SRU-HvJ-2019-55

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-788
  • Uitspraakdatum 07 juni 2019
  • Publicatiedatum 01 oktober 2020
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Verzoeker vordert nietig verklaren van zijn ontslagbeschikking. Hij geeft aan dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de ABBB’s. Het Hof is van oordeel dat zijn beroep op de ABBB’s faalt en dient zijn verzoek te worden afgewezen.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 
                      In de zaak van 
 
[verzoeker], 
wonende in het [district] ,  
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”, 
gemachtigde: mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaat, 
 
tegen 
 
DE STAAT SURINAME,  
met name het Ministerie van Defensie, 
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, 
kantoorhoudende te Paramaribo, 
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”, 
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning,  
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.  

1.Het procesverloop 
 
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen: 

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 17 oktober 2012; 
  • het verweerschrift met een productie d.d. 14 januari 2013; 
  • de beschikking van het hof van 11 februari 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 maart 2013, welk verhoor is verplaatst naar 19 juli 2013; 
  • het proces-verbaal van het op 19 juli 2013 gehouden verhoor van partijen;  
  • de pleitnota d.d. 17 januari 2014; 
  • de antwoord pleitnota d.d. 21 maart 2013 (ten onrechte aangeduid als conclusie van dupliek); 
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat [verzoeker] voor repliek en vervolgens de Staat  voor  dupliek  heeft  gepersisteerd.  

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden. 

2.De feiten 
2.1 [verzoeker] is in dienst geweest van de Staat in de rang van sergeant eerste klasse. 
2.2 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 23 juli 2012, Bureau no. PW/no. [nummer 1]  (hierna: de ontslagbeschikking) is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) juncto artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet (Pw), ontslag uit Staats (militaire) dienst verleend wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den Lande. Daartoe is overwogen: 
“- dat aan de sergeant der eerste klasse, in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, tewerkgesteld bij de Landmacht, de heer [verzoeker],(…) te rekenen van 01 april 2005 ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub k van de “Personeelswet”, ontslag is verleend, wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den Lande; 
– dat bij vonnis van het Hof van Justitie van 17 februari 2012 A 767, de ontslagbeschikking van 13 oktober 2005 [nummer 2] van de sergeant der eerste klasse, de heer [verzoeker] nietig is verklaard; 
– dat aan deze nietigverklaring ten grondslag ligt dat de heer [verzoeker] niet op rechtens juiste wijze in kennis is gesteld van het besluit van de Minister van Defensie om hem te ontslaan op grond van het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den lande en wel op 01 april 2005; en hij niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren voor het niet hervatten van zijn dienst op 01 april 2005; 
– dat het salaris zal worden berekend vanaf 11 juni 2008 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze wordt beëindigd, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 juli 2009 tot aan de dag van de daadwerkelijke betaling; 
– dat de sergeant der eerste klasse, de heer [verzoeker], bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van het Ministerie van Defensie van 16 mei 2012 alsnog in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren; 
– dat de heer [verzoeker] zich bij ongedateerd schrijven heeft verweerd, waarbij hij prive-omstandigheden zoals problemen met zijn minderjarige kinderen, het oprichten van een winkel in [plaats] en het hebben van een emotionele band met [plaats] heeft aangehaald als redenen voor het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den lande; 
– dat deze redenen in het verweerschrift niet steekhoudend zijn bewezen. Dat per brief afkomstig van de Onderdirecteur personeel en Algemeen van 25 mei 2012 betrokkene in kennis is gesteld van de bevindingen en beslissing op zijn verweerschrift; 
– dat de heer [verzoeker] door het stellen van zijn privebelang boven het dienstbelang gedurende ruim 3 jaar twijfels heeft doen ontstaan over zijn betrouwbaarheid als militair en wel als onderofficier, terwijl juist de militaire organisatie op de betrouwbaarheid van haar leden moet kunnen rekenen om haar grondwettelijke opgedragen taken te kunnen uitvoeren; met andere woorden betrokkene heeft zich zonder opgaaf van reden en zonder berichtgeving aan de dienst onttrokken van de aan hem opgedragen werkzaamheden; 
– dat in verband met het voorgaande, betrokkene ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub k van de “Personeelswet”, uit Staats (militaire) dienst dient te worden ontslaan wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den Lande.” 
2.3 De Staat heeft de ontslagbeschikking bij exploot van deurwaarder L. Tran van Can-Doesburg d.d. 14 augustus 2012, no. K-792, doen betekenen aan [verzoeker] middels afgifte van een afschrift daarvan aan de procureur-generaal.  

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer 
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de ontslagbeschikking zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard, met veroordeling van de Staat tot rehabilitatie van [verzoeker] in de rang waarin hij diende, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat weigert aan het vonnis uitvoering te geven. 
3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het ontslagbesluit nietig is omdat de Staat bij het nemen daarvan geen rekening heeft gehouden met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten: het motiverings-, het gelijkheids-, het fair play beginsel, het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individuele geval en het proportionaliteitsbeginsel.  
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan. 
 
4.De beoordeling 
4.1 Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. 
Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een militaire ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is. 
Het hof is op grond van artikel 79 lid 5 Pw niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. De mede gevorderde rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang kan niet worden gecategoriseerd onder vorenbedoelde limitatieve opsomming, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. 
Ten overvloede wordt overwogen dat voormelde vordering tot rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een landsdienaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht. 
4.2 Gelet op de door de Staat erkende stellingen van [verzoeker] staat rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker], nadat zijn salaris over de maand augustus 2012 niet was uitbetaald, hierover in contact is getreden met het Ministerie van Defensie en dat hij door dit ministerie is verwezen naar de procureur-generaal, te wiens parket hij de ontslagbeschikking op 24 september 2012 in ontvangst heeft genomen. Door de indiening door [verzoeker] van het inleidend verzoekschrift op 17 oktober 2012 is hij binnen de gestelde wettelijke termijn van een maand opgekomen tegen het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering. 

Strijd met het motiveringsbeginsel 
4.3 Het beroep van [verzoeker] op dit beginsel faalt. Het door hem gestelde levert geen inbreuk op dit beginsel op. De Staat heeft in de ontslagbeschikking, naar het oordeel van het hof, voldoende gemotiveerd overwogen, kort gezegd, dat [verzoeker] zijn privébelang heeft gesteld boven het dienstbelang en voorts dat hij, door zich zonder opgaaf van reden en zonder berichtgeving aan de dienst te onttrekken, gedurende ruim 3 jaar twijfels heeft doen ontstaan over zijn betrouwbaarheid als militair en wel als onderofficier, terwijl juist de militaire organisatie op de betrouwbaarheid van haar leden moet kunnen rekenen om haar grondwettelijk opgedragen taken te kunnen uitvoeren. In dit licht is het evident dat het dienstbelang door [verzoeker] is geschonden en alleszins begrijpelijk dat de Staat de betrouwbaarheid van [verzoeker] in twijfel heeft getrokken. Aan het door [verzoeker] gedaan bewijsaanbod ter zake van zijn betrouwbaarheid, wordt dan ook als niet ter zake dienend voorbijgegaan. Voorts is de omstandigheid dat [verzoeker] niet wegens desertie strafrechtelijk is vervolgd, zoals gesteld door [verzoeker], niet één die de administatie regardeert.  
 
Strijd met het gelijkheidsbeginsel 
4.4.1 [verzoeker] stelt voorts dat de Staat het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door gelijke gevallen niet gelijk te behandelen. Volgens [verzoeker] heeft de Staat hem namelijk ontslagen, terwijl andere militaire ambtenaren aan wie hetzelfde verwijt als hem is gemaakt, niet zijn ontslagen. [verzoeker] verwijst in dit kader naar het geval van de militair [naam 1].  
4.4.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist in strijd te hebben gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan niet bekend te zijn met het geval van de militair [naam 1]. Hij voert verder aan dat [verzoeker] er verstandig aan doet het geval van [naam 1] in het geding te brengen, zodat hij, de Staat, maar ook het hof kan oordelen of sprake is van gelijke gevallen die niet op soortgelijke wijze zijn afgehandeld.  
4.4.3 In het licht van de betwisting door de Staat had het op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stelling dat de Staat het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. [verzoeker] heeft zich weliswaar bij pleitnota, naast het geval van de militair [naam 1], beroepen op de gevallen van [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5], maar deze gevallen kunnen, anders dan [verzoeker] kennelijk meent, niet geacht worden zijn stelling te onderbouwen. Deze gevallen gaan – aldus [verzoeker] zelf – over militairen die bij strafvonnis zijn veroordeeld wegens het plegen van diverse strafbare feiten, terwijl het bij [verzoeker] erom gaat dat hij is ontslagen wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof. Nu het niet om gelijke gevallen gaat en [verzoeker] geen andere feiten en omstandigheden ter adstructie van zijn stelling heeft aangedragen, moet daaraan als onvoldoende onderbouwd worden voorbijgegaan.  
 
Strijd met het fair play beginsel 
4.5.1 [verzoeker] stelt ook dat de Staat in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld en wel op grond van het volgende. De Staat is partijdig en wil [verzoeker] per se ontslaan. [verzoeker] was in 2008 (het hof begrijpt: 2005) reeds ontslagen, welk ontslag hij met succes heeft aangevochten. De Staat heeft hem daarna wederom ontslag verleend wegens hetzelfde eerder aan hem gemaakte verwijt en met toepassing van dezelfde wettelijke bepalingen. Voorts diende de Staat [verzoeker] in kennis te stellen van het ontslagbesluit, zodat [verzoeker] tijdig rechtsmiddelen daartegen kon aanwenden. 
4.5.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist het fair play beginsel te hebben geschonden. Hij voert aan dat [verzoeker] bij schrijven van 25 mei 2012 in kennis is gesteld van de bevindingen over en de beslissing op zijn verweerschrift en dat [verzoeker], na een onjuist gebleken vaststelling, bij beschikking d.d. 23 juli 2012 is ontslagen. De Staat heeft ook aangevoerd dat op geen enkele wijze is gebleken dat [verzoeker] is gehinderd in het aanwenden van rechtsmiddelen. 
4.5.3 Kern van het fair play beginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is, dat een bestuursorgaan de burger de gelegenheid biedt zijn procedurele kansen te benutten en de burger hierin niet op oneerlijke wijze benadeelt. Er moet met andere woorden ‘eerlijk spel’ worden gespeeld. Naar het oordeel van het hof is van strijd met dit beginsel geen sprake. Overwogen wordt dat de Staat, naar zijn gevolmachtigde, majoor Duurham, ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen heeft verklaard, de dienstbetrekking met [verzoeker] middels de bestreden ontslagbeschikking op rechtsgeldige wijze wilde beëindigen, nadat de beschikking d.d. 13 oktober 2005, waarbij [verzoeker] reeds in 2005 ontslag werd verleend, wegens de daaraan klevende gebreken door het hof nietig was verklaard. [verzoeker] is in dit kader in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof kon de Staat (wederom) tot beëindiging van de dienstbetrekking met [verzoeker] overgaan, nu de grond voor het eerdere ontslag, te weten: het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof buiten bezwaar van den Lande, recht overeind staat. Van de Staat kan immers in alle redelijkheid niet worden verwacht dat hij de dienstbetrekking met [verzoeker] laat voortduren. Voorts is van een belemmering van [verzoeker] om tijdig rechtsmiddelen tegen het ontslagbesluit te kunnen aanwenden, gelet op hetgeen hierboven in 4.2 is overwogen, niet gebleken. Het beroep op voormeld beginsel faalt. 

Strijd met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individuele geval. 
4.6.1 [verzoeker] stelt dat uit de ontslagbeschikking niet blijkt dat de Staat met zijn persoonlijke omstandigheden rekening heeft gehouden, zodat dit beginsel niet in acht is genomen. Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] dat hij in dit kader (tevens) een beroep doet op artikel 63 lid 4 Pw. [verzoeker] stelt dat de Staat onder meer geen rekening heeft gehouden met de problemen met zijn minderjarige kinderen, die volgens hem mede redengevend zijn geweest voor het zich niet op tijd aanmelden voor de dienst. [verzoeker] stelt voorts dat de Staat voorafgaand aan het aan hem verleend ontslag, niet eens een gesprek heeft gevoerd met zijn kinderen om te weten wat de problemen waren en dat de Staat weigert een sociaal maatschappelijk onderzoek in te stellen naar zijn omstandigheden. 
4.6.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist in strijd te hebben gehandeld met voormeld beginsel en geen rekening te hebben gehouden met artikel 63 lid 4 Pw. De Staat verwijst in dit kader naar de ontslagbeschikking waarin is overwogen dat [verzoeker] in zijn ongedateerd verweerschrift privéomstandigheden, zoals problemen met zijn minderjarige kinderen, het oprichten van een winkel in [plaats] en het hebben van een emotionele band met [plaats], heeft aangehaald als redenen voor het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den lande. De Staat voert aan dat [verzoeker] hiermee heeft aangegeven dat hij zijn privébelangen boven het dienstbelang stelt en dat hij niet de intentie had om zijn diensten te hervatten. 
4.6.3 [verzoeker] faalt ook in zijn beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hof merkt op dat artikel 63 lid 4 Pw toepassing mist, aangezien het hier niet gaat om een tuchtstraf van ontslag wegens plichtsverzuim maar om ontslag dat is verleend anders dan wegens plichtsverzuim. Uit de ontslagbeschikking blijkt dat de Staat, gelijk hij heeft aangevoerd, wel rekening heeft gehouden met de door [verzoeker] vermelde redenen voor het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof, doch dat hij van oordeel is dat deze redenen niet steekhoudend zijn gebleken. Het hof overweegt dat de Staat de door [verzoeker] vermelde redenen heeft kunnen verwerpen, aangezien deze op zichzelf niet meebrengen dat [verzoeker] niet in staat geacht mocht worden zich op tijd aan te melden voor de dienst na afloop van zijn verlof. 

Strijd met het proportionaliteitsbeginsel 
4.7.1 [verzoeker] stelt, kort gezegd, dat de Staat het proportionaliteitsbeginsel heeft geschonden door hem de zwaarste (tucht)straf van ontslag op te leggen, terwijl de Staat gelet op de vaste jurisprudentie, volgens welke een tuchtrechtelijke sanctie in overeenstemming moet zijn met de ernst van het plichtsverzuim, een lichtere straf diende op te leggen. 
4.7.2 Het beroep op dit beginsel faalt. Naar het oordeel van het hof is de aan [verzoeker] verweten gedraging, kort gezegd: het ruim 3 jaren lang niet aan het werk verschijnen na afloop van zijn verlof, zodanig ernstig dat het besluit tot het verlenen van ontslag als uiterste middel gerechtvaardigd is.  
4.8 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grondslag aan het gevorderde is komen te ontvallen, zodat de vordering dient te worden afgewezen.  
4.9 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking. 

5.De beslissing  
Het hof: 
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering tot rehabilitatie van [verzoeker] in de rang waarin hij diende. 
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran,  Leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier. 
w.g. S.C. Berenstein                                               
w.g. D.D. Sewratan 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat S.M. Ramman, BSc. namens advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen. 
 
Voor afschrift 
De Griffier van het Hof van Justitie, 
mr. M.E. van Genderen-Relyveld