SRU-HvJ-2021-11

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Artikel 70 jo. 61 WvSv.
  • Uitspraakdatum 30 juni 2021
  • Publicatiedatum 15 september 2022
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof is na kennisname van het bezwaar van verzoeker en het standpunt van de vervolging daaromtrent tot de slotsom gekomen dat er wel ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker zijn gerezen die een continuering van de vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Daarbij heeft het Hof eveneens acht geslagen op de maatschappelijke ‘impact’ die het aan het rollen komen van deze zaak heeft veroorzaakt en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd rechtvaardigen in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom dat er ernstige bezwaren zijn gerezen ten aanzien van verzoeker welke een continuering van zijn vrijheidsbeneming rechtvaardigen.

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKELEN 70 JO. 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikelen 70 jo. 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 09 juni 2021 door I.D. Kanhai BSc. en mr. J. Kraag, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, VAN TRIKT, ROBERT-GRAY, met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd conform de artikelen 70 jo. 61 Sv. op te willen heffen onder door het Hof te stellen voorwaarden en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te willen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 22 juni 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 30 juni 2021 om 09.30 uur des voormiddags;

Gehoord de raadslieden, I.D. Kanhai BSc. en mr. J. Kraag, advocaten bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. S. Mahadew, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 30 juni 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadslieden eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op of omstreeks 06 februari 2020 is aangehouden en in verzekering is gesteld, één en ander op verdenking van het hebben begaan van strafbare feiten zoals is omschreven in de verlenging van de inverzekeringstelling. Eveneens is gebleken dat op of omstreeks 07 februari 2020 en 13 februari 2020 er een gerechtelijk vooronderzoek is gestart, welk onderzoek op 05 mei 2020 door de rechter-commissaris is afgesloten. De behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is op 04 juni 2020 aangevangen;

Overwegende, dat het Hof na kennisname van het bezwaar van verzoeker en het standpunt van de vervolging daaromtrent tot de slotsom is gekomen dat er wel ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker zijn gerezen die een continuering van de vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Daarbij heeft het Hof eveneens acht geslagen op de maatschappelijke ‘impact’ die het aan het rollen komen van deze zaak heeft veroorzaakt en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd rechtvaardigen in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom dat er ernstige bezwaren zijn gerezen ten aanzien van verzoeker welke een continuering van zijn vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Bovendien is de Kantonrechter – in de visie van het Hof – beter in staat om te oordelen omtrent de strafwaardigheid van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en dat in samenhang te bezien met de eventuele continuering van de detentie van de verzoeker;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling van de zaak in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, VAN TRIKT, ROBERT-GRAY;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 30 juni 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)