SRU-HvJ-2020-37

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR-15704
  • Uitspraakdatum 04 december 2020
  • Publicatiedatum 13 april 2021
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Relaties SRU-K1-2019-17 | SRU-K1-2019-3
  • Inhoudsindicatie

    Hoger beroep: Appellant vordert dat de uitslag van de door de SOvA op 23 maart 2019 gehouden verkiezing van de Raad van Bestuur wordt opgeschort totdat over de rechtsgeldigheid van de verkiezingen c.q. de verkiezing van de Deken in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist. De kantonrechter weigert de gevraagde voorziening en appellant gaat hiertegen in hoger beroep.

    Het Hof bepaalt dat er informanten zullen worden gehoord en houdt iedere beslissing aan.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 
G.R. no. 15704 
4 december 2020 

In de zaak van 

[appellant]  
in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten, 
domicilie gekozen hebbende te Paramaribo, 
appellant in kort geding, 
hierna te noemen [appellant], 
procederend in persoon, 

tegen  

De Surinaamse Orde van Advocaten, rechtspersoon,  
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,  
geïntimeerde in kort geding, 
hierna te noemen SOvA,   
gemachtigde: voorheen mr. dr. G.N. Best, advocaat, thans mr. R. Sohansingh, advocaat, 
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 25 juni 2019 bekend onder AR no. 19-1919 tussen [appellant] als eiser en SOvA als gedaagde,  
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit. 

 1.Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen: 

  •  de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 25 juni 2019 hoger beroep heeft ingesteld; 
  • de pleitnota met producties ingediend op 19 december 2019; 
  • de antwoordpleitnota met producties ingediend op 10 januari 2020; 
  • de repliekpleitnota ingediend op 24 januari 2020; 
  • de dupliekpleitnota ingediend op 7 februari 2020.  

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 19 juni 2020 doch nader op heden.  

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 25 juni 2019. [appellant] heeft op dezelfde dag, te weten 25 juni 2019 appèl aangetekend. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn. [appellant] is dus ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl.   

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep: 
I. vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd25 juni 2019 met A.R. no. 19-1919, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen;
II. uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis;
III. veroordeling van SOvA in de proceskosten. 

4.De feiten
4.1 [appellant] is lid van de SOvA. 
4.2 De verkiezing voor de Raad van Bestuur van de Orde stond gepland voor 23 maart 2019.  [naam 1] (hierna [naam 1]) en [naam 2] (hierna [naam 2]) hadden zich als kandidaat verkiesbaar gesteld voor de functie van Deken.  
4.3 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 maart 2019, bekend onder A.R. no. 19-1069, heeft de kantonrechter de kandidaatstelling van [naam 1] voor de functie van Deken ongeldig verklaard.    
4.4 Bij verzoekschrift d.d. 20 maart 2019 was door de advocaten die zich kandidaat hadden gesteld tegen de lijst van [naam 1], bij de rechter in kort geding gevorderd dat [naam 3] (hierna [naam 3]) werd uitgesloten van deelname aan de verkiezing voor de functie van Deken.  
De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 22 maart 2019 met A.R. no. 19-1087 de gevraagde voorziening geweigerd.  
4.5 Op 23 maart 2019 zijn verkiezingen gehouden voor de Raad van Bestuur van de Orde.  
De leden van verkiezingscommissie waren: 

  • [naam 4] (voorzitter),  
  • [naam 5] (secretaris),  
  • [naam 6] (lid),  
  • [naam 7] (lid) en  
  • [naam 8] (lid). 

4.6 Op 23 maart 2019, nadat de verkiezingen waren gehouden, heeft de verkiezingscommissie een proces-verbaal opgemaakt van de gehouden verkiezingen waarin is opgenomen dat [naam 3] is gekozen tot Deken.  
4.7[naam 3] heeft ingevolge de Advocatenwet binnen een week schriftelijk te kennen gegeven dat zij haar verkiezing aanvaardt.  
4.8 In eerste aanleg heeft [appellant] – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de uitslag van de door de SOvA op 23 maart 2019 gehouden verkiezing van de Raad van Bestuur wordt opgeschort totdat over de rechtsgeldigheid van de verkiezingen c.q. de verkiezing van de Deken in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist.   
4.9 Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 25 juni 2019 bekend onder A.R. no. 19-1919 is de door [appellant] gevraagde voorziening geweigerd.  

5.De beoordeling
5.1 [appellant] heeft grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. Als grief I voert hij aan dat de rechter ten onrechte onder 2.3 van de feiten het volgende heeft overwogen: “In de periode voor de verkiezingen heeft [naam 3] zich verkiesbaar gesteld voor de functie van Deken van de Orde”.  
Volgens [appellant] heeft de kandidaatstelling van [naam 3] in strijd met het verkiezingsreglement plaatsgevonden, zodat haar verkiesbaarheid niet als feit kon worden aangenomen. [appellant] meent dat [naam 3] zich niet verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken. Ter onderbouwing van deze grief heeft [appellant] overgelegd een afschrift van een verklaring afgelegd door één van de leden van de verkiezingscommissie van de SOvA.  
Deze verklaring is gedateerd 20 maart 2019 en gericht aan [naam 2], advocaat. In deze verklaring is, zo ver van belang, het volgende opgenomen: 
“Ingevolge onze gespreken (lees gesprekken) van maandag 18 maart 2019 en dinsdag 19 maart 2019 verklaard (lees verklaart) ondergetekende, in zijn hoedanigheid van lid van de verkiezingscommissie ter verkiezing van de deken en leden van de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten, dat [naam 3] zich als lid verkiesbaar heeft gesteld voor de Raad van Bestuur van de Surinaamse Orde van Advocaten en niet als deken. Wij hebben als commissie haar kandidaatstelling als lid op de lijst van  [naam 1] goedgekeurd en niet als kandidaat voor de positie van deken. Het door de voorzitter van de verkiezingscommissie gestelde [naam 4] is in strijd met de waarheid……”. 
[appellant] heeft voorts aangevoerd dat de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van [naam 3] voor de verkiezing tot lid van de Raad van Bestuur heeft gewijzigd terwijl de kandidaatstellingstermijn reeds verstreken was. Dit, omdat het toen duidelijk was geworden dat [naam 1], die zich kandidaat had gesteld voor de functie van Deken, uitgesloten zou worden om aan de verkiezing mee te doen. Dit heeft tot gevolg gehad dat zowel [naam 3], [naam 1] als [naam 2] kandidaat waren voor de functie van Deken.  
[appellant] heeft het verzoek gedaan om [naam 8] en de overige leden van de verkiezingscommissie, als informant, ter zake te horen.  

5.1.1 De SOvA heeft als formeel verweer aangevoerd dat grief I een nieuw verweer is welke [appellant] uitsluitend bij memorie van grieven had kunnen voeren en concludeert dat het Hof voorbij gaat aan deze grief en het gedane verzoek tot getuigenverhoor.    
Dit verweer zal worden verworpen.  
Het recht op een eerlijk proces brengt met zich dat ook indien de appellant, in casu [appellant], geen memorie van grieven heeft genomen, het Hof in zijn oordeel moet betrekken hetgeen de appellant bij pleidooi heeft aangevoerd ter ondersteuning van stellingen en weren. 
Door het hoger beroep is de zaak in de volle omvang aan het oordeel van het Hof als appelrechter onderworpen en dient het Hof, ook bij gebreke van een memorie van grieven, in zijn beoordeling te betrekken hetgeen [appellant] als appellant bij gelegenheid van zijn pleidooi naar voren heeft gebracht om door hem in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren toe te lichten, te verbeteren en aan te vullen.  
Bovendien, ook indien het juist is dat het door [appellant] aangevoerde ter zake grief I pas in hoger beroep aan de orde is gesteld, is de SOvA niet geschaad in haar verdediging. Zij heeft immers de gelegenheid gehad om daarop te reageren bij antwoord- en dupliekpleidooi.  
5.2 De SOvA voert tevens aan dat de kantonrechter een rechtsfeit heeft vastgesteld dat [naam 3] zich voorafgaand aan de verkiezingen, verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken van de Orde. Volgens de SOvA heeft de kantonrechter terecht het voorgaande overwogen. Dit blijkt immers – aldus de SOvA – genoegzaam uit het in eerste aanleg bij conclusie van antwoord als productie 1 overgelegd schrijven van de voorzitter van de verkiezingscommissie, waarin hij verklaart dat de kandidaatstelling van [naam 3] voor de functie van deken is goedgekeurd. Daarnaast blijkt voormeld rechtsfeit volgens de SOvA ook uit het door [appellant] bij inleidend verzoekschrift als productie 2 overgelegd proces-verbaal van de Verkiezingscommissie d.d. 23 maart 2019. In dit proces-verbaal heeft de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van alle kandidaten, inclusief [naam 3], goedgekeurd. 
De SOvA betoogt verder dat de door [appellant] overgelegde verklaring van het ene lid van de verkiezingscommissie d.d. 20 maart 2019, één en ander zoals omschreven onder 5.1 hiervoor, kan worden aangemerkt als te zijn volstrekt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar.  
Dit, – althans zo begrijpt het Hof dat– omdat dit lid ook het proces-verbaal van de verkiezingscommissie waarin staat vermeld dat: 
 (i) drie (3) kandidaten zich voor de functie van Deken verkiesbaar hebben gesteld, waaronder [naam 3]; 
(ii) de kandidaatstelling van alle kandidaten door de verkiezingscommissie zijn goedgekeurd; 
(iii) [naam 3] is verkozen tot Deken en 
(iv) de verkiezingscommissie de verkiezing van [naam 3] bindend heeft verklaard, heeft medeondertekend. 

5.2.1  Na dit gemotiveerd verweer van de SOvA is [appellant] blijven volharden in zijn stelling dat [naam 3] zich in strijd met het verkiezingsreglement verkiesbaar heeft gesteld, met name dat zij zich niet verkiesbaar heeft gesteld voor de functie van Deken. Zoals reeds eerder overwogen heeft [appellant] voorts aangevoerd dat de verkiezingscommissie de kandidaatstelling van [naam 3] voor de verkiezing tot lid van de Raad van Bestuur heeft gewijzigd terwijl de kandidaatstellingstermijn reeds verstreken was. 
Gelet op het voorgaande acht het Hof het van belang om de leden van de verkiezingscommissie als informant te horen. Het gaat met name om de volgende personen te weten [naam 4] (voorzitter), [naam 5] (secretaris), [naam 6] (lid), [naam 7] (lid) en [naam 8] (lid). 
Het Hof zal dan ook een datum daartoe bepalen, zoals in het dictum te melden.  
Voorts acht het Hof het van belang om kennis te nemen van het verkiezingsreglement waar partijen gewag van maken in de gewisselde stukken maar welk zij niet ten processe hebben overgelegd. [appellant] zal – als de meest gerede partij – in de gelegenheid worden gesteld om dit document uiterlijk een week voor de onder 6.3 aangegeven datum in te dienen bij de griffier.  
5.3 Voor het overige zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.  

6.De beslissing
Het Hof: 
6.1 Bepaalt dat de personen zoals omschreven onder 5.2 van de beoordeling als informanten zullen worden gehoord en wel met het doel zoals omschreven in de beoordeling.  
6.2 Bepaalt dat de griffier de hiervoor genoemde personen zal oproepen voor voormeld doel en wel op dag en tijdstip als na te melden.  
6.3 Bepaalt dat de zaak ter fine van het voorgaande zal worden afgeroepen ter rolle van de terechtzitting van donderdag 14 januari 2021 om 11.00 uur des voormiddags. 
6.4 Stelt [appellant] in de gelegenheid om uiterlijk op 7 januari 2021 een exemplaar van het verkiezingsreglement bij de griffier in te dienen.   
6.5 Houdt iedere verdere beslissing aan.  

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en  mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden enbij vervroeging uitgesproken door  mr. D.D.Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 december 2020 in tegenwoordigheid van mr.S.C.Berenstein BSc, fungerend-griffier.  

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.