding en deling verzetten.  
6.4 [geïntimeerden]  en [geïntimeerde 8] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden verwezen. 

7. De beslissing in hoger beroep 
Het Hof:   
7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 14 november 2016, A.R.No. 12-3949 en opnieuw recht doende: 
I.   Verklaart [geïntimeerde 8] niet ontvankelijk in zijn vordering. 
II.  Wijst de vordering van [geïntimeerden]  af.  
III. Veroordeelt [geïntimeerden]  en [geïntimeerde 8] in de kosten aan de zijde van [appellanten] gevallen en tot aan de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg begroot op nihil. 
7.2 Veroordeelt [geïntimeerden]  en [geïntimeerde 8] in de kosten van het geding aan de zijde van [appellanten] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 610,–. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door de  Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier. 

w.g. S.C. Berenstein                                         w.g. D.D. Sewratan 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. J.S. Tamsiran namens advocaat mr. R.L. Kensmil, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat  
mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. 

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie, 
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld