SRU-HvJ-2020-36

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-14325
  • Uitspraakdatum 06 maart 2020
  • Publicatiedatum 31 maart 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Hoger beroep. De appellant vordert dat het vonnis waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken nimmer in de registers van de Burgerlijke Stand kan worden ingeschreven, doch bij de Griffie der Kantongerechten, zodat het vonnis van de kantonrechter onjuist is en derhalve vernietigd dient te worden. Het Hof is van oordeel dat scheiding van tafel en bed komt tot stand zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en daarom is de rechtskracht van het vonnis niet afhankelijk van de inschrijving.

    Art. 298 BW.

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

In de zaak van 

[appellant,  
wonende  te [district],  
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’ 
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,  

tegen 

[geïntimeerde,  
wondende  te [district], 
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’ 
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat, 
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 5 juli 2006 (A.R. no. 033750) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis bij vervroeging uit: 

1.Het procesverloop in hoger beroep 

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: 

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 28 juli 2006 hoger beroep heeft ingesteld; 
  • de pleitnota, overgelegd op 16 november 2007; 
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 7 maart 2008; 
  • de repliekpleitnota met productie, overgelegd op 15 mei 2015; 
  • de dupliekpleitnota, overgelegd op 5 juni 2015; 
  • de rechtsdag voor de uitspraak was hierna aanvankelijk bepaald op 16 oktober 2015 en vervolgens op 20 maart 2020, doch bij vervroeging op heden. 

 2. De feiten 
2.1 Partijen zijn op 29 augustus 1981 te Paramaribo buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.  
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig, doch ten tijde van het proces in eerste aanleg (het jaar 2003) was één der kinderen, [naam]  geboren op 10 augustus 1985 te Paramaribo, minderjarig. 
2.3 De vrouw heeft op 2 oktober 2003 een verzoekschrift ingediend tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorziening.  
2.4 Bij provisionele beschikking van  22 januari 2004,  A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter als voorlopige voorziening (onder meer) de alimentatie van de vrouw vastgesteld op SRD 4500,- en de kinderalimentatie op SRD 1500, -. 
2.5 Bij vonnis van 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter in het eerste kanton, bij verstek, de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken en het familieverhoor ter voorziening in de ouderlijke macht bepaald op 18 januari 2005; voorts heeft de kantonrechter alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald ten bedrage van SRD 4500,- per maand.  
2.6 De man heeft bij verzoekschrift d.d. 4 maart 2005 verzet ingediend tegen voornoemd vonnis van de kantonrechter. 
2.7 Bij vonnis van 5 juli 2006, A.R. no. 033750, heeft de kantonrechter in het eerste kanton de man tot goed opposant verklaard en het vonnis van de kantonrechter d.d. 7 juli 2004, waarvan verzet, bevestigd met uitzondering van de alimentatie ten behoeve van de vrouw en deze, opnieuw rechtdoende, op een bedrag van SRD 800,- per maand bepaald  ingaande de datum van inschrijving van het vonnis in de registers van de Burgerlijke Stand. 
2.8 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.  

 3. De ontvankelijkheid van het beroep 
De man en zijn gemachtigde zijn op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 5 juli 2006, ter terechtzitting aanwezig geweest. Voor de vrouw was namens haar gemachtigde, mr. Halfhuid ter terechtzitting aanwezig. Omdat de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 26 juli 2006, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 28 juli 2006, appel heeft aangetekend, is dit tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.  

 4. De vordering in eerste aanleg 
 4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat: 

  1. hij tot goed opposant zal worden verklaard; 
  2. het verstekvonnis van 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende geopposeerde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar oorspronkelijke vordering, althans deze haar te ontzeggen, als zijnde ongegrond en niet bewezen; 
  3. de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het geding. 

 5. De grieven 
De door de man aangevoerde grieven kunnen als volgt worden samengevat: 
I. Een vonnis waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken kan nimmer in de registers van de Burgerlijke Stand worden ingeschreven, doch bij de Griffie der Kantongerechten, zodat het vonnis van de kantonrechter d.d. 7 juli 2004 bekend onder A.R. no. 033750, onjuist is en derhalve vernietigd dient te worden. 
II. De kantonrechter heeft bij de bepaling van het alimentatiebedrag onvoldoende rekening gehouden met de financiële mogelijkheden van de man. De kantonrechter heeft slechts volstaan met de overweging: “(…) Onder de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter het redelijk en billijk dat de man het bedrag van SRD 800,- per maand aan alimentatie ter voorziening van de vrouw zal betalen. (..)”.  Op geen enkele wijze is aangegeven welke (financiële) omstandigheden tot de bepaling van voormeld bedrag aanleiding hebben gegeven. 

 6.De vordering in hoger beroep 
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg af te wijzen. 

 7. Het verweer 
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat de inschrijving in het huwelijks–goederenregister slechts een formaliteit ter voldoening aan een publiciteitsplicht is. Wanneer het vonnis niet wordt ingeschreven in het huwelijksgoederenregister zijn partijen ook gescheiden van tafel en bed; de rechtskracht van het vonnis is niet afhankelijk  van de inschrijving.  
Voorts heeft de vrouw als verweer aangevoerd dat de provisonele beschikking van 22 januari 2004, waarin de alimentatie is bepaald op SRD 4.500,00, van kracht blijft totdat in hoger beroep is beslist. De kantonrechter heeft wel voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van de man en daardoor de alimentatie, van SRD 4500,- (vierduizend vijfhonderd Surinaamse dollar), teruggebracht naar SRD 800,- (achthonderd Surinaamse dollar).  

 8.De beoordeling 
8.1 Alvorens in te gaan op de grieven constateert het Hof dat de man bij conclusie van repliek heeft aangevoerd dat hij zich niet kan terugvinden in de scheiding van tafel en bed, hebbende hij in eerste aanleg geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring, dan wel ontzegging van de vordering van de vrouw. 
8.2 Het Hof overweegt dat ingevolge de wet, met name artikel 286  jo. 262 BW, scheiding van tafel en bed op dezelfde grond als echtscheiding, te weten duurzame ontwrichting, kan worden gevorderd. De vrouw heeft aan haar vordering tot scheiding van tafel en bed duurzame ontwrichting ten grondslag gelegd. Zij heeft in haar verzoekschrift in  eerste aanleg gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat de man een buitenechtelijke relatie op na houdt en dat zulks de reden is dat hij al geruime tijd niet in de echtelijke woning samen woont. De man heeft de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet betwist en heeft tevens onvoldoende gemotiveerd waarom hij zich niet kan vinden in de scheiding van tafel van bed. Het Hof is van oordeel dat, nu de vrouw voldoende onderbouwing aan het door haar gevorderd verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft gegeven en de man zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd heeft, de duurzame ontwrichting vast staat. Het vonnis waarbij de vordering tot scheiding van tafel en bed is uitgesproken zal worden bevestigd met inachtneming van het volgende. 
8.3 De wet, met name artikel 298 BW, stelt de inschrijving van een vonnis, waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, in het huwelijksgoederenregister, gehouden ter Griffie van het Kantongerecht, niet verplicht, maar bij het achterwege laten kan de scheiding van tafel en bed niet worden tegengeworpen aan onkundige derden. Inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand is niet nodig: het huwelijk blijft immers in stand. De scheiding van tafel en bed komt tot stand zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en daarom is de rechtskracht van het vonnis niet afhankelijk van de inschrijving. Het Hof is van oordeel dat er in het onderhavige  sprake is van een kennelijke verschrijving. Gelet op het voorgaande wordt de eerste grief  verworpen. 
8.4 Ingaand op de tweede aangevoerde grief overweegt het Hof dat deze zich richt op de vaststelling het levensonderhoud ten behoeve van de vrouw. De man vindt het toegewezen bedrag te hoog en komt daartegen in hoger beroep op. Enerzijds speelt dus de draagkracht van de man een rol, anderzijds de behoefte van de vrouw. De man stelt dat de vrouw een eigen bedrijf heeft waaruit zij inkomsten genereert, terwijl hij aan de andere kant het door de kantonrechter vastgestelde bedrag als wurgend ervaart. De vrouw daarentegen ontkent met klem dat zij een eigen bedrijf heeft. Derhalve heeft zij behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De man is volgens haar wel in staat het door de kantonrechter vastgestelde bedrag te voldoen. 
8.5 Naar het oordeel van Hof is voldoende vast komen te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud omdat de man zonder overlegging van enig bewijsmiddel heeft aangevoerd dat de vrouw een eigen bedrijf heeft, terwijl de vrouw dat ontkent. De man heeft daarmee niet aan zijn stelplicht voldaan. Het Hof acht de man in staat om het door de kantonrechter vastgesteld bedrag van SRD 800,- per maand aan de vrouw te betalen aangezien hij in eerste aanleg verklaard heeft dat hij bereid en in staat is om ten behoeve van het minderjarig kind een bedrag van SRD 1000,- per maand te betalen. In de vonnissen in eerste aanleg van 7 juli 2004 en 5 juli 2006 is de man niet veroordeeld tot het betalen van alimentatie aan het – destijds – minderjarige kind. Gelet op het voorgaande zal ook deze grief worden verworpen.  
8.6 Het Hof stelt vast dat de vrouw bij haar conclusie van antwoord in hoger beroep heeft aangevoerd dat de man niet in verzet is gekomen en ook geen hoger beroep heeft aangetekend tegen de provisionele beschikking van 22 januari 2004, waarbij de  kantonrechter als voorlopige voorziening de alimentatie van de vrouw heeft vastgesteld op een bedrag van SRD 4500,- en de kinderalimentatie heeft vastgesteld op een bedrag van SRD 1500,. Volgens de vrouw heeft dit tot gevolg dat de voorlopige voorziening met betrekking tot haar levensonderhoud blijft doorlopen totdat in hoger beroep definitief is beslist.  
8.7 Het Hof overweegt dat ingevolge de wet, met name artikel 263 Rv, van vonnissen en beschikkingen, welke aan het eindvonnis voorafgaan, slechts hoger beroep mag worden ingesteld tegelijk met het beroep van het eindvonnis. Nu de man niet (tegelijk) met het beroep tegen het eindvonnis hoger beroep heeft ingesteld tegen de provisionele beschikking van 22 januari 2004, blijft de in die beschikking getroffen voorlopige voorziening van kracht tot aan de dag van deze uitspraak met dien verstande dat de kinderalimentatie doorloopt tot aan de meerderjarigheid van het destijds minderjarig kind. 
8.8 Omdat partijen echtgenoten zijn is er aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.  

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof: 
9.1 vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de ingangsdatum is gesteld aan de datum van inschrijving van het vonnis in de Registers van de Burgerlijke Stand; 
en opnieuw rechtdoende:  
9.2 veroordeelt de man om aan de vrouw met ingang van heden een bedrag van SRD 800,- per maand te betalen ten titel van levensonderhoud. 
9.3 compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt. 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. A. Charan en  mr. S.M.M.Chu, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 maart 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier. 

 w.g. S.C. Berenstein                                                      w.g. D.D. Sewratan 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M. Babulall namens  mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerde.