SRU-HvJ-2020-42

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A-899
  • Uitspraakdatum 15 mei 2020
  • Publicatiedatum 17 april 2021
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Naar het oordeel van het hof mag van de Staat, die als ondeelbaar moet worden beschouwd, worden verwacht dat deze in het onderhavige geding een financieel overzicht overlegt waaruit niet alleen verzoeker maar ook het hof, zou kunnen afleiden dat het volledige achterstallige salaris inderdaad is betaald. 
    Verzoeker hoeft het betaalde bedrag aan achterstallig salaris niet (eerst) intern met zijn werkgever zou opnemen. 

    Het Hof veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan verzoeker te betalen het achterstallig salaris, de maandelijkse toelage voor de waarneming van de functie, en de buitengerechtelijke kosten. 

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigden: mr. M.D. Lau-Kerssenberg en mr. M.A. Gout, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
domicilie hebbende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, vervolgingsambtenaar,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen: 

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 29 december 2015;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 04 mei 2016;
  • de beschikking van het hof van 30 mei 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 07 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en van de voortzetting daarvan gehouden op respectievelijk 21 oktober 2016, 04 november 2016 en 02 december 2016;
  • de producties door de Staat overgelegd op 02 december 2016;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 januari 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde stukken zijdens de Staat, overgelegd op 17 februari 2017. 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017, doch nader op heden.

De feiten
2.1 [verzoeker], leerkracht MBO (Natin) in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, is bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 januari 2014, no. [nummer] no. [nummer 2] no. [nummer 3] [nummer 4], te rekenen van 01 november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken (hierna ook wel aangeduid als: het ministerie) met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand.

2.2 [verzoeker] is vervolgens bij beschikking van de minister van Openbare Werken (hierna ook aangeduid als: de minister) d.d. 10 februari 2014, no. [nummer 5] no. [nummer 6], te rekenen van 11 december 2013 overgeplaatst van het Directoraat Openbaar Groen naar het Directoraat Civieltechnische Werken (Vuilophaal en Verwerking) van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand. 

2.3 De minister heeft bij circulaire d.d. 23 december 2013, gericht aan de (onder)directeuren, (beleids)adviseurs, (hoofd)beleidsmedewerkers, dienst- en afdelingshoofden en personeel van het ministerie, bekendgemaakt dat [verzoeker] ingaande 20 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening.

2.4 Bij missive van de Raad van Ministers d.d. 28 februari 2014, no. [nummer 7], is goedgekeurd dat [verzoeker] te rekenen van 23 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening (hierna ook wel aangeduid als: de functie), onder toekenning van een waarnemingstoelage.

2.5 De minister heeft bij schrijven d.d. 29 juli 2014, Mow [nummer 8], het volgende aan de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling bericht:

Betreft:
Weder tewerkstelling dhr. [verzoeker], BSc. op het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling
Collega, 

Vanaf 20 december 2013 is dhr. [verzoeker], BSc. tewerkgesteld op het Ministerie van Openbare Werken alwaar hij belast is geworden met de waarneming van de functie van Onderdirecteur Dienstverlening. In de afgelopen periode is echter gebleken dat het functioneren van dhr. [verzoeker] niet heeft voldaan aan de verwachtingen van de departementsleiding. 

Het handhaven van betrokkene op het Ministerie van Openbare Werken is derhalve niet langer opportuun, weshalve ik u vraag betrokkene wederom in de gelegenheid te stellen zich verdienstelijk te maken op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en wel per 1 augustus as.

2.6 De minister heeft [verzoeker] op 31 juli 2014 mondeling meegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang geen werkzaamheden meer op het ministerie mocht verrichten en dat hij thuis nadere instructies moest afwachten.

2.7 De minister van Onderwijs en Volksontwikkeling ging in reactie op het in 2.5 vermeld schrijven d.d. 29 juli 2014 aanvankelijk akkoord met de wedertewerkstelling van [verzoeker] op dit ministerie, maar heeft vervolgens bij schrijven d.d. 22 oktober 2014, no. [nummer 9], het volgende aan de minister van Openbare Werken meegedeeld:

“Met referte aan uw schrijven d.d. 29 juli 2014 waarin gevraagd wordt de heer [verzoeker], BSc. te muteren van het Ministerie van Openbare Werken naar het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, kan gesteld worden dat zulks niet mogelijk is. De heer [verzoeker] heeft een overplaatsingsbeschikking, daterende 22 januari 2014 ontvangen waarin zijn mutatie naar het Ministerie van Openbare Werken is bekrachtigd door de ministers van beide ministeries. Er is geen andere beschikking die dat ongedaan maakt. Het is de persoon [verzoeker] die vrijwillig kan besluiten akkoord te gaan met de overplaatsing, anders is zulks met zijn beschikking in handen niet mogelijk.”

2.8 Het maandelijkse salaris van [verzoeker] werd, ook na diens overplaatsing te rekenen van 01 november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, door het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling betaald. Laatstgenoemd ministerie heeft de betaling van het salaris van [verzoeker] vanaf oktober 2015 stopgezet.

2.9 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde mr. Lau-Kerssenberg d.d. 09 november 2015, kort gezegd, op de – nieuw aangetreden – minister het beroep gedaan om binnen twee weken na ontvangst van dit schrijven het daarheen te leiden dat zijn volledige salaris vanaf 01 oktober 2015 en zijn waarnemingstoelage vanaf 20 december 2013 met alle emolumenten per direct wordt uitbetaald door het Ministerie van Openbare Werken, bij gebreke waarvan hij genoodzaakt zal zijn om zijn rechten geldend te maken.

2.10 De minister heeft in reactie hierop bij schrijven d.d. 04 december 2015, SOW [nummer 10], onder meer het volgende aan mr. Lau-Kerssenberg bericht:

Naar aanleiding van uw schrijven gedateerd 9 november 2015 inzake uw client [verzoeker] BSc het volgende. Dhr. [verzoeker] heeft inderdaad een overplaatsingsbeschikking van het Ministerie van Onderwijs naar het Ministerie van Openbare Werken. Echter is betrokkene nimmer overgenomen door dit ministerie dus ook nimmer uitbetaald en op grond hiervan kan dit ministerie zijn salaris ook niet blokkeren.Bij schrijven van 29 juli 2014 Mow [nummer 11] heeft de voormalige Minister van Openbare Werken aangegeven dat dhr. [verzoeker] weder tewerk gesteld wordt op het Ministerie van Onderwijs. Als reactie hierop is door de Minister van Onderwijs aangegeven dat dit slechts mogelijk zou zijn met goedkeuring van dhr. [verzoeker] daar hij reeds over zijn overplaatsingsbeschikking beschikt.

Bij schrijven van 5 december 2014 Mow [nummer 12] is door de Minister van Openbare Werken voorgesteld dat dhr. [verzoeker] toch tewerkgesteld wordt op het ministerie van Onderwijs daar: 

  • Hij een functie vervult binnen het onderwijs dat niet in de formatie van het ministerie van Openbare Werken voorkomt te weten Leerkracht MBO;
  • Hij niet naar tevredenheid van de departementsleiding gefunctioneerd heeft;
  • Hij reeds geruime tijd niet meer ingezet werd op Openbare Werken en nog altijd op de betaalsrol van het ministerie van Onderwijs voorkomt. 

Aangezien dhr. [verzoeker] niet op de betaalsrol van het ministerie van Openbare Werken voorkomt, kan dezerzijds zijn salaris niet gedeblokkeerd worden. Hij zal zijn verzoek moeten richten aan het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling.”

2.11 Bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 07 november 2016, no. [nummer 13], is besloten om [verzoeker] – volgens deze beschikking in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs – te rekenen van 01 november 2013 in de functie van chef Vuilverwerking over te plaatsen naar de Vuilophaal- en Vuilverwerkingsdienst van het Directoraat Civieltechnische Werken van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.522,- per maand.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om: 

  1. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris te rekenen van 01 oktober 2015, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  2. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen een waarnemingstoelage vanaf 20 november 2013 voor waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het ministerie, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
  3. aan [verzoeker] te betalen de (buiten)gerechtelijke kosten geraamd op SRD4.675,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening; 
  4. [verzoeker] weder tewerk te stellen, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat de Staat nalatig blijft om aan het vonnis gevolg te geven. [verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten. 

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft tot op heden geen toelage van het ministerie ontvangen voor de waarneming van de functie.[verzoeker] zit sedert 01 augustus 2014 thuis in opdracht van de minister, waardoor hij in een grote rechtsonzekere positie verkeert. Ingevolge artikel 30 (lees: artikel 30 lid 1) van de Personeelswet (Pw) wordt er op het salaris van een landsdienaar zonder zijn uitdrukkelijke machtiging geen bedragen gekort of ingehouden dan overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Aangezien [verzoeker] de Staat niet heeft gemachtigd om zijn salaris in te houden en hij nog steeds ingevolge de beschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) op het ministerie tewerk is gesteld, handelt de Staat in strijd met de bepalingen van de Personeelswet. [verzoeker] is sedert november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken, zodat dit ministerie en niet het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling [verzoeker] zijn maandelijkse salaris moet doorbetalen. Het Ministerie van Openbare Werken weigert dit echter te doen. De Staat heeft op de aanmaning van [verzoeker] d.d. 09 november 2015 (zie 2.9) op 04 december 2015 een onbegrijpelijke reactie gegeven (zie 2.10), waarvan de inhoud in strijd is met de regels van de Personeelswet en voorts op onwaarheden berust. De Staat maakt zich door zijn handelwijze schuldig aan wanprestatie. De Staat handelt voorts in stijd met het zorgvuldigheids-, het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel. De Staat handelt tevens contrair het goed werkgeverschap. [verzoeker], die nog steeds bereid en in staat is de bedongen werkzaamheden te verrichten, heeft er alle belang bij dat hij zo snel mogelijk zijn werkzaamheden hervat, althans dat zijn (achterstallig) loon zo snel mogelijk wordt (door)betaald. De inkomsten uit loon strekken namelijk tot zijn levensonderhoud, de maandelijke aflossing van SRD 1.000,- voor zijn woonhuis en de aflossing per kwartaal voor zijn masteropleiding van USD. 1.385,-. Door de handelwijze van de Staat was [verzoeker] genoodzaakt om (buiten)gerechtelijke kosten te maken ten bedrage van SRD 4.675,-, welke kosten voor rekening van de Staat dienen te komen. Deze kosten zijn: advocaatkosten ad SRD 4.500,- en wel SRD 500,- voor een aanmaningsbrief en SRD 4.000,- voor proceskosten (lees kennelijk: honorarium), alsmede de deurwaarderskosten voorlopig begroot op SRD 175,- voor betekening van de aanmaningsbrief.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen: 

  1. totgehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur; 
  2. totvergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde; 
  3. totoplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald. In artikel 79 lid 2 Pw zijn limitatief opgesomd de voor nietigverklaring vatbare besluiten. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. 

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren. [verzoeker] vordert in 3.1 onder 1 betaling van achterstallig salaris vanaf 01 oktober 2015. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het in 3.1 onder 1 gevorderde zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen. 

4.1.3 Het hof beschouwt de in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde waarnemingstoelage respectievelijk buitengerechtelijke kosten eveneens als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich op grond van voormelde bepaling daarom bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen. Voor zover de Staat ter zake van de gevorderde buitengerechtelijke kosten – deze moeten worden onderscheiden van de gerechtelijke of proceskosten – een andere mening erop nahoudt, gaat hij uit van een onjuiste opvatting. Ten aanzien van de gerechtelijke of proceskosten, verwijst het hof naar het in 4.9 overwogene. 

4.1.4 Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw tevens bevoegd kennis te nemen van de mede gevorderde dwangsom.

4.1.5 De in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling van [verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de onderhavige vordering te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij ontvankelijk is in het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde. 

Achterstallig salaris
4.3.1 Het hof stelt voorop dat uit de processtukken blijkt dat het één en ander flink mis is gegaan op het ministerie alwaar [verzoeker] vanaf 01 november 2013 middels de overplaatsingsbeschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) was tewerkgesteld, als gevolg waarvan [verzoeker] vanaf oktober 2015 ten onrechte zijn maandelijkse salaris heeft moeten ontberen. Naar het oordeel van het hof kan het voorgaande de Staat worden aangerekend en heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens [verzoeker]. 

4.3.2 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, mevrouw mr. [naam], heeft ter terechtzitting van 02 december 2016 een salarisstrook ten name van [verzoeker] over de maand november 2016 overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat het achterstallige salaris aan [verzoeker] is betaald. Blijkens voormelde salarisstrook is een bedrag groot SRD 33.604,- aan achterstallige bezoldiging – naar het hof begrijpt over de periode van oktober 2015 tot en met oktober 2016 – betaald, alsmede het salaris over maand november 2016. 

4.3.3 [verzoeker] heeft bij conclusie tot uitlating producties erkend dat de Staat in de maand november 2016 een (netto)bedrag groot SRD 28.443,54 op zijn rekening heeft gestort. [verzoeker] heeft echter betwist dat het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. Hij heeft, naar het hof begrijpt en kort gezegd, gesteld dat uit de salarisstrook van november 2016 blijkt dat de Staat ten onrechte bepaalde door hem, [verzoeker], met name genoemde componenten niet heeft betaald dan wel op het salaris heeft ingehouden. [verzoeker] heeft voorts gesteld dat de Staat heeft verzuimd om samen met voren bedoelde salarisstrook een financieel overzicht over de periode van november 2013 tot november 2016 over te leggen. 

4.3.4 De Staat is niet inhoudelijk ingegaan op het door [verzoeker] ingenomen standpunt dat niet het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. De Staat heeft voren bedoeld financieel overzicht ook niet overgelegd. De Staat heeft, naar het hof begrijpt, betoogd dat het [verzoeker] vrijstaat zich te wenden tot zijn werkgever voor het verkrijgen van het door hem gewenste financieel overzicht en dat het ongepast is dat [verzoeker] zich ter zake hiervan tot het hof wendt, zonder hierover (eerst) met zijn werkgever afgestemd te hebben. Het hof volgt de Staat niet in dit betoog. [verzoeker] heeft onder meer ten aanzien van het achterstallige salaris een vordering ingesteld tegen de Staat, die thans aanvoert het achterstallige salaris inmiddels aan [verzoeker] te hebben betaald. Naar het oordeel van het hof mag van de Staat, die als ondeelbaar moet worden beschouwd, worden verwacht dat deze in het onderhavige geding – waarbij partijen van mening verschillen over de al dan niet volledige betaling van het achterstallige salaris – ter onderbouwing van het door hem aangevoerde een financieel overzicht overlegt waaruit niet alleen [verzoeker] maar ook het hof, dat over de vordering moet beslissen, zou kunnen afleiden dat het volledige achterstallige salaris inderdaad aan [verzoeker] is betaald. Het hof tekent hierbij aan dat voren bedoeld overzicht, nu [verzoeker] betaling van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 heeft gevorderd, slechts de periode vanaf oktober 2015 dient te betreffen. Het hof volgt de Staat, gelet op diens ondeelbaarheid, evenmin in zijn betoog dat [verzoeker] de vermeende onregelmatigheden ter zake het betaalde bedrag aan achterstallig salaris (eerst) intern met zijn, [verzoeker], werkgever zou moeten opnemen. 

4.3.5 Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het in 3.1 onder 1 gevorderde achterstallige salaris vanaf 01 oktober 2015. [verzoeker] heeft ten eerste gesteld dat hij niet is betaald voor 167 uren aan overwerk, verricht in de periode van 23 november 2013 tot 19 december 2013. Het hof gaat voorbij aan deze stelling, omdat deze overuren niet geacht kunnen worden onderdeel te zijn van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015. 

4.3.6 Als niet weersproken staat rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] vanaf 01 oktober 2015 tot en met eind november 2016 niet medisch verzekerd was en dat de Staat (over deze periode) onterecht een bedrag van SRD 1.447,76 aan ‘SZF werknemers aandeel’ op zijn salaris heeft ingehouden. Het hof overweegt dat dit bedrag derhalve aan [verzoeker] dient te worden terugbetaald. 

4.3.7 [verzoeker] heeft voorts, naar het hof begrijpt, gesteld dat hij als chef Vuilverwerking van het ministerie recht heeft op een jaarlijkse kledingtoelage van SRD 550,- vanaf het jaar 2014, maar dat deze toelage niet aan hem is betaald. [verzoeker] heeft zijn vermeende aanspraak op voormelde kledingtoelage niet onderbouwd. Voren bedoelde aanspraak blijkt immers niet uit de beschikking d.d. 07 november 2016 (zie 2.11) noch is deze anderszins gebleken. [verzoeker] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht ter zake. Voor zover de onderhavige vordering ook betrekking heeft op voormelde kledingtoelage, zal dit onderdeel van het gevorderde worden afgewezen. 

4.3.8 Voorts staat als niet weersproken rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] aanspraak maakt op de hieronder genoemde componenten, maar dat deze niet aan hem zijn betaald: 

  • de onbelaste loonheffingskorting respectievelijk ad SRD 50,- per maand over de maanden oktober 2015 en november 2015, ad SRD 100,- per maand over de maanden december 2015 tot en met mei 2016 en ad SRD 125,- per maand over de maanden juni 2016 tot en met november 2016, bedragende deze in totaal SRD 100,- (2 x SRD 50,-) + SRD 600,- (6 x SRD 100,-) + SRD 750,- (6 x SRD 125,-) = SRD 1.450,-;
  • de koopkrachtversterking van SRD 100,- per maand over de maanden oktober 2015 tot en met december 2016, bedragende deze in totaal SRD 1.500,- (15 x SRD 100,-);
  • de gratificatie van SRD 100,- over de maand december 2015. 

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Staat tevens een bedrag van SRD 3.050,- (SRD 1.450,- + SRD 1.500,- + SRD 100,-) aan [verzoeker] moet betalen. 

4.3.9 [verzoeker] heeft verder gesteld dat het bedrag van SRD 45,-, zijnde het verschil tussen zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.477,- op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.522,- vanaf zijn overplaatsing in november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, vanaf november 2013 tot en met oktober 2015 niet aan hem is betaald. De Staat heeft dit niet weersproken, zodat dit rechtens vaststaat tussen partijen. Nu alleen het verschil in bezoldiging van SRD 45,- over de maand oktober 2015 kan worden beschouwd als te zijn onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015, dient slechts laatstgenoemd bedrag aan [verzoeker] te worden betaald. Als onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 kan evenmin worden beschouwd het door [verzoeker] gestelde verschil in bezoldiging van SRD 45,- inzake zijn vakantie-uitkeringen van juli 2014 en juli 2015, zodat dit niet aan hem hoeft te worden betaald. 

4.3.10 Uit het in 4.3.6, 4.3.8 en 4.3.9 overwogene volgt dat de Staat in totaal een bedrag van SRD 4.542,76 (SRD 1.447,76 + SRD 3.050,- + SRD 45,-) aan achterstallig salaris aan [verzoeker] moet betalen. Dit bedrag zal dan ook als het mindere van het in 3.1 onder 1 gevorderde worden toegewezen. 

4.4 [verzoeker] heeft, kort gezegd, gesteld dat hij gedurende de periode waarin hij zorgverzekering ontbeerde, zelf zijn medische kosten moest betalen. Het hof beschouwt deze stelling als een bloot te kennen geven en gaat derhalve daaraan voorbij, nu [verzoeker] geen vergoeding van voren bedoelde – bovendien niet geconcretiseerde – medische kosten heeft gevorderd. 

Waarnemingstoelage
4.5 De Staat heeft [verzoeker] aanspraak op een toelage voor de waarneming van de functie niet betwist. De Staat heeft bij conclusie tot uitlating overgelegde stukken aangevoerd dat de Raad van Ministers bij missive de toekenning van voren bedoelde toelage aan [verzoeker] reeds heeft goedgekeurd en dat de nadere formalisering daarvan reeds ter hand is genomen. Vaststaat dat [verzoeker] van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014 belast is geweest met de waarneming van de functie en derhalve aanspraak maakt op toekenning van een waarnemingstoelage ter zake. Dit leidt tot de slotsom dat het in 3.1 onder 2 gevorderde – voor zover de waarnemingstoelage over voormelde periode niet reeds aan [verzoeker] is betaald – zal worden toegewezen als in het dictum te melden. 

Buitengerechtelijke kosten
4.6 De Staat heeft de door [verzoeker] gestelde en in 3.1 onder 3 gevorderde buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.675,- niet weersproken. Vast is komen te staan dat [verzoeker] deze – als schade aan te merken – kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen. 

4.7 De mede gevorderde dwangsom kan op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw worden opgelegd voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling, dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. De dwangsom is in casu niet gekoppeld aan een besluit of handeling, maar aan het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde, te beschouwen als vorderingen tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat deze niet kan worden toegewezen.

4.8 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist. 

4.9 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld. 

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.542,76 (vierduizend vijfhonderdtweeënveertig 76/100 Surinaamse dollar) aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. 

5.3 Veroordeelt de Staat – voor zover de betaling van de na te noemen waarnemingstoelage aan [verzoeker] nog niet is geschied – om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen de maandelijkse toelage voor de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie te rekenen van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. 

5.4 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.675,- (vierduizend zeshonderdvijfenzeventig 00/100 Surinaamse dollar) aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening; 

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend–griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Gout, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens mr. M. Winter, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyvel