SRU-HvJ-2020-21

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-817en A-903
  • Uitspraakdatum 17 juli 2020
  • Publicatiedatum 09 maart 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    De verzoeker vordert benoeming in de functie waarin hij heeft waargenomen. Tevens vordert hij hervatting van de waarnemingstoelage.Het Hof veroordeelt de Staat om vast te leggen dat verzoeker is benoemd in de functie. Verder wijst het Hof, de vordering van uitbetaling van de waarnemingstoelage ,af.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de gevoegde zaken A-817 en A-903 van 

[verzoeker]
wonende te [district],  
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”, 
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat, 

tegen 

DE STAAT SURINAME,  
met name het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting,  
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, 
kantoorhoudende te Paramaribo, 
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”, 
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,  
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.  

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop in de zaak A-817 blijkt uit de volgende processtukken/ proceshandelingen: 

  •  het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 14 augustus 2013; 
  • het verweerschrift ingediend op 20 november 2013; 
  • de beschikking van het hof van 03 januari 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 februari 2014; 
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen en de op voormelde datum overgelegde bescheiden; 
  • de processen-verbaal van de op 07 maart 2014 en 16 mei 2014 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen; 
  • de schriftelijke uitlating zijdens de Staat d.d. 18 juli 2014; 
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 17 oktober 2014, met een productie; 
  • de conclusie tot uitlating zijdens de Staat d.d. 19 december 2014. 

1.2 Het procesverloop in de zaak A-903 blijkt uit de volgende processtukken/ proceshandelingen: 

  •  het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 februari 2016;
  •  het verweerschrift d.d. 20 juni 2016; 
  • de beschikking van het hof van 01 december 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 januari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 17 maart 2017; 
  • het proces-verbaal van het op 17 maart 2017 gehouden verhoor van partijen en de op voormelde datum door de Staat overgelegde bescheiden; 
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 15 juni 2017, met producties; 
  • de conclusie tot overlegging bescheiden zijdens [verzoeker] d.d. 16 juni 2017 (kennelijk abusievelijk gedateerd 16 juni 2016), met producties, overgelegd op 19 juni 2017; 
  • de processen-verbaal van de op 21 juli 2017, 17 november 2017 en 16 maart 2018 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen en de op 17 november 2017 en 16 maart 2018 door de Staat overgelegde bescheiden; 
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 08 maart 2018, overgelegd op 16 maart 2018; 
  • het proces-verbaal van de op 18 mei 2018 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen en de op voormelde datum door de Staat overgelegde bescheiden; 
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [verzoeker] d.d. 01 maart 2019, met producties; 
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [verzoeker] d.d. 17 mei 2019, met producties; 
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens de Staat d.d. 07 juni 2019 (aangeduid als de conclusie tot uitlating). 

1.3 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis in de zaak A-817 en in de zaak A-903 was aanvankelijk bepaald op 06 februari 2015 respectievelijk 15 november 2019, doch nader op heden. 

2.De feiten

In de zaak A-817 
2.1 [verzoeker] is stafambtenaar B 3e klasse in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (hierna ook aangeduid als: het ministerie) in de functie van medewerker Departementsleiding, ingedeeld in functiegroep 5 (schaal 5B). Hij is tewerkgesteld bij het Bureau Rechten van het Kind. 

2.2 De directeur van Sociale Zaken (hierna: de directeur) heeft bij circulaire d.d. 10 oktober 2007, D [nummer 1], aan alle directieleden en beleidsadviseurs, de directeur der Stichtingen, de dienst- en afdelingshoofden en coördinatoren ter kennis gebracht dat met ingang van 01 juli 2007 [verzoeker] is aangesteld als coördinator van het Bureau Rechten van het Kind. 

2.3 De Raad van Ministers heeft blijkens zijn missive d.d. 15 juli 2010, no.[nummer 2]  /R.v.M, goedgekeurd dat [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2007 wordt belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van een waarnemingstoelage. 

2.4 De procesgemachtigde van [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 14 januari 2013, voor zover van belang, onder meer het volgende aan de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) bericht: 
(…) 
Namens mijn client roep ik uw medewerking in te bewerkstelligen dat: 
1. de resolutie inhoudende toekenning waarnemingstoelage aan mijn client tot stand komt en ter kennis van mijn client wordt gebracht conform de person 
2.de resolutie inhoudende benoeming van mijn cleint [sic] in de definitief opengevallen functie van Hoofd Bureau Rechten van het Kind, te rekenen van 01 juli 2008 tot stand komt en ter kennis van mijn client wordt gebracht conform de personeelswet. 
(…) 

De President heeft niet op dit schrijven gereageerd. 

2.5 [verzoeker] is bij resolutie van de President d.d. 17 juli 2014, Bureau no. [nummer 3]985/14, no. 5442/14, te rekenen van 01 juli 2007 belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van een waarnemingstoelage (hierna: de waarnemingstoelage). 

In de zaak A-903 

2.6 De feiten vermeld in 2.1 en 2.5 zijn tevens van toepassing op de zaak A-903.  

2.7 De onderdirecteur Administratieve Diensten van het ministerie heeft bij schrijven d.d. 17 november 2014, [nummer 4] 3570/2014, met als onderwerp ‘terugstorting gelden ter zake case Playfair’, het volgende aan [verzoeker] bericht: 

“Geachte heer [verzoeker], 

De afdeling BRVK heeft in het jaar 2013 mevr. Carmen Playfair aangetrokken voor het verzorgen van trainingen tijdens de Inter Agency Child Conference (vide missive[nummer 5]/ORAG d.d. 3 mei 2013). Aangezien Mw. C. Playfair niet woonachtig is in Suriname en geen SRD rekening heeft in Suriname, werd er een verzoek gedaan vanuit de afdeling BRVK om de betaling van middelen op uw naam te laten uitvoeren, met inachtneming dat mevr. C. Playfair u hiertoe zou machtigen. Van het vorenstaande is er goedkeuring verleend vanuit Financien en een bestelbon is uitgeschreven conform missive [nummer 5]/ORAG d.d. 03 mei 2013 voor een totaalbedrag van SRD 67.605,00. In afwachting op overmaking van de middelen(betaling) door het ministerie van Financien is er toen met goedkeuring van de OD/AD aan u vooruitbetaald zodat het project uitgevoerd kon worden, met dien verstande dat u de voorgeschoten middelen terug zou storten bij de betaalmeester na storting op uw rekening. De storting van gelden door Financien op uw rekening heeft reeds plaatsgevonden. Volgens overzicht van de Centrale Betaaldienst is de betaling op 8 november 2013 voldaan hetgeen langer dan een jaar geleden is. 

De terugstorting van gelden bij de betaalmeester heeft echter nog niet plaatsgevonden. 

Bij deze wordt u gevraagd binnen 1 week na dagtekening de voorgeschoten gelden terug te storten en een schriftelijke reactie te geven omtrent het bovenstaande. Mocht de schriftelijke reactie niet naar volle tevredenheid zijn zal het ministerie genoodzaakt zijn maatregelen te treffen.” 

2.8 De minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (hierna: de minister) heeft bij schrijven d.d. 17 september 2015, kenmerk M[nummer 6]/’15, het volgende aan [verzoeker] bericht: 

Geachte heer [verzoeker], 

In verband met onregelmatigheden waaronder de case van de verhuurder [naam 1] tegen de staat Suriname m.n. het Ministerie van Sociale Zaken A.R no 152226 (de kantonrechter in het Eeste [sic] Kanton/ C.V. no 182/15) wordt u per heden, 17 september 2015 voor onbepaalde tijd ter beschikking gesteld van de directeur van Sociale Zaken. 

2.9 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 30 oktober 2015 onder meer het volgende aan de directeur bericht: 

Geachte directeur, 

Middels dit schrijven deel ik u mede dat ik op heden 30 oktober 2015 een volgende deelbetaling heb voldaan, groot SRD. 40.000,-. Het betreft in dezen het project Carmen Playfair. 

In december 2014 heb ik al SRD. 15.000,- voldaan. Met de terugstorting van het bedrag van heden komt de totale terugbetaling dus op SRD. 40.000,- + SRD. 15.000,- = SRD. 55.000,-. Er rest nog een bedrag van SRD. 12.605, waarvan ik thans met de Dienst Interne Controle bezig ben na te trekken hoe en op welke wijze deze middelen in projecten t.b.v. het ministerie zijn besteed. 

Zie de bijlage als bewijs van de betaling van de SRD. 40.000,-. 

Ik veronderstel dat u dit schrijven wenst door te geleden [sic] naar voor u relevante actoren. Ik doe er daarom drie exemplaren toekomen. 

2.10 De minister heeft bij schrijven d.d. 04 november 2015, M[nummer 7]/’15, het volgende aan de (waarnemend) directeur bericht: 

Betreft: Proces tot ontheffing van de heer [verzoeker] 

Geachte directeur, 

Refererend naar de PW artikel 23 vraag ik u als directeur van het Directoraat Soza om de heer [verzoeker] in de functie van medewerker Departementsleiding, belast met de waarneming van de functie Hoofd Bureau Rechten van het Kind (reeds ontlast en ter uwer beschikking) te (doen) ontheffen uit de functie van wnd. Hfd. BRVK. Ook wordt gevraagd om de heer [naam 2] te benoemen in de open gevallen functie. 

Het besluit tot ontheffing is genomen nadat is gebleken dat de heer [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan het verwerpen van comptabele wetten en regels. Zie verslag Interne Controle d.d. 10 december 2014. 

Daarnaast is gebleken dat de heer [verzoeker] recentelijk middelen heeft gestort op een rekening bij de Centrale Bank van Suriname zonder uw toestemming en of medeweten. Verder overlegde de betaalmeester [naam 3] mij op 3 november 2015 jl. een kwitantie waaruit blijkt dat de heer [verzoeker] contante middelen heeft overgedragen aan de betaalmester, ook zonder medeweten of goedkeuring van u en het hoofd van Begrotings en Financiele Zaken. 

Ter continuering van de dienstverlening is het noodzakelijk dat de open gekomen functie HfdBRVK wordt ingevuld. De heer [naam 2] is bereid, bevoegd en bekwaam gevonden om te dienen in de voorgenoemde functie. 

Hopende u geïnformeerd te hebben en ik kijk uit naar een spoedige en volledige medewerking met inachtneming van de personeelswet uwerzijds. 

Een kopie van dit schrijven is verzonden aan [verzoeker].  

2.11 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 24 november 2015, gericht aan de minister, gereageerd op de in 2.8 en 2.10 vermelde brieven.  

2.12 De Centrale Landsaccountantsdienst heeft in opdracht van de minister van Financiën enkele onderzoeken verricht ter zake van vermeende onregelmatigheden op het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting betreffende [verzoeker], waarvan de bevindingen zijn neergelegd in de onderstaande rapporten:  

  • managementletter d.d. 14 juni 2016, EPL/epl/[nummer 8]/16, inzake “Beheer en Toegang Donatiemiddelen Nos Kasitas”; 
  • managementletter d.d. 19 augustus 2016, EPL/epl/[nummer 9]/16, inzake “beschikbaar gestelde middelen opvangtehuis slachtoffers mensenhandel”; 
  • managementletter d.d. 18 oktober 2016, EPL/jhk/[nummer 10]/16, inzake “beschikbaar gestelde middelen consultant Playfair Inter-Agency Child Conference ‘Child Protection’”. 

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer 

In de zaak A-817 
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt, dat de Staat bij vonnis zal worden veroordeeld om: 
1. te rekenenvan 01 juli 2007 de van de functie van Hoofd Bureau Rechten van het Kind afgeleide waarnemingstoelage aan hem toe te kennen; 
2.te rekenenvan 01 juli 2008 hem te benoemen in althans te bevorderen tot de functie van Hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning aan hem van de bezoldiging c.q. het salaris behorende bij die functie; 
3.de administratiefrechtelijke rechtshandeling (resolutie) dienodig is om het in sub 1 en sub 2 gevorderde te realiseren binnen 3 (drie) maanden na de veroordeling ter zake tot stand te brengen en afschrift hiervan ter kennis van hem te brengen ingevolge de Personeelswet (Pw), onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat met de uitvoering van het vonnis in gebreke mocht blijven.  
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten. 

3.2 [verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij reeds langer dan zes jaren onafgebroken de definitief opengevallen van functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind waarneemt, zonder dat de waarnemingstoelage aan hem is toegekend laatstaan uitbetaald en zonder dat hij definitief is benoemd in voormelde functie. 
[verzoeker] stelt dat de Staat jegens hem de beginselen van behoorlijk bestuur schendt, bepaaldelijk die betrekkelijk zorgvuldig onderzoek, verbod van partijdigheid, concrete en evenredige belangenafweging, alsmede het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Volgens [verzoeker] handelt de Staat onrechtmatig jegens hem. 
[verzoeker] stelt verder dat hij bij klaagschrift d.d. 14 januari 2013 zijn beklag ter zake heeft gedaan bij de President en dat de President tot op heden in gebreke is gebleven om op dit klaagschrift te reageren en een besluit te nemen.  

In de zaak A-903  
3.3 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat de Staat bij vonnis zal worden veroordeeld om de ingehouden althans stopgezette uitbetaling van de waarnemingstoelage binnen 1 (een) week na het vonnis te hervatten vanaf de datum van inhouding of stopzetting en voort te zetten totdat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist over zijn definitieve benoeming in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat de Staat met de uitvoering van het vonnis in gebreke mocht blijven. 

3.4 [verzoeker] heeft, naar het hof begrijpt, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Uit zijn salarisslip van de maand januari 2016 is gebleken dat bij de uitbetaling van zijn salaris over voormelde maand de waarnemingstoelage ad SRD 4.085,- niet is betaald. De Staat is niet bevoegd, althans niet gerechtigd de aan [verzoeker] toekomende waarnemingstoelage in te houden, althans niet betaalbaar te stellen, nu geen overeenkomstig de Personeelswet tot stand gekomen en aan [verzoeker] ter kennis gebracht besluit van het bevoegde gezag ten grondslag ligt aan voormelde inhouding. De Staat is bovendien niet bevoegd, althans niet gerechtigd de waarnemingstoelage in te houden, aangezien het hof over de definitieve benoeming van [verzoeker] in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind alsnog een beslissing dient te nemen in de zaak A-817, welke zaak in staat van wijzen verkeert. [verzoeker] gaat vooralsnog ervan uit dat hij definitief is benoemd in de door hem vanaf 01 juli 2007 tot heden waargenomen definitief vacante functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, totdat het tegendeel is gebleken of komen vast te staan. De inhouding, althans stopzetting van de uitbetaling van de waarnemingstoelage is contra legem en in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur. 

In de zaken A-817 en A-903 
3.5 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan. 

4. De beoordeling in de zaken A-817 en A-903 

In het incident 
4.1.1 [verzoeker] heeft het verzoek gedaan dat de zaak A-903 en de zaak A-817 op dezelfde rol worden gebracht en dat dezelfde kamer van het hof in beide zaken vonnis wijst, althans dat de hiervoor genoemde zaken gevoegd worden behandeld.  

4.1.2 De Staat heeft zich niet verzet tegen de vordering tot voeging. 

4.1.3 In geval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, mag daarvan voeging worden gevorderd. 
Vooropgesteld wordt dat thans een vaste kamer van het hof als ambtenarenrechter in beginsel beslist in alle ambtenarenzaken. 
In het onderhavige geval gaat het om de zaken A-817 en A-903 tussen dezelfde partijen, in welke zaken het feitencomplex deels overeenkomt. De juridische aspecten in beide zaken zijn weliswaar niet gelijk, maar zij vertonen wel een dusdanige samenhang dat sprake is van verknochte zaken. Beide zaken verkeren reeds in staat van wijzen.  
Gelet op het voorgaande en op het belang uiteenlopende beslissingen zoveel mogelijk te vermijden, zal de vordering tot voeging worden toegewezen. 

In de zaak A-817 
Bevoegdheid 
4.2.1 De Staat heeft, kort gezegd, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker] tot zijn benoeming in althans bevordering tot de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, omdat hetgeen van het hof als ambtenarenrechter kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 Pw en het gevorderde niet in bedoelde limitatieve opsomming voorkomt. 

4.2.2 Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. De vorderingen waarvan het hof bevoegd is kennis te nemen, zijn limitatief opgesomd in artikel 79 lid 1 Pw. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. 

4.2.3 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren. 
Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder 1 tot en met 3 gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het verder achterwege laten om [verzoeker], kort gezegd, bij resolutie: 
a. te rekenen van 01 juli 2007 de waarnemingstoelage toe te kennen; 
b. te rekenen van 01 juli 2008 te benoemen in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van het bij die functie behorende salaris. 
Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw dan ook bevoegd om van het gevorderde in 3.1 onder 1 tot en met 3 kennis te nemen. 
Het onbevoegdheidsverweer van de Staat faalt. 

Ontvankelijkheid 
4.3.1 Het in 2.4 vermeld schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker] d.d. 14 januari 2013 kan naar het oordeel van het hof, anders dan [verzoeker] stelt, niet als schriftelijk beklag in de zin van artikel 78 Pw bij de President worden beschouwd. In dit schrijven is immers niet aangegeven dat het beklag in de zin van voormeld artikel betreft noch is aangegeven over welk besluit van een lager gezag [verzoeker] zich beklaagt. 

4.3.2 Het hof beschouwt voormeld schrijven eerder als een verzoek aan de President om te bewerkstelligen dat de resoluties inhoudende respectievelijk de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoeker] en de benoeming van [verzoeker] in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind tot stand komen, alsmede dat deze resoluties ter kennis van [verzoeker] worden gebracht. Vaststaat dat de President nimmer op dit schrijven heeft gereageerd. 

4.3.3 Het hof houdt het, gelet op het feit dat [verzoeker] bij resolutie (zie 2.5) is belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, ervoor dat de President in dezen het ter zake bevoegde gezag is. [verzoeker] gaat, naar het oordeel van hof, door, kort gezegd, aan de President het verzoek te doen zijn – [verzoeker]s – rechtspositie bij resolutie te regelen, impliciet van hetzelfde uit. 

4.3.4 Op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering tot oplegging van een dwangsom in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan, in casu de President, mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Hieruit volgt dat de President, nu hij nimmer uitdrukkelijk heeft beslist op het schriftelijk verzoek van [verzoeker] d.d. 14 januari 2013, geacht wordt op 14 juli 2013 een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. [verzoeker] heeft de onderhavige vordering bij het hof ingesteld op 14 augustus 2013, derhalve binnen de termijn van drie maanden na 14 juli 2013, zodat hij op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw daarin ontvankelijk is. 

Toekenning waarnemingstoelage 
4.4 Uit de processtukken blijkt dat de Staat in de loop van het geding in de zaak A-817 [verzoeker] heeft voorzien van de in 2.5 genoemde resolutie d.d. 17 juli 2014, waarbij [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2007 is belast met de waarneming van de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind, onder toekenning van de waarnemingstoelage. 
Hieruit volgt dat [verzoeker] geen belang meer heeft bij het in 3.1 onder 1 in combinatie met het in 3.1 onder 3 gevorderde, zodat dit zal worden afgewezen.  

 Benoeming in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind 
4.5 Ingevolge artikel 22 lid 5 Pw wordt een landsdienaar, zodra hij gedurende meer dan een jaar een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, geacht stilzwijgend in die functie te zijn benoemd. 
Tussen partijen is niet geschil dat [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2007 langer dan een jaar de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind heeft waargenomen. Als niet weersproken staat rechtens ook vast dat voormelde functie definitief is opengevallen in 2007 en dat in 2007 en ook daarna in het Ambtenaren Bezoldigingsbesluit geen omschrijving van de wettelijke eisen van benoembaarheid in voormelde functie bestond.   
Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] ingevolge artikel 22 lid 5 Pw, nu hij aan het daarin bepaalde voldoet, moet worden geacht te rekenen van 01 juli 2008 stilzwijgend in voormelde functie te zijn benoemd. Hij maakt er derhalve aanspraak op dat deze benoeming overeenkomstig de vigerende wettelijke regelingen schriftelijk wordt vastgelegd. De Staat heeft geen melding gemaakt van omstandigheden die voormelde vastlegging zouden beletten of onwenselijk maken voor de administratie. Naar het oordeel van het hof moet het achterwege laten van de vastlegging van de stilzwijgende benoeming van [verzoeker] in voormelde functie als een daad van willekeur worden beschouwd, althans als een daad in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.  
Op grond van het voorgaande zal het in 3.1 onder 2 in combinatie met het in 3.1 onder 3 gevorderde worden toegewezen als in het dictum te melden. 
Het hof acht termen aanwezig de gevorderde dwangsom te maximeren, met dien verstande dat boven de som van SRD 50.000,- geen dwangsom meer wordt verbeurd. 
4.6 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld. 

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking. 

In de zaak A-903 
4.8 Het hof constateert dat [verzoeker], na op 01 maart 2019 een conclusie na verhoor van partijen te hebben genomen, op 17 mei 2019 – zonder daarvoor een verklaring te geven – wederom een conclusie na verhoor van partijen heeft genomen. 
Het hof overweegt dat [verzoeker] niet tweemaal kan concluderen na verhoor van partijen. Aan [verzoeker]s conclusie na verhoor van partijen d.d. 17 mei 2019 zal derhalve worden voorbijgegaan. 

Bevoegdheid 
4.9.1 De Staat heeft, kort gezegd, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering vermeld in 3.3, omdat hetgeen van het hof als ambtenarenrechter kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 Pw en het gevorderde niet in bedoelde limitatieve opsomming voorkomt. 

4.9.2 Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag overweegt het hof als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen: 
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;  
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde; 
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
In artikel 79 lid 2 Pw zijn limitatief opgesomd de voor nietigverklaring vatbare besluiten.   
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. 

4.9.3 [verzoeker] vordert in 3.3 in essentie veroordeling van de Staat tot (door)betaling van de maandelijkse waarnemingstoelage. [verzoeker] stelt dat de inhouding althans stopzetting van de uitbetaling van de waarnemingstoelage in strijd is met de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens [verzoeker] handelt de Staat dus in strijd met de (Personeels)wet en voren bedoelde beginselen door de maandelijkse waarnemings-toelage niet aan hem (door) te betalen.  

Een vordering tot (door)betaling van de waarnemingstoelage is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht gronden aanwezig de onderhavige vordering aldus uit te leggen dat [verzoeker] geen (door)betaling van de maandelijkse waarnemingstoelage vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet (door)betalen van de maandelijkse waarnemingstoelage ter hoogte van de niet betaalde waarnemingstoelage, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. 
Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen.  
Het onbevoegdheidsverweer van de Staat faalt. 

Ontvankelijkheid 
4.10 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de vordering vermeld in 3.3 te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij daarin ontvankelijk is. 

(Door)betaling van de waarnemingstoelage 
4.11 Zoals reeds onder 4.5 hiervoor is overwogen, moet [verzoeker] worden geacht te rekenen van 01 juli 2008 stilzwijgend te zijn benoemd in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind. Hieruit volgt dat [verzoeker], ongeacht hetgeen hij aan het in 3.3 gevorderde ten grondslag heeft gelegd, vanaf 01 juli 2008 in feite geen aanspraak meer maakt op de waarnemingstoelage. Reeds om deze reden is de onderhavige vordering niet toewijsbaar.  
De mede gevorderde dwangsom zal als sequeel van de primaire vordering worden afgewezen. 

4.12 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking. 

5.De beslissing 

Het hof: 

In het incident 
5.1 Wijst toe de vordering tot voeging van de zaken A-817 en A-903. 

In de zaak A-817 
5.2 Veroordeelt de Staat om binnen 6 (zes) maanden na de betekening van dit vonnis vast te leggen dat [verzoeker] te rekenen van 01 juli 2008 stilzwijgend is benoemd in de functie van hoofd Bureau Rechten van het Kind van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting, onder toekenning van het bij die functie behorende salaris. 

5.3 Veroordeelt de Staat om aan [verzoeker] te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan de onder 5.2 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 50.000,- (vijftigduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd. 

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde. 

In de zaak A-903 
5.5 Wijst de vordering af. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en  

w.g. D.D. Sewratan 

door mr. A. Charan, fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 juli 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier. 

w.g. S.C. Berenstein                                                                 w.g. A. Charan 
Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.