SRU-HvJ-2021-14

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Artikel 61 WvSv.
  • Uitspraakdatum 16 juni 2021
  • Publicatiedatum 15 september 2022
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    in de visie van het Hof is de kantonrechter in eerste aanleg – gelet op de stand waarin deze zaak zich bevindt – beter in staat om te beoordelen of er al dan niet gronden aanwezig zijn voor continuering van de detentie van verzoeker. Immers beschikt de kantonrechter over het volledig dossier en is inhoudelijk op de hoogte van de zaak. Het Hof is voorts van oordeel, dat gelet op de behandeling in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op vrijdag 28 mei 2021 door mr. H.H. Vreden, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam 1], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op de mededeling van het Hof waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 16 juni 2021 om 13.00 uur des namiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, waarvan de verdediging kopielezer is gemaakt, van welke gelegenheid de verdediging heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadsvrouw en de reactie op het voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in haar verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 16 september 2020 in verzekering is gesteld terzake strafbare feiten, omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 280; 279; 278; 386; 280 jo. 73, 279 jo. 73, 278 jo. 73, 386 jo. 73 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging geeft aan dat verzoeker een first offender is en dat zijn recht op een eerlijk proces op een niet mis te verstane wijze is veronachtzaamd doordat niet alle processen-verbaal, waaronder het proces-verbaal gedateerd 23 september 2020, tijdig zijn verstrekt. Indien het voormeld proces-verbaal tijdig was verstrekt, dan zou er geen enkele valide reden aanwezig zijn geweest om het ingediend verzoek tot invrijheidstelling ex. artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering op 05 oktober 2020 af te wijzen. Voorts is door de verdediging gesteld dat de verzoeker de Nederlandse taal niet beheerst; hij heeft slechts tot de tweede klas van de lagere school onderwijs genoten waardoor hij niet kan lezen en schrijven. De verzoeker moest in opdracht van [Naam 2] een uur lang oefenen om een handtekening op naam van [Naam 3] na te bootsen. De verzoeker heeft geen betrokkenheid gehad bij het beramen van het plan en was ook niet bekend met het plan van [Naam 4] en [Naam 2] om de percelen te verkopen. Volgens de verdediging sluiten de handelingen van verzoeker niet aan op de in de dagvaarding opgenomen delictsomschrijvingen. Tot slot geeft de verdediging aan, dat verzoeker een dagvaarding, gedateerd 20 januari 2021 heeft ontvangen, om op donderdag 04 februari 2021 te 08.30 uur ’s morgens ter terechtzitting van de kantonrechter in het Tweede Kanton te verschijnen;

Overwegende, dat de vervolging in haar antwoord heeft aangegeven dat de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die strafbaar zijn gesteld in de artikelen 280; 278 en 279 van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien verzoeker een first offender is, zal de vervolging daar rekening mee houden bij de formulering van de strafeis. De vervolging geeft verder aan, dat de verdediging ten onrechte stelt dat het proces-verbaal niet tijdig is verstrekt, daar het proces-verbaal, gedateerd 23 september 2020, op de dag waarop het strafdossier aan de verdediging ter beschikking was gesteld, nog niet was ontvangen door het Openbaar Ministerie. Voorts, dat de ernstige bezwaren overeind staan, daar de benadeelde haar percelen is kwijt geraakt door het handelen van de verzoeker. Verzoeker heeft verklaard dat hij had geoefend om de handtekening ten name van [Naam 3] na te bootsen en dat hij wist dat het om een vervalste ID-kaart ging. De benadeelde lijdt als gevolg daarvan grote financiële verliezen en de rechtsorde is ernstig geschokt. Daarnaast zijn er concrete feiten en omstandigheden die de vrees voor bewijsvertroebeling rechtvaardigen. Op 04 februari 2021 is er in eerste aanleg een aanvang gemaakt met de behandeling van de zaak en op de terechtzitting van 03 juni 2021 heeft de kantonrechter op basis van de feiten en het procesdossier bepaald dat de voorlopige hechtenis van verzoeker zal worden gecontinueerd. De vervolging acht het prematuur om de voorlopige hechtenis van verzoeker, in de fase waarin de zaak zich nu bevindt, op te heffen. Ook bestaat er een vrees voor collusie, daar het verdachte- en getuigenverhoor nog moet plaatsvinden. Het bovenstaande in aanmerking nemend, heeft de vervolging gevraagd om het verzoek van verzoeker af te wijzen.
Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de kantonrechter reeds een aanvang heeft gemaakt met de behandeling van de zaak in eerste aanleg, waarbij de voortzetting van de behandeling in eerste aanleg is bepaald voor 19 augustus 2021. De kantonrechter heeft op de terechtzitting van 03 juni 2021 bepaald dat de ernstige bezwaren, die een onverwijlde continuering van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen, in casu aanwezig zijn;

Overwegende, dat de kantonrechter in eerste aanleg – gelet op de stand waarin deze zaak zich bevindt – in de visie van het Hof beter in staat is om te beoordelen of er al dan niet gronden aanwezig zijn voor continuering van de detentie van verzoeker. Immers beschikt de kantonrechter over het volledig dossier en is inhoudelijk op de hoogte van de zaak;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 juni 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)