SRU-HvJ-2020-16

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-992
  • Uitspraakdatum 04 december 2020
  • Publicatiedatum 01 maart 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Ambtenarenrecht – de opgelegde tuchtstraf is niet in verhouding met het gepleegde plichtsverzuim.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in deze het Ministerie van Justitie en Politie,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. K.S. Jakaoemo MICL, beleidsadviseur op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 11 december 2018;
  • het verweerschrift d.d. 10 januari 2019;
  • de beschikking van het hof van 08 mei 2019, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 juni 2019;
  • het proces-verbaal van het op 07 juni 2019 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 november 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker] is als agent van politie 2e klasse in vaste dienst geweest bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk werkzaam bij het Regio Bijstandsteam Midden (hierna: RBT Midden) van het KPS.

2.2 [Verzoeker]heeft een buitenechtelijke relatie met ene [vrouw] (hierna aangeduid als: [vrouw]) gehad. Laatstgenoemde heeft op 26 april 2016 aangifte tegen [verzoeker] gedaan ter zake van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling van haar voertuig.

2.3 [Verzoeker] is bij brief van de waarnemend korpschef van het KPS, de commissaris van politie, A. Chin, d.d. 14 augustus 2017, [K.A.], in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren ter zake van de aangifte van [vrouw]. Voormelde brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Hierbij wordt het volgende onder uw aandacht gebracht:

Uit de processen-verbaal, vervat in het dossier, voorzien van het [nummer] en K.A. nummer geheim, de dato 26 april 2016, opgemaakt door de majoor van politie Ost, C., van de afdeling Onderzoek Personeels Zaken, blijkt het volgende:

Op dinsdag 26 april 2016, deed [vrouw], aangifte van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen u. U had ongeveer acht jaar geleden een liefdes relatie met [vrouw]. U maakte er een gewoonte (lees: van) om [vrouw] tijdens de relatie te mishandelen en u ging ook vreemd. Die relatie is beëindigd toen uw vrouw, zijnde een van de vrouwen waarmee u vreemd ging zwanger raakte. U trad toen in het huwelijk met uw vrouw. U vroeg [vrouw] nog steeds om een buitenechtelijke relatie, hetgeen zij steeds weigerde. U molesteerde en bedreigde [vrouw] telefonisch. U heeft [vrouw] zelfs ontvoerd bij het Havo scholen complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft u haar voertuig vernield. U heeft [vrouw] meerdere malen met de dood bedreigd. U heeft zelfs uw dienstvuistvuurwapen althans een wapen tegen het hoofd van [vrouw] gedrukt. [Vrouw] heeft zelfs via de rechter een beschermingsbevel tegen u aangevraagd. Ondanks aangifte gedaan door [vrouw] en een bevel van de rechter bent u nog steeds bezig [vrouw] te molesteren, dan wel berichten te sturen via WhatsApp en Facebook.

Uit het volgende blijkt;

  • dat u zich niet heeft gedragen zoals het een goed politieambtenaar betaamt, waardoor u afbreuk doet aan de waardigheid van uw ambt en het aanzien van de politie heeft geschaad;

  • dat u verdacht wordt van mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht gepleegd door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling gepleegd door een ambtenaar;

Deze gedragingen van u zijn in strijd met de artikelen 360 jo 67; 345 jo 67; 345b jo 67 en 414 jo 67 van het Wetboek van Strafrecht alsook in strijd met artikel 10 lid 2 sub b zoals aangegeven in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 nummer 82 en met punt 3 leden 1, 2 en 3 van de Gedragscode voor Politieambtenaren, hetgeen u een ernstig plichtverzuim oplevert.”

2.4 [Verzoeker] heeft bij brief van 23 augustus 2017 verweer gevoerd. Hij heeft tevens mondeling verweer gevoerd ter gelegenheid van het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport.

2.5 De minister van Justitie en Politie heeft bij beschikking d.d. 26 oktober 2018, Bureau no. J18/03040, K.A. no. 2437/18 (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [Verzoeker] wegens lichtverzuim (lees: plichtsverzuim) ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is het volgende overwogen:

“dat de ambtenaar van politie, [Verzoeker], (…) thans dienende in de rang van agent van politie tweede klasse (hierna te noemen betrokkene) in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het ministerie van Justitie en Politie, blijkens het dossier voorzien van het [administratie nummer] van de afdeling Onderzoek Personeelszaken, ervan wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan de stafbare [sic] feiten; mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling door een ambtenaar, dan wel een plichtverzuim;

dat op dinsdag 26 april 2016, [vrouw], aangifte deed van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen betrokkene;

dat betrokkene een buitenechtelijke relatie op na hield met [vrouw];

dat op een gegeven moment zij besloot om een punt achter die relatie te zetten;

dat [vrouw] steeds weigerde om door te gaan in de relatie, waarna betrokkene besloot om haar telefonisch te molesteren en te bedreigen;

dat betrokkene, [vrouw] zelfs heeft ontvoerd bij het Havo complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft hij haar voertuig ook vernield;

dat betrokkene meerdere malen [vrouw] [sic] heeft bedreigd met zijn dienstvuistvuurwapen, waarbij het wapen tegen haar hoofd gedrukt hield.

dat in het jaar 2013, betrokkene een bromfietser had aangereden, waarbij de bromfietser ten gevolge van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opliep en hij daarvoor één (1) week schorsing opgelegd kreeg.

dat in het jaar 2015, betrokkene een voertuig bestuurde, waarbij hij zodanig onder invloed van alcohol verkeerde, dat hij een stopteken van de dienstdoende agenten, die bezig waren met een verkeersactie negeerde;

dat betrokkene doorreed en moest worden klemgereden. In dat geval overschreed hij de maximum snelheid ter plaatse en werd eveneens een ademanalyse test afgenomen van betrokkene, waaruit bleek dat hij 740 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht had geblazen, terwijl bij wet vanaf 220 microgram strafbaar is gesteld;

dat deze zaak is besproken tussen de PG en KC, waarbij het strafvoorstel voor onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren werd voorgesteld;

dat uit het vorenstaande is gebleken dat betrokkene zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan ernstige plichtverzuim, dat bij PG/KC overleg van 02 maart 2017 is voorgesteld hem de tuchtstraf van ontslag op te leggen.

dat betrokkene zich niet heeft gedragen zoals van een integere politie ambtenaar verwacht mag worden, waardoor hij afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt;

dat de handelingen en gedragingen gepleegd door betrokkene niet alleen strafbare feiten opleveren, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies, zoals onder meer vervat in de artikelen 10 lid 2 onder [sic] van de instructie ambtenaren van politie G.B. 1972 no 82 en artikel 3 sub 1; 2 van de gedragscode voor ambtenaren van politie;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor betrokkene, weshalve hij bij schrijven van de voormalige wnd. korpschef, de commissaris van politie A. Chin. de dato 14 augustus 2017, ter zake in gebreke werd gesteld en in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat deze zaak op 2 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef is besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen;

dat betrokkene in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport, de dato 26 oktober 2017, het volgende heeft aangegeven: ‘Ik had wel een relatie met [vrouw], maar heb haar nooit geslagen. Uit boosheid had ik delen van haar auto geslagen, maar heb haar daarvoor vergoed’:

dat op grond van het door betrokkene, gepleegd plichtverzuim, de argumenten aangehaald in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 26 oktober 2017, meegenomen het resultaat van het KC/PG overleg d.d. 02 maart 2017, aan betrokkene de tuchtstraf van ontslag dient te worden opgelegd;

dat de Commissie voor overleg in Politieambtenarenzaken bij schrijven d.d. 07 mei 2018 kenmerk Ag OO.no. 013/18, heeft geadviseerd om betrokkene te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer. Echter is de minister van Justitie en Politie afgeweken van dit besluit en heeft besloten betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen.”

2.6 De ontslagbeschikking is op 13 november 2018 aan [verzoeker] uitgereikt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

  1. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak de ontslagbeschikking te vernietigen c.q. de intrekking daarvan zal worden bevolen en het dienstverband met [verzoeker] zal worden hersteld met behoud van rang, salaris en emolumenten;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak [verzoeker] wederom toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;
  3. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub 1 en 2 te voldoen.

3.2 [Verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De feiten waarover [vrouw] (lees in het vervolg: [vrouw]) het in haar aangifte heeft, betreffen zaken die zich vier jaren voorafgaande aan de datum van de aangifte hebben voorgedaan. Op 14 augustus 2017 – zestien maanden later – werd [verzoeker] in gebreke gesteld en verweer aangezegd. [Verzoeker] heeft in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017 de beschuldigingen van [vrouw] genoegzaam weerlegd. De afdeling Onderzoek Politiezaken is er abusievelijk van uitgegaan dat er op 10 mei 2016 op verzoek van [vrouw] een beschermingsbevel was uitgevaardigd tegen [verzoeker]. Aangezien [vrouw] haar beschuldigingen op geen enkele wijze kon hard maken, is het gevraagde beschermingsbevel geweigerd. Inmiddels had [vrouw] ook aangegeven haar aangifte te zullen intrekken bij de afdeling Onderzoek Politiezaken. De relatie tussen [vrouw] en [verzoeker] dateert van vóór de indiensttreding van laatstgenoemde bij de Staat en is vrijelijk aangegaan door [vrouw]. [Verzoeker] heeft de afdeling Onderzoek Politiezaken verzocht een uitdraai van zijn mobiele toestel op te vragen, waaruit gelijk duidelijk zou worden hoe vaak [vrouw] hem belt en dat er geen enkele reden voor hem is om haar te bedreigen of telefonisch te molesteren. De afdeling Onderzoek Politiezaken heeft nagelaten dit onderzoek te plegen.

[Verzoeker] gaf op het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport toe een relatie met [vrouw] te hebben gehad en uit boosheid vernielingen te hebben aangericht aan het voertuig van [vrouw], waarvoor hij haar heeft vergoed. [Verzoeker] ontkende [vrouw] ooit te hebben geslagen. Hij heeft sedert 26 oktober 2017 nooit meer iets over dit onderzoek vernomen en er werden geen sancties tegen hem getroffen.

Uit de ontslagbeschikking blijkt dat er alleen aandacht is besteed aan het mondelinge verweer dat [verzoeker] heeft gevoerd ter gelegenheid van voormeld korpsrapport. Er is totaal geen aandacht besteed aan het uitgebreid schriftelijke verweer van [verzoeker], het feit dat de schade is vergoed en [vrouw] bereid was de zaak in te trekken en dat [vrouw], ondanks daartoe ettelijke malen door de politie te zijn opgebeld, nimmer is verschenen op het confrontatieverhoor dat op aandringen van [verzoeker] is gehouden.

Daarnaast verbaast het [verzoeker] dat er zoveel aandacht wordt besteed aan de aangifte van [vrouw], terwijl hij nimmer ter zake daarvan is gedagvaard, vervolgd of veroordeeld. [Verzoeker] is zelfs nimmer buiten functie gesteld voor dit feit dat thans doorslaggevend is voor zijn ontslag.

Deze zaak is op 02 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. Dit betekent dat alvorens [verzoeker] zich kon verweren, de korpschef en de procureur-generaal al hadden besloten om [verzoeker] voormelde tuchtstraf op te leggen. De beslissing stond reeds vast zonder de zijde van het verhaal van [verzoeker] te vernemen, dus zonder het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. [Verzoeker] heeft zonder dat sprake is van strafrechtelijk bewijs, de zwaarste ambtelijke straf opgelegd gekregen.

Het is onbegrijpelijk dat de commissie voor overleg in politieambtenarenzaken op 07 mei 2017 heeft geadviseerd om [verzoeker] te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer, terwijl in de ontslagbeschikking is opgenomen dat de minister is afgeweken van dit besluit en heeft besloten om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. [Verzoeker] is nimmer buiten functie gesteld of geschorst voor welk feit dan ook en hij mocht ervan uitgaan dat gekozen zou worden voor een lichtere tuchtstraf of het seponeren van de zaak, nu vanaf het gebeurde meer dan twee jaren zijn verlopen. De korpschef, de procureur-generaal en de minister waren allen bereid om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen zonder zijn schriftelijk verweer te lezen, zonder aandacht te besteden aan zijn conduitestaat en zonder hem een eerlijke kans te geven. [Verzoeker] heeft tot de dag van ontvangst van de ontslagbeschikking plichtsgetrouw zijn werk verricht bij RBT Midden.

Het is evident dat [verzoeker] een schrijnend onrecht wordt aangedaan door het handelen van de Staat en dat dit handelen in strijd is met de wet en riekt naar détournement de pouvouir.

[Verzoeker] is nimmer formeel middels een beschikking van de minister geschorst geworden, hetgeen tevens in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel.

Voormelde handelwijze van de Staat is in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Het in 3.1 onder 1 gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw juncto artikel 47 lid 3 van het Politiehandvest is het hof bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een politieambtenaar een tuchtstraf, anders dan die bedoeld in artikel 40 lid 1 onder a tot en met d van het Politiehandvest, is opgelegd. Nu de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag niet valt onder vorenbedoelde opsomming, is het hof bevoegd kennis te nemen van dit deel van de vordering.

4.1.3 Het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [Verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [Verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag –, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 13 november 2018 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit op 11 december 2018 heeft ingesteld, derhalve binnen de termijn van een maand, is hij daarin ontvankelijk.

4.3.1 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat de Staat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit onvoldoende bewijsmateriaal in handen had om dit besluit te rechtvaardigen.

Vooropgesteld wordt dat het bij een disciplinair onderzoek niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten, maar om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Naar vaste jurisprudentie gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Aan de stelling van [verzoeker] dat strafrechtelijk bewijs ontbreekt, komt derhalve niet de betekenis toe die hij daaraan toegekend wil zien. Vereist is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat [verzoeker] zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.3.2 Het hof constateert dat de Staat het door de politie opgemaakte dossier naar aanleiding van de aangifte van [vrouw] tegen [verzoeker] – met de daarin opgenomen processen-verbaal – niet in het geding heeft gebracht.

Blijkens de ontslagbeschikking wordt [verzoeker] onder meer verweten dat hij vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [vrouw]. [Verzoeker] heeft zowel bij zijn mondelinge verweer als in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017, alsook in het onderhavige geding, toegegeven zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.

[Verzoeker] heeft in voormeld verweerschrift, alsook in het onderhavige geding, betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan het overige hem verweten gedrag jegens [vrouw]. In het licht van deze betwisting had het op de weg van de Staat gelegen om nadere feiten of omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat [verzoeker] zich aan de overige hem verweten gedragingen jegens [vrouw] schuldig heeft gemaakt, hetgeen de Staat heeft nagelaten. Dit leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan – en de Staat derhalve niet tot de overtuiging kon komen – dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het overige hem verweten en in de ontslagbeschikking opgenomen gedrag jegens [vrouw]. De gestelde bedreiging (met een dienstvuistvuurwapen), ontvoering, poging tot verkrachting en het telefonisch molesteren van [vrouw] hadden derhalve niet aan het ontslagbesluit ten grondslag mogen worden gelegd.

4.3.3 Vast is komen te staan dat [verzoeker] vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [vrouw], hetgeen mede aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Het verweer van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert, faalt derhalve. Dat het overige aan [verzoeker] verweten gedrag niet is komen vast te staan, maakt dit niet anders.

4.4 Naar het oordeel van het hof levert het door [verzoeker] aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw] plichtsverzuim op. Dit gedrag druist immers in tegen de kerntaak van de politie alsmede de voor politieambtenaren geldende gedragscode. Daaraan doet niet af dat deze gedraging zich in de privésfeer heeft afgespeeld noch dat [verzoeker] [vrouw] voor de schade aan haar voertuig heeft vergoed. [Verzoeker] diende zich immers als politieambtenaar ook in zijn privéleven te onthouden van bedoelde vernielingen. Voorts wordt overwogen dat [verzoeker] begreep althans had kunnen begrijpen dat zijn handelwijze niet door de beugel kon, zodat het plichtsverzuim hem kan worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.5.1 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat hem een te zware tuchtstraf is opgelegd. Dit beroep slaagt. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Het hof stelt voorop dat recidive (herhaling van plichtsverzuim) een rol kan spelen bij de bepaling van de op te leggen straf, maar het gepleegde nieuwe plichtsverzuim wel in een aanvaardbare verhouding moet staan tot deze straf. Kortom, het nieuwe plichtsverzuim dat aanleiding heeft gegeven tot de oplegging van een bepaalde tuchtstraf, moet op zichzelf deze tuchtstraf rechtvaardigen.

Het hof overweegt dat het gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit het aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw], het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt. Immers, in de visie van het hof staat dit tuchtontslag, waaraan vergaande gevolgen voor [verzoeker] zijn verbonden, niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Reeds op deze grond kan het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit niet in stand blijven.

De overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 3.2, kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.5.2 Aan het oordeel dat het gepleegd plichtsverzuim het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt, doet niet af dat in de ontslagbeschikking tevens is opgenomen het door de Staat gestelde eerdere plichtsverzuim waaraan [verzoeker] zich schuldig zou hebben gemaakt in 2013 en 2015, te weten, kort gezegd, het aanrijden van een bromfietser respectievelijk het rijden onder invloed van alcohol, het negeren van een stopteken van dienstdoende politieagenten en het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid.

Voor zover het bedoeling van de Staat is geweest om het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [vrouw], aan te grijpen om bovenbedoelde voorvallen uit 2013 en 2015 mede aan het ontslagbesluit ten grondslag te leggen, handelt de Staat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Immers, de Staat heeft in de visie van het hof met name het recht verspeeld om [verzoeker] thans alsnog te bestraffen voor het in 2015 voorgevallene, nu de Staat – naar gebleken is – zulks toentertijd heeft nagelaten, ondanks blijkens de ontslagbeschikking uit het ter zake gevoerd overleg tussen de korpschef en procureur-generaal het voorstel tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren is voortgevloeid.

4.5.3 Uit het in 4.5.1 overwogene volgt dat de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zal worden toegewezen.

4.6 Het hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 40 lid 1 onder h van het Politiehandvest de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging opleggen, welke tuchtstraf het hof passend acht.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de minister van Justitie en Politie van 26 oktober 2018, Bureau no. J18/03040, K.A. no. 2437/18, vervatte besluit tot oplegging aan [Verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst.

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 04 december 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens mr. K.S. Jakaoemo MICL, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld