SRU-HvJ-2019-6

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14986
  • Uitspraakdatum 02 augustus 2019
  • Publicatiedatum 28 mei 2020
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Uitspraak van de Kantonrechter wordt bevestigd, het pensioen verweer is geslaagd.

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[appelant],
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als ’de man’,
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ’de vrouw’,
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R.No. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis de dato 21 juli 2017.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het proces-verbaal van gehouden comparitie van partijen d. 15 december 2017;
  • De conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde genomen namens de man op 19 januari 2019;
  • De conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde genomen namens de vrouw op 4 mei 2018;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens nader bepaald op heden;
  1. De verdere beoordeling

2.1 Het hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis de dato 21 juli 2017 is overwogen en beslist, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder overweging 2.7 van dit vonnis.

2.2. Bij voormeld tussenvonnis werd een comparitie gelast tot het inwinnen van inlichtingen met betrekking tot hetgeen in voormeld tussenvonnis onder 8.8 is overwogen. Bij die gehouden comparitie is de vrouw verschenen en heeft de man verstek laten gaan.

2.3 Bij genoemde comparitie gehouden op 15 december 2017 heeft de vrouw, zakelijk weergegeven en voor zover in dit kader hier van belang, aangevoerd, dat:

a. zij niet meer werkt, maar wel ooit heeft gewerkt, (ze heeft acht jaren gewerkt) bij Telesur en wel van 1975 tot augustus 1983;
b. zij in 1982 met de man is getrouwd en dat zij en haar man samen alles hebben opgebouwd; haar man nog steeds bij Staatsolie werkt; hij 60 jaar oud wordt en zij 62 jaar oud is;
c. hij voorheen altijd wat geld stortte voor haar op haar rekening, doch dat hij hiermee stopte in het begin van het jaar 2013;

2.4 Namens de man is door diens raadsman gesteld, dat het bedrijf waar de man werkzaam is een weduwenpensioenregeling heeft waar de vrouw mogelijk aanspraak op zou kunnen maken indien zij niet vóór de man het aardse leven verlaat. Naar het oordeel van het Hof gaat deze stelling niet op. Het gaat er immers juist om dat de vrouw niet als weduwe van de man zou worden aangemerkt en uit dien hoofde geen aanspraak zou kunnen maken op genoemde weduwenpensioenregeling, indien het huwelijk tussen partijen door echtscheiding zou zijn ontbonden en de man daarna zou komen te overlijden terwijl de vrouw nog in leven zou zijn. In deze situatie zou de weduwenpensioenregeling  aan de neus van de vrouw voorbijgaan.

2.5 Voorts is door de man opgeworpen dat het beroep op het pensioenverweer niet opgaat, indien:

  1. redelijkerwijs te verwachten is dat de vrouw, bij overlijden van de man vóór haar, zelf voldoende voorzieningen kan treffen en
  2. indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegen de mate aan haar te wijten is.

Uit de stellingen en weren van partijen over en weer is het het Hof reeds gebleken dat de duurzame ontwrichting niet aan de man noch aan de vrouw in overwegende mate is toe te rekenen. Als niet weersproken staat vast dat het bestaand vooruitzicht van de vrouw op uitkering van weduwenpensioen aan haar zal teloorgaan of in ernstige mate zal verminderen na echtscheiding indien daaromtrent geen voorzieningen zijdens de man zijn getroffen. Door de man is gesteld dat partijen sedert 2008 niet meer samenwonen en dat de vrouw dus zelf voorzieningen voor haar levensonderhoud heeft getroffen. Dit is door de vrouw weersproken. Zij heeft daartoe – kort gezegd – gesteld afhankelijk te zijn van haar schoonouders en haar zonen.

Voorts is door de man gesteld dat de vrouw de en/of rekening van partijen heeft leeggehaald en dat zij alle onroerende goederen reeds op haar naam heeft. Ook dit is door de vrouw weersproken. De man heeft geen bewijs aangeboden van zijn aangevoerde stellingen en het Hof ziet geen aanleiding om de man ambtshalve bewijs op te dragen.

2.6 De man heeft de door het Hof gelaste comparitie van partijen, die met name diende om informatie van de man te verkrijgen teneinde te komen tot een voorziening als bedoeld in rechtsoverwegingen 8.7 en 8.8 van het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis de dato 21 juli 2017, niet benut door aanwezig te zijn en/of met een concreet voorstel onderbouwd met relevante documenten te komen over een te treffen voorziening voor de vrouw. De man heeft op geen enkel moment bereidheid getoond te willen werken naar een voorziening als eerdergenoemd. Ook heeft de man geen inzicht willen verschaffen in zijn financiële positie, wat hij aan pensioen zou krijgen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, wat de hoogte van het weduwepensioen zou kunnen bedragen in het geval de vrouw nog in even zou zijn na zijn overlijden, etc.
De stelling van de man verwoord in de conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde dat het ”het Hof moge behagen zelf de door de appellant te treffen voorziening aan te geven” wordt in dit licht niet serieus genomen en wordt daaraan voorbij gegaan.
Eén en ander heeft tot gevolg dat het gevoerde pensioenverweer slaagt zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden zoals in voormeld tussenvonnis d.d. 21 juli 2017 en hiervoor is aangegeven

2.7 Het hof merkt op dat in het licht van het voorgaande het tussenvonnis d.d. 21 juli 2017 voor wat betreft overweging 8.3 de laatste volzin overbodig is en derhalve dient te worden weggelaten.

2.8 De proceskosten in dit hoger beroep worden tussen partijen gecompenseerd, nu zijn echtelieden zijn.

De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

Bevestigt het tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 mei 2012, bekend onder A.R.No. 11-0274, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van gronden;
Compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                             w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. B.G. Beckles en mr. L. Punwasi-Raghoebier.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld