SRU-HvJ-2020-34

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14999
  • Uitspraakdatum 17 april 2020
  • Publicatiedatum 07 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger beroep. Een van de partijen is van mening dat de kantonrechter in de bestreden beslissingen ten onrechte de in de Grondwet genoemde artikelen voor de overheid gegeven normen, rechtstreeks op de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen partijen van toepassing verklaard heeft.

    Het Hof is van oordeel dat door te stellen dat de genoemde artikelen echter nooit van invloed zouden kunnen zijn op privaatrechtelijke rechtsverhoudingen tussen burgers, te algemeen is gesteld. De burger is gehoorzaamheid verschuldigd aan de wetten en de Grondwet is daar geen uitzondering op. Het hangt dus af van de aard van de grondrechten en de manier waarop zij in de grondwet zijn geformuleerd of burgers er rechtstreeks tegenover elkaar aan zijn gebonden en er een beroep op kunnen doen.

    Artikel 30 en 31 Grondwet.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de zaak van 

INTEGRA PORT SERVICES, 
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, 
appellante in kort geding,  
verder ook aan te duiden als IPS, 
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat, 

tegen 

ALGEMENE HAVENARBEIDERSBOND, 
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, 
geïntimeerde in kort geding, 
verder ook aan te duiden als AHAB, 
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat, 
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227) tussen AHAB als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, en IPS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.  

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis van het Hof van Justitie d.d. 18 mei 2018. 

 1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1.  Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken: 

  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden d.d. 08 november 2018; 

 1.2.  De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden; 

 2. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist en op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden, voor zover niet bestreden, staat het volgende tussen partijen vast. 
2.1. AHAB is opgericht in 1989 en is een bepaalde periode inactief geweest. In 2013 is de bond weer actief geworden en heeft als leden onder andere ook werknemers van IPS. 
2.2. AHAB heeft de directie van IPS aangegeven weer actief te zijn en gevraagd naar een kennismakingsgesprek met de directie. Echter is AHAB niet ontvangen en is aangegeven dat niet is gebleken dat AHAB werknemers van IPS vertegenwoordigd en dat IPS  derhalve geen wettelijke verplichting heeft om gesprekken te voeren met AHAB. 

3. De vorderingen in eerste aanleg

3.1 AHAB heeft in conventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad: 

A. IPS te bevelen AHAB de ruimte te bieden om op de in Suriname algemeen gangbare wijze in de verhouding van werkgever en vakvereniging van werknemers, binnen IPS de belangen van haar leden op voet van het bepaalde in artikel 31 jo 30 van de Grondwet te behartigen en omtrent belangen met AHAB te onderhandelen c.q. te communiceren;
B. IPS te verbieden om AHAB als vakvereniging van haar leden af te wijzen dan wel haar als zodanig functioneren te verhinderen c.q. niet te erkennen uitsluitend op grond dat zij niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 1 van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers, zulks zolang zij wel voldoet aan de vereisten van artikel 31 van de Grondwet;
C. alle zodanig maatregelen te verordenen in het kader van het tussen partijen bestaande geschil, welke in het belang van partijen geraden wordt geacht; 
D. IPS te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000, = voor iedere dag waarop zij in strijd met of in afwijking handelt van enig onderdeel van de in het ten deze te wijzen vonnis te geven beslissing. 

3.2 IPS heeft in reconventie gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad: 
A. AHAB te verbieden om werknemers van IPS aan te zetten totaktiesvan welke aard dan ook tegen IPS; 
B. AHAB te verbieden om werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
C. AHAB te verbieden om haar vertegenwoordigers in hun hoedanigheid van bestuursleden van AHAB zonder toestemming van IPS te laten vertoeven op de werkplek van IPS; 
alles op straffe van een dwangsom van SRD. 100.000, = per dag of per keer als AHAB aan IPS verschuldigd zal zijn, voor elke dag of elke keer dat zij het vonnis niet uitvoert.  

 4. De grieven
IPS heeft in hoger beroep een achttal grieven aangevoerd waarop het Hof in de verdere beoordeling zal ingaan. Daarbij zullen de vorderingen in conventie en in reconventie simultaan worden besproken. 

 5. De vordering in Hoger Beroep
IPS concludeert in conventie tot vernietiging van het vonnis, waarvan beroep, AHAB alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering althans haar vordering te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen en IPS haar vordering in reconventie toe te wijzen met veroordeling van AHAB in de kosten van beide instanties. 

6. Het verweer
AHAB heeft tegen de door IPS aangevoerde grieven verweer gevoerd erop neerkomende dat de aangevoerde grieven geen stand kunnen houden. Bij de verdere beoordeling zal het Hof voor zover nodig daarop terug komen  

7. De verdere beoordeling 

7.1. Bij tussenvonnis van 18 mei 2018 is de verschijning van partijen gelast tot het verschaffen van inlichtingen, voornamelijk over de ontwikkeling van zaken sinds de aanvang van onderhavig geding en tot het bespreken van de mogelijkheden tot toekomstige ontwikkeling van de verhouding tussen partijen en van alles waarvan de comparitie voor de oplossing van het geschil dienstig kon zijn. Partijen dienden zich door daartoe bevoegde functionarissen te doen vertegenwoordigen en mochten partijen, desgewenst, de Bemiddelingsraad uitnodigen bij de comparitie van partijen aanwezig te zijn. Tijdens de comparitie van partijen is gebleken en is zo ook verwoord in het daartoe opgemaakt proces-verbaal dat het partijen niet is gelukt om tot een bevredigende oplossing te geraken teneinde het tussen hen ontstane geschil minnelijk op te lossen. Gelet hierop zal als volgt op de aangevoerde grieven worden ingegaan. 

7.2. Grief 1 
Grief 1 richt zich tegen overweging 5.1 van het bestreden vonnis waarin de kantonrechter het spoedeisend belang heeft aangenomen. De grief betoogt dat dit spoedeisend belang ontbreekt. AHAB heeft wel gesteld dat er zeer dringende zaken te bespreken zijn, maar dat is onjuist: nu IPS een onderneming is met een hoogstaande bedrijfsvoering en uitstekende werkomstandigheden, zijn er helemaal geen zaken die dringend in orde gemaakt moeten worden. 
Dit betoog miskent dat de vorderingen van AHAB niet gaan om concrete klachten of desiderata betreffende concrete arbeidsvoorwaarden of arbeidsomstandigheden, maar om het algemene en grondwettelijk beschermde recht van werknemers om door bemiddeling van vakverenigingen met hun werkgever te kunnen communiceren en door vakverenigingen hun belangen te laten behartigen in plaats van dat alleen te kunnen doen op het individuele niveau waarop zij zo makkelijk, zoals IPS het zelf, zij het in ander verband, uitdrukt, “belemmerd worden door reële machtsverhoudingen die van invloed kunnen zijn op de totstandkoming van rechtsverhoudingen tussen private personen”, zoals met name het geval kan zijn bij arbeidsverhoudingen. Dat is een groot en spoedeisend belang. Monddoodheid van het personeel bedreigt de arbeidsvrede niet minder dan slechte werkomstandigheden.  
Grief 1 wordt daarom verworpen.  

7.3. Grief 2 
Op de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen heeft de heer [naam] , die als vertegenwoordiger van IPS ter zitting verschenen was, onder meer gezegd: 
“Ik erken het recht van mensen om zich te verenigen maar ik heb moeite met een bond waarin werknemers van de concurrent verenigd zijn. In Suriname komt het nergens voor dat 1 bond werknemers in 2 bedrijven vertegenwoordigt. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik niet een bond van de concurrent in het bedrijf wil”. 
De hierin doorklinkende weerstand van IPS tegen AHAB als een vakvereniging die werknemers in meer dan één onderneming verenigt, vindt zijn neerslag in grief 2 in het hoger beroep, die zich richt tegen de overweging van de kantonrechter dat er “noch wettelijke noch praktische bezwaren kunnen bestaan om tot erkenning van de vakbond [dwz van een vakbond voor een bedrijfstak in plaats van voor één onderneming] over te gaan”.  

In deze grief betoogt IPS in de eerste plaats dat er wel degelijk een wettelijke belemmering bestaat en wel in artikel 1 sub c van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers (hierna DEVW) waar aan de vakvereniging, waarmee de werkgever volgens dat artikel verplicht is omtrent het aangaan van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) te onderhandelen, de eis wordt gesteld dat zij de werknemers in de onderneming op wie de cao van toepassing zal zijn, vertegenwoordigt. IPS leidt uit het gebruik van het woord “onderneming” in het enkelvoud af dat het instellen van een vakbond voor een bedrijfstak niet de bedoeling van de wetgever was. 

Het hof acht deze uitleg van artikel 1 sub c onjuist. Dat de wet spreekt over een vakbond die de werknemers van de onderneming (te weten: waarvoor de cao zal gelden) vertegenwoordigt, wil helemaal nog niet zeggen dat die vakbond niet ook werknemers van andere ondernemingen mag vertegenwoordigen. Taalkundig zou men er hoogstens uit kunnen afleiden dat de wetgever slechts denkt aan cao’s voor één onderneming, ware het niet dat uit artikel 1 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst blijkt dat, dat uitdrukkelijk niet de bedoeling is. Er is dus geen enkel wettelijk beletsel voor bedrijfstakgewijze vakorganisaties. 

De door IPS geziene praktische bezwaren tegen een vakbond voor een bedrijfstak kunnen, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, geen reden zijn om een zo fundamenteel recht als dat van werknemers zich te verenigen in een vakbond en wel in de vakbond van eigen keuze, opzij te zetten. Ten overvloede overweegt het hof dat het die bezwaren zeer overdreven acht en het meent ook wel te begrijpen waarom IPS die bezwaren zo overschat. Het valt op, niet zo zeer in het pleidooi als wel in het betoog van de vertegenwoordiger van IPS ter comparitie in eerste aanleg, dat IPS in een vakbond waarin (ook) werknemers van de concurrent deelnemen, een vakbond van de concurrent ziet. Dat is echter een ernstige en gevaarlijke misvatting. Een vakbond is niet “van een onderneming” (dus van een werkgever), maar “van de leden” (dus van de werknemers). Op een arbeidsmarkt waar werkgevers eraan gewend zijn dat een vakbond niet “van de werkgever” is en daar vrede mee hebben en waar zij niet proberen hun in vakbonden georganiseerde werknemers te misbruiken om de concurrentie dwars te zitten, slinken de door IPS aangevoerde risico’s als sneeuw voor de zon. En daar wordt nog een ander risico door bestreden, namelijk het risico dat een werkgever als gevolg van de eerder genoemde reële machtsverhoudingen invloed krijgt op de interne verhoudingen en de besluitvorming binnen de vakbond. En dus ook het risico dat van die invloed misbruik wordt gemaakt en dat de vakbond verworden tot louter een personeelsvereniging, niet meer in de positie verkeert zich tegenover de werkgever op te kunnen stellen en daardoor niet meer in staat is zijn maatschappelijke functie als vakbond te vervullen. Door uitdrukkelijk niet alleen aan ondernemingsvakbonden en ondernemings-cao’s maar ook aan vakbonden voor bedrijfstakken en bedrijfstak cao’s te denken, heeft de Surinaamse wetgever voor zo een arbeidsmarkt gekozen.  
Grief 2 is daarom ongegrond. 

7.4. Grief 3 
In het kader van het conflict tussen partijen is er in de periode van 12 tot en met 30 november 2013 een staking in het bedrijf van IPS geweest. De staking was door AHAB uitgeroepen, werd althans door haar gefaciliteerd. IPS acht deze staking een onrechtmatige, AHAB is de tegenovergestelde mening toegedaan. De kantonrechter heeft de staking rechtmatig geacht en daar komt deze grief tegenop.  

De vraag naar de rechtmatigheid van de staking kan, ruim vier jaren na dato, in kort geding alleen nog van belang zijn voor de vraag of uit hoofde van onverwijlde spoed door IPS gevorderde onmiddellijke voorzieningen vereist zijn. Die gevorderde voorzieningen zijn door dwangsom versterkte verboden aan AHAB: 

a. om werknemers van IPS aan te zetten totaktiesvan welke aard dan ook tegen IPS; 
b. om de werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren;
c. om haar vertegenwoordigers in hun hoedanigheid van bestuursleden van AHAB zonder toestemming van IPS te laten vertoeven op de werkplek van IPS.

Voor de beoordeling of deze voorzieningen toewijsbaar zijn acht het hof het niet nodig te oordelen over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de staking van november 2013. Ongeacht de al dan niet rechtmatigheid van die staking zijn de gevorderde verboden zoals onder a. of c. bedoeld hoe dan ook niet toewijsbaar. Een algemeen verbod op “akties van welke aard dan ook tegen IPS” gaat evident te ver en zou dat zelfs gaan als AHAB helemaal geen vakvereniging zou zijn. Uit wat het Hof over grief 2 overwogen heeft en wat het over grief 4 nog zal overwegen, vloeit echter voort dat het Hof in AHAB wel degelijk een vakvereniging ziet, ook al is het (nu nog) geen vakvereniging in de zin van het Decreet Erkenning Vakverenigingen Werknemers. En als een vakvereniging mag bestaan, mag en moet zij ook voor de belangen van haar leden opkomen en dus ook actie voeren. Dat mag haar alleen verboden worden als de akties een onrechtmatig karakter hebben en niet op de enkele grond dat zij zich tegen een werkgever richten. Voor de gevorderde voorziening sub c. geldt iets dergelijks, IPS mag aan bepaalde personen (en ook aan vertegenwoordigers van AHAB) de toegang tot haar terrein en gebouwen ontzeggen, maar niet tot elke werkplek van IPS. IPS werkt immers niet alleen op eigen terrein, maar op allerlei plaatsen op de Haven, ook op plaatsen waar zij geen exclusieve zeggenschap heeft. Ook dit verbod gaat veel te ver en is niet toewijsbaar.  

Het verbod onder b. is echter wel toewijsbaar en ook dat is niet afhankelijk van de al dan niet onrechtmatigheid van de staking van november 2013. Het is immers duidelijk dat het tijdens een staking, onverschillig of die rechtmatig of onrechtmatig is, nooit geoorloofd is werkwilligen te verhinderen hun werk te doen. Het grondwettelijk gewaarborgde stakingsrecht impliceert ook het recht om niet te staken.  

Het beroepen vonnis zal derhalve voor wat betreft de beslissing op deze vordering in reconventie worden vernietigd en zal AHAB worden verboden om werkwillige werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren op straffe van een te verbeuren dwangsom als na te melden. 

7.5. Grief 4 
Grief 4 bestrijdt de beslissingen die de kantonrechter onder 6.1 en 6.2 van het bestreden vonnis heeft gegeven. De grief betoogt dat de in hoofdstuk 5 van de Grondwet opgenomen grondrechten, waaronder die in de artikelen 30 en 31, slechts tot de overheid gericht zijn, dat de Grondwet geen burgerlijk recht creëert of constitueert dat de rechtsverhoudingen tussen burgers regelt en dat er nooit rechtens afdwingbare verplichtingen voor een burger tegenover een andere burger uit kunnen voortvloeien, zodat de kantonrechter in de bestreden beslissingen ten onrechte de in de genoemde artikelen voor de overheid gegeven normen rechtstreeks op de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen partijen van toepassing verklaard heeft. 

Het Hof merkt allereerst op dat de artikelen 30 en 31 Grondwet niet voorkomen in hoofdstuk 5 (Grondrechten, persoonlijke rechten en vrijheden), maar in hoofdstuk 6 (Sociale, culturele en economische rechten en plichten).  

 Het Hof kan het ermee eens zijn dat de grondwettelijke bepalingen van hoofdstuk 5, maar tot op grote hoogte ook die van hoofdstuk 6 zich in het algemeen en in beginsel richten tot de overheid en op haar verplichtingen en verantwoordelijkheden leggen. Dat zij echter nooit van invloed zouden kunnen zijn op privaatrechtelijke rechtsverhoudingen tussen burgers, is te algemeen gesteld. De burger is gehoorzaamheid verschuldigd aan de wetten en de Grondwet is daar geen uitzondering op. Het hangt dus af van de aard van de grondrechten en de manier waarop zij in de grondwet zijn geformuleerd of burgers er rechtstreeks tegenover elkaar aan zijn gebonden en er een beroep op kunnen doen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat zij als eerbiedwaardige beginselbepalingen, een sterke invloed hebben op de invulling van wat volgens ongeschreven recht, in het maatschappelijk verkeer betaamt. En daarmee, ook op wat juist niet betaamt en als onrechtmatig moet worden gezien.  

 Het Hof is van oordeel dat de artikelen 30 en 31 Grondwet wel enig privaatrechtelijk effect hebben. De eerbied voor de Grondwet die elke burger past, brengt met zich dat IPS het feit dient te eerbiedigen dat werknemers, ook haar werknemers, vrij zijn al dan niet lid te zijn van een vakvereniging (art. 30 lid 2 Grondwet) en dat daarbij aan een vakvereniging geen andere eisen gesteld worden dan dat zij als doel (niet noodzakelijkerwijze als enige doel) hebben de rechten en belangen van hun werknemers te behartigen. Overigens is deze verplichting in dit geding niet aan de orde. En niet is gesteld of gebleken dat IPS deze verplichting niet nakomt.  

Daarnaast is IPS gehouden te erkennen dat AHAB, die als een vakvereniging in de zin van de artikelen 30 en 31 Grondwet te beschouwen is, krachtens artikel 31 Grondwet bevoegd is om de rechten en belangen van de werknemers die zij vertegenwoordigt te verdedigen en voor hen op te komen. De vraag die met betrekking tot de onder 6.1 en 6.2 van het bestreden vonnis gegeven beslissingen in verband met deze grief beantwoord dient te worden, is dus of datgene waartoe IPS in die beslissingen veroordeeld is, redelijkerwijze voortvloeit uit artikel 31 Grondwet. Bij toetsing van deze veroordelingen, zoals zij door de kantonrechter geformuleerd zijn, aan artikel 31 Grondwet, komt het Hof tot het oordeel dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden, zodat grief 4 faalt

Ten overvloede overweegt het Hof dat IPS niet gehouden is AHAB te erkennen als een vakbond in de zin van artikel 3 DEVW, met wie zij gehouden zou zijn te onderhandelen omtrent het aangaan van een cao. Daarvoor immers stelt het DEVW immers aanvullende eisen en partijen zijn het erover eens dat AHAB aan die aanvullende eisen niet voldoet. Dat zij ambieert om daaraan in de toekomst wel te gaan voldoen, doet daaraan niet af. 

 7.6. Grief 5  
Grief 5 voert tegen de beslissing onder 6.1 van het bestreden vonnis voorts nog aan dat de daarin aan haar opgelegde verplichting volstrekt onbepaalbaar en dus onuitvoerbaar is. Daarmee kan het Hof zich niet verenigen. Grief 5 faalt dus ook. Wel moet IPS worden toegegeven dat die verplichting nogal onbepaald is en het bevel dus ook tamelijk vaag. Het Hof gaat ervan uit dat dit ook de reden is dat de kantonrechter ervan afgezien heeft deze beslissing met een dwangsom te versterken, zoals door AHAB wel gevraagd was. Dat heeft tot gevolg dat, als partijen over de concrete naleving van het bevel een verschil van inzicht hebben dat zij niet zelf kunnen oplossen, zij dat in een nieuw geding aan de rechter zullen moeten voorleggen. 

7.7. Grief 6 
Tegen de beslissing onder 6.2 van het bestreden vonnis voert deze grief aan dat IPS niet in staat is eraan te voldoen omdat verwezen wordt naar de eisen die artikel 31 Grondwet stelt, terwijl dat artikel helemaal geen eisen aan vakverenigingen stelt. Dat laatste is op zichzelf juist, maar het Hof begrijpt dat in het bestreden vonnis hier een kennelijke schrijffout is opgetreden en dat de kantonrechter bedoelde te verwijzen naar artikel 30 Grondwet. Dat artikel stelt wel een eis, namelijk dat de vereniging in kwestie zich (onder meer) de behartiging van de rechten en belangen als werknemer van haar leden ten doel stelt. Aan dat vereiste voldoet AHAB. Overigens moet IPS worden toegegeven dat ook deze veroordeling weinig bepaald is en dat ook voor deze veroordeling een versterking door dwangsom niet op haar plaats zou zijn. Een dwangsomveroordeling is hier door de kantonrechter terecht dan ook niet opgelegd. De grief faalt. 

7.8. Grief 7 
Grief 7 richt zich tegen de beslissing onder 6.3 van het bestreden vonnis waarin IPS veroordeeld wordt AHAB te ontvangen voor een kennismakingsbezoek. De grief voert daartegen aan dat de kantonrechter aldus meer heeft toegewezen dan AHAB gevorderd had. Dat is niet geheel juist, omdat AHAB wel had gevorderd dat de kantonrechter zodanige maatregelen zou treffen als in het belang van partijen geraden zou worden geacht. Evenwel moet in verband met grief 4 ook de vraag worden gesteld of een plicht tot het ontvangen voor een kennismakingsbezoek redelijkerwijs uit artikel 31 Grondwet voortvloeit. Dat is naar het voorlopig oordeel van het Hof niet het geval. Als een werkgever met een nieuwe vakbond te maken krijgt, ligt het wel voor de hand dat hij daarmee kennis maakt en dan is een kennismakingsbezoek wel verstandig, maar het Hof verwacht niet dat het belang van partijen met een gedwongen kennismakingsbezoek gediend is. Deze grief slaagt dus en onderdeel 6.3 van het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Onderdeel 6.4, houdende een dwangsombepaling die uitsluitend op onderdeel 6.3 betrekking heeft, moet dat lot delen. 

7.9. Grief 8 
Deze grief betoogt dat de kantonrechter (met name met de beslissingen onder 6.1 en 6.2) een blijvende rechtsverhouding tussen partijen heeft vastgelegd, waartoe ingevolge artikel 226 Rv de bevoegdheid ontbreekt. Deze grief is ongegrond. De kantonrechter mag inderdaad geen blijvende voorzieningen treffen, maar dat is hier ook niet gebeurd. Deze voorzieningen zijn wel degelijk tijdelijk, gelden immers krachtens artikel 229 Rv slechts totdat de bodemrechter anders zou beslissen. Zij kunnen slechts een blijvend karakter krijgen als partijen beiden (en bij voorkeur in goed onderling overleg) besluiten op basis van de door de voorlopige voorziening geschapen en in beginsel tijdelijke situatie hun verhouding blijvend voort te zetten en van een bodemgeding af te zien. De grief faalt. 

7.10 Nu in dit hoger beroep beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn  gesteld voor wat betreft de conventionele en reconventionele vordering zullen de  proceskosten worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten  draagt. 

 8.De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof: 

In conventie: 
8.1 Vernietigt de onderdelen 6.3, 6.4 en 6.5 van het dictum van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kortgeding van 7 augustus 2014 (A.R. no. 13-5227), waarvan beroep, en bekrachtigt de onderdelen 6.1 en 6.2 van het dictum van genoemd vonnis, onder verbetering van rechtsgronden; 

 In reconventie: 
8.2 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kortgeding van 7  augustus 2014 (A.R. no. 13-5227), voor wat betreft de onderdelen van het dictum  vermeld onder 6.6 en 6.7 waarvan beroep; 

En opnieuw rechtdoende: 
8.3 Verbiedt AHAB om de  werkwillige werknemers van IPS te verhinderen hun werkzaamheden bij IPS uit te voeren; 
8.4 Veroordeelt AHAB tot betaling van een dwangsom van SRD.10.000,- per keer dat zij  het verbod onder 8.3 vermeld overtreedt en wel tot een maximum van SRD.100.000,-; 

In conventie en in reconventie: 

8.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen gevallen in dit hoger beroep en in eerste  aanleg in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt; 
8.6 Wijst af het meer of anders gevorderde. 

Aldus gewezen door:  mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en  mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 17 april  2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier. 

w.g. S.C. Berenstein                                                  w.g. D.D. Sewratan 
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.V. Alakhramsing namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger  is verschenen. 

  Voor afschrift 
De Griffier van het Hof van Justitie, 
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld