SRU-HvJ-2020-41

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-908
  • Uitspraakdatum 16 oktober 2020
  • Publicatiedatum 17 april 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    De Staat heeft niet in strijd gehandeld met het beginsel van verbod van willekeur door [verzoeker] op grond van het grote aantal ziektedagen niet te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. 

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker] 
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de Minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen: 

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 18 maart 2016;
  • de beschikking van het hof van 02 januari 2017 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 februari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 21 juli 2017;
  • het proces-verbaal van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 19 januari 2018, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 06 april 2018. 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker], ambtenaar in dienst van de Staat, is in 2003 bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 2e klasse.

2.2 In december 2014 zijn enkele penitentiaire ambtenaren van de lichting van [verzoeker] bevorderd tot de naast hogere rang. [verzoeker] bevond zich niet onder deze groep van bevorderde penitentiaire ambtenaren.

2.3 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 05 augustus 2015 van zijn procesgemachtigde, gericht aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister), kort gezegd, zich erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en de minister verzocht om hem binnen redelijke termijn te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014.

2.4 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 21 augustus 2015, gericht aan de directeur van de Penitentiaire Inrichting [plaats], bezwaar aangetekend tegen een door hem gekregen negatieve beoordeling over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. [verzoeker] heeft bij deze gelegenheid zich voorts erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en voormelde directeur verzocht het daarheen te leiden dat hij binnen een redelijke termijn wordt bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014. Een kopie van dit schrijven is onder meer verzonden aan de (nieuw aangetreden) minister en de onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg.

2.5 Bij schrijven d.d. 11 februari 2016, DZ/[nummer], met als onderwerp ‘reactie bezwaarschrift’, is namens de waarnemend onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg het volgende aan [verzoeker] bericht:

Penitentiaire ambtenaar [verzoeker],
Middels deze delen wij u mede dat bij de laatst gehouden bevorderingen in het jaar 2014 u vanwege uw groot aantal ziektedagen niet in aanmerking kwam voor bevorderingen in de naast hogere rang.
Wij doen er alles aan om u, zolang u aan de voorwaarden voldoet, bij de eerstvolgende bevorderingen te bevorderen in de naast hogere rang.

2.6 De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016, SM [nummer 2], onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:

“Geachte heer,
Naar aanleiding van uw schrijven van 21 augustus 2015, wordt u als volgt bericht.
Uit onderzoek is komen vast te staan dat u niet bent voorgedragen voor bevordering in de naast hogere rang vanwege het feit dat u vaker ziek meld [sic] waardoor de dienst niet op u kan rekenen. Als gevolg van uw presentiegedrag zijn er correctiegesprekken met u gevoerd die helaas geen soelaas hebben geboden.
U bent niet alleen beoordeeld aan de hand van uw presentiegedrag maar ook aan de hand van alle gedragingen en handelingen binnen de dienst.

Penitentiaire ambtenaren die het niet nauw nemen met de dienst kunnen nimmer conform enkele bevorderingseisen worden benoemd.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. het genomen besluit van de Staat tot het verlies van aanspraak op bevordering van [verzoeker] zal worden vernietigd;
b. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007 en met behoud van anciënniteit;
c. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2014, indien het hof niet meegaat met de ingangsdatum onder sustenu b, en met behoud van anciënniteit;
d. een dwangsom zal worden verbeurd van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft om uitvoering te geven aan het sub b of sub c gevorderde;
e. de Staat zal worden gelast aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014.[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Volgens het bevorderingsbeleid had [verzoeker] in 2007 moeten worden bevorderd tot de naast hogere rang en wel die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. [verzoeker] heeft het als willekeur ervaren dat hij zonder deugdelijke motivering buiten de groep van in december 2014 bevorderde ambtenaren is gelaten. Hij ervaart het als een enorme domper dat hij, na 13 jaren in de rang van penitentiaire ambtenaar 2e klasse te hebben gediend, nog steeds niet is bevorderd tot een naast hogere rang. [verzoeker] heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan enige laakbare handeling of gedraging. Hij heeft zich altijd opgesteld als een voorbeeldige leidinggevende en is nimmer in gebreke gesteld om zich te verweren voor enig plichtsverzuim. Kortom, hij heeft een goede staat van dienst als penitentiaire ambtenaar 2e klasse.[verzoeker] is op 18 augustus 2015 bekend geworden met een beoordelingsstaat, waarin is aangegeven dat hij negatief is beoordeeld over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. Hij heeft op 21 augustus 2015 bezwaar aangetekend tegen deze negatieve beoordeling (zie 2.4). De reden tot de negatieve beoordeling betreft de meerdere door [verzoeker] opgenomen ziekteverlofdagen. Dit kan echter nimmer leiden tot een negatieve beoordeling. [verzoeker] prestaties op de werkvloer dienen te worden meegenomen bij de beoordeling. [verzoeker] heeft op 16 februari 2016 het in 2.6 genoemd schrijven ontvangen, in welk schrijven is aangegeven dat hij niet zal worden bevorderd tot een naast hogere rang. In dit schrijven is tevens aangegeven dat hij door ziekte minder inzetbaar is voor de dienst. [verzoeker] kan zich niet hiermee verenigen. Hij is hernia patiënt en onder behandeling van de specialist [naam 1] (het hof begrijpt: [naam 1]). Laatstgenoemde heeft grondige onderzoeken gedaan en rust van belang gesteld. Volgens artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit moet vorenbedoeld verlies van aanspraak op bevordering gezien worden als een door de Staat opgelegde tuchtstraf. [verzoeker] zal op grond van artikel 79 lid 2 sub d Pw nietigverklaring vorderen van het besluit vervat in het schrijven d.d. 16 februari 2016.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Hetgeen van het hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden, is limitatief omschreven in artikel 79 Pw. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

4.1.2 Naar het hof begrijpt, gaat [verzoeker] ervan uit dat in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) is vervat het besluit tot oplegging aan hem van de in artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit genoemde tuchtstraf, te weten: stilstand van bezoldiging, bestaande uit verlies van de aanspraak op bevordering en van die op periodieke verhogingen, voor een tijdvak van ten hoogste drie jaar. Het in 3.1 onder a gevorderde strekt dan ook tot de nietigverklaring van dit door [verzoeker] gestelde besluit. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het hof vat het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde op als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van de Staat om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en met behoud van anciënniteit. Het hof acht zich derhalve op grond van voormelde bepaling bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.

4.1.4 Het hof beschouwt het in 3.1 onder e gevorderde als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het nalaten van de Staat om aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een (penitentiaire) ambtenaar een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij het in 2.6 genoemd schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016, waarin zou zijn vervat het besluit tot oplegging aan hem van de door hem gestelde tuchtstraf (zie 4.1.2), op dezelfde datum heeft ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 18 maart 2016 heeft ingediend, derhalve meer dan een maand na 16 februari 2016 – de maand februari 2016 telt immers 29 dagen –, is hij tardief met het in 3.1 onder a gevorderde en dient hij daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2.2 Het hof overweegt ten overvloede dat ook in geval [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn in het in 3.1 onder a gevorderde, dit gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof kan immers het door [verzoeker] gehuldigde uitgangspunt, zoals weergegeven in 4.1.2, niet als juist worden aanvaard. De in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 gedane mededeling omtrent het uitblijven van de bevordering van [verzoeker] in 2014 is, anders dan [verzoeker] meent, geen besluit (in de zin van de Personeelswet) en allerminst een besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de door hem gestelde tuchtstraf, hoe zeer hij het ook als zodanig ervaart. In voormeld schrijven, niet zijnde een ministeriële beschikking, wordt [verzoeker] bovendien niet verweten zich aan enig plichtsverzuim schuldig te hebben gemaakt.

4.2.3 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] het in 3.1 onder b tot en met e gevorderde te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij daarin ontvankelijk is.

4.3 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 2] (hierna: [naam 2]), directeur van de Penitentiaire Inrichting [plaats], heeft ter gelegenheid van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] op 28 december 2016 is bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel te rekenen van 01 januari 2016. [verzoeker] heeft zulks bevestigd, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Het hof acht daarom termen aanwezig het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde thans te lezen als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten door de Staat om [verzoeker] bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en wel met behoud van anciënniteit, zulks in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het voorgaande is niet van invloed op de bevoegdheid van het hof om van dit gevorderde kennis te nemen.

4.4.1 Thans dient beantwoord te worden de vraag of de Staat in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse in te laten gaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.4.2 Vooropgesteld wordt dat er een regeling met betrekking tot de bevordering van penitentiaire ambtenaren bestaat, welke regeling is opgenomen in de artikelen 42 en 43 van het op [verzoeker] van toepassing zijnde Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren (G.B. 1973 no. 61, gelijk dit luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1983, no. 102). Artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van voormeld reglement luidt als volgt:

“In aanmerking voor benoeming in de rang van penitentiaire ambtenaar der eerste klasse komt de penitentiaire ambtenaar der tweede klasse, die – onverminderd de eisen van geschiktheid voor de nieuwe rang en rekening houdende met de formatie een – diensttijd van tenminste vier jaren in die klasse heeft vervuld en in het bezit is van het Diploma-B penitentiaire ambtenaar.”

4.4.3 [naam 2] heeft ter zitting onweersproken dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaard, dat de formatie het pas in 2014 toeliet dat de lichting van [verzoeker] in aanmerking kwam voor bevordering tot de naast hogere rang, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. [verzoeker] heeft immers niet beweerd dat lichtingsgenoten van hem in 2007, althans vóór 2014 zijn bevorderd tot de naast hogere rang – zijnde die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse – en zulks is ook niet gebleken.

4.4.4 Blijkens artikel 2 lid 3 van het Penitentiair Besluit geschiedt de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag van de penitentiaire ambtenaren door de minister, voor zover deze bevoegdheid niet aan een andere autoriteit is toegekend. De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) onder meer aan [verzoeker] bericht dat uit onderzoek is komen vast te staan dat hij (in 2014) niet is voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang vanwege zijn vele ziektedagen, waardoor de dienst niet op hem kon rekenen. Dit vindt ondersteuning in hetgeen [naam 2] ter zitting heeft verklaard. Blijkens het door de Staat overgelegde overzicht van het presentiegedrag van [verzoeker] (productie no. 2 bij de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017) had [verzoeker] in de periode 2007 tot en met 2014 in totaal 573 ziektedagen. [verzoeker] heeft voormeld overzicht niet betwist, zodat het hof van de juistheid van het aantal van 573 ziektedagen uitgaat. In de visie van het hof kon de Staat in alle redelijkheid reeds op grond van dit grote aantal ziektedagen, waardoor [verzoeker] in sterk vermindere mate inzetbaar was voor de dienst, tot het oordeel zijn gekomen dat [verzoeker] in december 2014 niet in aanmerking kwam voor bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. Zulks ongeacht of al dan niet aan het bepaalde in artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van het Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren was voldaan. Dat [verzoeker] niets aan zijn ziekte kan doen, doet daar evenmin aan af. Gelet op het voorgaande is, ongeacht hetgeen [verzoeker] voorts heeft gesteld, niet komen vast te staan dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het beginsel van verbod van willekeur door [verzoeker] in december 2014 niet te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. 

4.5 Uit hetgeen hierboven in 4.4.3 en 4.4.4 is overwogen, volgt dat de Staat niet in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans december 2014. Het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde zal dan ook worden afgewezen. Het in 3.1 onder e gevorderde, dat als een sequeel daarvan heeft te gelden, ondergaat hetzelfde lot.

4.6 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 onder a gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld