SRU-HvJ-2021-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer G.R. no. 15022
  • Uitspraakdatum 03 december 2021
  • Publicatiedatum 11 september 2022
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Ansoe heeft haar standpunt pas na de uitgifte bekend gemaakt waardoor de Staat geen onrechtmatig handelen verweten kan worden. Vast is komen te staan dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door het perceel aan de stichting uit te geven. De daaropvolgende handelingen van de stichting vloeiden voort uit het recht van grondhuur en de executoriale titels die de stichting verkreeg door de rechtszaken die partijen tegen elkaar aanspanden. Ook hierdoor is er geen sprake geweest van onrechtmatig handelen van de Staat jegens Ansoe en ook niet van de stichting jegens Ansoe.

    Verkrijgende verjaring, onwettig occupant, ontrechtmatig handelen, onrechtmatige uitgifte, grondhuur, executoriale titels, de Wet Beginselen grondbeleid.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15022
3 december 2021

In de zaak van

DE N.V. ANSOE, rechtens geheten DE N.V. NIEUWE HOUTONDERNEMING ANSOE, gevestigd en kantoorhoudende in het district [District 1],
appellante,
hierna te noemen “Ansoe”,
gemachtigde: mr. K. Baldew, advocaat,

tegen

A. DE STICHTING MISSILE, gevestigd en kantoorhoudende te [Plaats 1],
B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
hierna te noemen: “de Stichting en de Staat”;
gemachtigde voor geïntimeerde sub A: voorheen mr. H.P. Boldewijn, advocaat, thans mr. J. Kraag en mr. C. Mijnals, advocaten,
gemachtigde voor geïntimeerde sub B: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 20 oktober 2009 in de zaak bekend onder AR no. 064102 tussen Ansoe als eiseres en de Stichting en de Staat als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 16 maart 2018.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 20 juli 2018, 3 augustus 2018, 19 oktober 2018, 16 november 2018, 4 januari 2019, 7 juni 2019,17 januari 2020 en 21 februari 2020;
• het schrijven van de raadsvrouwe van Ansoe d.d. 13 augustus 2021;
1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vordering in hoger beroep
2.1 Ansoe vordert in hoger beroep:
vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 20 oktober 2009 bekend onder arno. 064102 en opnieuw rechtdoende:
appellante alsnog toestemming te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag op het onroerend goed althans het gevorderde alsnog toe te wijzen.

2.2 Ansoe vorderde voorts de onderhavige zaak te voegen met de zaak bekend onder Grno. 15046 doch dat gevorderde is bij tussenvonnis van het Hof van 16 maart 2018 geweigerd.

3. De feiten
3.1 Bij beschikking van de Minister van Opbouw d.d. 5 maart 1959 met nummer [nummer 1] is het recht van erfpacht aan Ansoe afgestaan op het perceelland groot 0,6701 ha gelegen in het district [District 1], bekend als Serie E nummers [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] van de vestigingsplaats [plaats 2].

3.2 Bij beschikking van de Minister van Opbouw d.d. 11 mei 1963 met nummer [nummer 5] is aan Ansoe het recht van erfpacht afgestaan op de percelen groot 4355,54 vierkante meter gelegen in [District 1] binnen de vestigingsplaats [plaats 2] en deel uitmakende van de percelen bekend als [plaats 2] Serie E no. [nummer 6] en [nummer 7].

3.3 Bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 24 mei 2000 heeft de Staat aan de Stichting het recht van grondhuur verleend op het perceelland groot 0,7259 ha gelegen in het district [District 1] te [plaats 2] Serie E bekend als [plaats 2] serie E no. [nummer 8] en [plaats 2] Serie A no. [nummer 9].

3.4 Bij schrijven van 31 mei 2000 heeft de Staat aan Ansoe een sommatie gestuurd waarin de Staat Ansoe sommeert om alle activiteiten op het door Ansoe onwettig geoccupeerd stuk land, gelegen in het district [District 1], ten wensten en grenzende aan het perceel bekend als [plaats 2] Serie E no. [nummer 7] stop te zetten en het perceel onmiddellijk te ontruimen.

3.5 Bij verzoekschrift van 24 juli 2000, ingediend op 25 juli 2000 met LaD nummer [nummer 10] heeft Ansoe het perceelland dat ligt achter de percelen die zij in erfpacht heeft verkregen, en welk perceelland aan de stichting is uitgegeven in grondhuur, in grondhuur aangevraagd.

3.6 De stichting heeft tegen Ansoe een vordering ingediend welke bekend staat onder arno. 011776. Gevorderd werd dat Ansoe wordt veroordeeld om binnen een week na het vonnis de barakken en houtblokken staande op het perceelland dat aan haar in grondhuur is uitgegeven, te verwijderen.

3.7 In die zaak heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 16 maart 2004 geoordeeld dat de stichting de stelling van Ansoe, dat zij sedert 40 jaren activiteiten op het onroerend goed uitoefent en er zich op het perceel houtblokken en tien dienstwoningen van Ansoe bevinden, onweersproken heeft gelaten. De kantonrechter overweegt in dat vonnis alsvolgt:
“Overwegende, dat nu eiseres, naar haar stellingen valt af te leiden, in ieder geval, veertig jaren daarna het zakelijk genotsrecht van grondhuur op het litigieuze perceelland heeft verkregen, ontgaat het ons geheel hoe zij kan stellen, dat gedaagde zonder haar toestemming barakken op het litigieuze onroerend goed heeft opgezet alsook houtblokken heeft opgeslagen en dat zij, gedaagde, zich jegens eiseres aan een onrechtmatige daad schuldig maakt en dat zij als gevolg daarvan schade lijdt met gedaagde haar schuld daaraan;
Overwegende immers, dat gedaagde van eiseres, die pas in juni 2000 het zakelijk genotsrecht van grondhuur zou hebben verkregen, zeer beslist geen toestemming nodig had en eiseres die ook 40 jaar geleden niet kon geven aan gedaagde om haar activiteiten op het litigieuze perceelland te ontplooien en daarop houtblokken en dienstwoningen te hebben;
Overwegende, dat wij eiseres haar vordering dan ook zullen ontzeggen en haar als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen.”

3.8 De stichting heeft in 2005 ontruimingsvorderingen ingediend met betrekking tot het perceel dat aan haar in grondhuur is toegewezen, welke bekend staan onder de arnummers 054865 tot en met 054873. Bij vonnis van 13 april 2006 is in die zaken de vordering toegewezen. Op 14 oktober 2006 heeft de stichting het perceel ontruimd waarbij tevens de opstallen die op het perceel stonden zijn verwijderd.

3.9 Bij schrijven van 14 oktober 2006 afkomstig van de raadsvrouwe van Ansoe en gericht aan de stichting, heeft Ansoe onder de aandacht van de stichting gebracht dat zij, de Stichting, de dienstwoningen die aan Ansoe toebehoren, met de grond gelijk heeft gemaakt zonder dat zij daar ooit toestemming voor heeft gekregen. Ansoe stelt in dat schrijven dat zij de stichting aansprakelijk stelt voor de schade welke geschat is op USD.200.000,=. Ansoe stelt dat de stichting bewust te kwader trouw heeft gehandeld. De schade bestaat niet alleen uit de woningen die zijn verwijderd doch ook uit de gederfde inkomsten ad. USD.4.000,= per dag doordat de exportorders in het gedrang zijn gekomen en de arbeiders uit hun huis moesten vluchten voor het grof geweld van de machines waarmee de huizen werden neergehaald terwijl zij er nog in zaten. Ansoe voert aan dat de stichting zich aan wanprestatie schuldig heeft gemaakt en dat de stichting aansprakelijk is voor de schade welke zij begroot op USD.100.000,= aan voorlopige schade en USD.100.000,= aan gevolgschade. Ansoe sommeert de stichting om deze schade aan haar te voldoen.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof overweegt dat Ansoe in deze zaak, blijkens het inleidend verzoekschrift vordert dat stichting en de Staat worden veroordeeld om aan haar te betalen het bedrag van USD.200.000,= vermeerderd met de wettelijke rente en van waarde verklaart het gelegde conservatoir beslag. Ansoe heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat stichting en de Staat onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld als gevolg van welk onrechtmatig handelen zij schade heeft geleden ter hoogte van het gevorderde bedrag. Het onrechtmatig handelen heeft zij alsvolgt onderbouwd:
1. zij bewerkt en gebruikt het perceelland dat aan stichting is uitgegeven reeds langer dan veertig jaar en is door de Staat langer dan veertig jaar in het ongestoord-, openbaar- en ondubbelzinnig gebruik van de grond gelaten; hierdoor heeft zij erop vertrouwd dat het perceel haar toebehoorde danwel dat het perceel tenminste in huur aan haar zou worden uitgegeven;
2. ten onrechte heeft de Staat in 2000 besloten het perceel aan stichting in grondhuur uit te geven; stichting had daar niet eens een aanvraag voor ingediend; uit de rapportage van 22 maart 2000 afkomstig van de dienst grondinspectie blijkt dat de Staat ervan op de hoogte was dat Ansoe gebruik maakte van het perceel, daar een zestal arbeiderswoningen op had gebouwd en daar houtblokken had opgeslagen; ook blijkt uit het rapport dat Ansoe het gedeelte gelegen achter de nummers [nummer 2] tot en met [nummer 7] met houten palen heeft beschoeid;
3. dat ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid (SB 1982 no. 10) rechten op domeingrond in beginsel toekomen aan hen die de grond bebouwen, bewonen en bewerken; om die reden had de grond aan Ansoe moeten worden uitgegeven en niet aan de stichting; er is in haar geval geen sprake van onwettige occupatie;
4. Ansoe heeft het recht van grondhuur aangevraagd bij verzoekschrift van 24 juli 2000 en is degene die in aanmerking zou moeten komen voor het recht van grondhuur;
5. Ansoe heeft in de loop der jaren zeker USD.100.000,= in de grond geïnvesteerd welke investering zij thans door het handelen van de Staat en de stichting kwijt is geraakt; de Staat heeft onrechtmatig gehandeld door de grond onrechtmatig aan een derde uit te geven en de stichting handelt onrechtmatig door het perceel te ontruimen en de arbeiderswoningen met de grond gelijk te maken; door het handelen van de Staat en de stichting staat het bedrijf van Ansoe voor de helft stil omdat de arbeiders niet aan het werk komen.

4.2 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

4.3. Ansoe heeft in haar pleitnota vier grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

De beoordeling van de grieven I en II:
4.4.1 De eerste twee grieven hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter verwoord in 4.3 van het beroepen vonnis, dat Ansoe onwettig occupant is en geen rechten kan doen gelden op het perceel. Ansoe stelt in haar grieven dat de kantonrechter niet tot dat oordeel kon komen. Zij voert aan dat, indien de kantonrechter de feiten had onderzocht en de wet erop had nageslagen, zij tot een ander oordeel zou zijn gekomen. De kantonrechter heeft volgens Ansoe ten onrechte aangenomen dat Ansoe de grond onwettig had geoccupeerd.

4.4.2 Het Hof overweegt dat de kantonrechter in overweging 4.2 de stelling van Ansoe heeft besproken dat zij ingevolge artikel 3.1 van de Wet Beginselen Grondbeleid de persoon is die in aanmerking zou moeten komen voor het recht van grondhuur en dat haar geen onwettige occupatie kan worden verweten. De kantonrechter heeft daarbij gemotiveerd dat zij bij haar oordeel een aantal zaken in ogenschouw heeft genomen, zaken die zijn genoemd onder de punten a, b, c, d, e en f van 4.2. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat de stelling van Ansoe, dat de stichting het perceel nimmer heeft aangevraagd, faalt omdat Ansoe dat weliswaar heeft gesteld, doch dat dat door de stichting en de Staat is betwist. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat het op de weg van Ansoe lag om nadere feiten en omstandigheden aan te dragen die haar stelling staafden, hetgeen zij niet heeft gedaan. De kantonrechter heeft ook overwogen dat het occuperen van de grond door Ansoe als onwettig zou moeten worden aangemerkt ongeacht de wijze waarop de aanvraag van de stichting zou zijn verlopen.

4.4.3 Het Hof zal moeten oordelen of de kantonrechter met het voorgaande tot een verkeerde beslissing is gekomen.

4.4.4 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren van partijen het volgende begrepen kan worden:
1. Ansoe heeft in 1959 en in 1963 de percelen met de nummers [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 6] en [nummer 7] in erfpacht verkregen; zij heeft in de afgelopen jaren ook op de grond die naast of achter die percelen ligt, activiteiten ontplooid; naar zeggen van Ansoe was zij zich er niet van bewust dat zij op gronden naast de percelen activiteiten ontplooide; zij ging ervan uit dat zij activiteiten ontplooide op de gronden die aan haar in erfpacht waren toegewezen;
2. in het jaar 2000 heeft de Staat Ansoe aangesproken op het verrichten van activiteiten op de percelen die niet aan haar waren uitgegeven;
3. op 24 mei 2000 heeft de stichting het perceel waarop Ansoe activiteiten ontplooide in grondhuur verkregen;
4. in juli 2000 heeft Ansoe het perceel ook in grondhuur aangevraagd;
5. het recht van grondhuur over het betreffende perceel is niet aan Ansoe verleend.

4.4.5 Ansoe beroept zich op de uitspraak van de kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 van 16 maart 2004 en voert aan dat door die uitspraak in rechte is komen vast te staan dat Ansoe het perceel niet onwettig heeft geoccupeerd.

Het Hof overweegt dat het vonnis bekend onder arno. 011776 een vordering betreft van de stichting tegen Ansoe waarin de stichting heeft aangevoerd dat Ansoe de barakken en houtblokken moet verwijderen omdat deze zonder toestemming van de stichting op het perceel zijn geplaatst. De kantonrechter in die zaak heeft geoordeeld dat de barakken en houtblokken op het perceel zijn geplaatst lang voordat de stichting de titel op de grond had. Om die reden kan de stichting niet stellen dat de barakken en houtblokken zonder haar toestemming op het perceel zijn geplaatst omdat Ansoe van de stichting geen toestemming nodig had, immers, de stichting had vóór mei 2000 niets over het perceel te zeggen. Op grond daarvan is de vordering afgewezen.

Anders dan Ansoe meent heeft de kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 niet geoordeeld over de vraag of Ansoe rechtmatig of onrechtmatig het perceel occupeerde, dan wel op het perceel barakken of houtblokken plaatste. Over die vraag, die wel in het onderhavig geding aan de orde komt, is in die zaak niet geoordeeld. Er is slechts geoordeeld over de vraag of de stichting, vóórdat zij het recht van grondhuur verkreeg, iets te zeggen had over het perceel en of de stichting daarom redenen zou hebben om te stellen dat Ansoe, nog vóórdat de stichting de titel op de grond verkreeg in mei 2000, onrechtmatig jegens de stichting handelde door op het perceel houtblokken te plaatsen en barakken op te zetten. De kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 heeft terecht geoordeeld dat de stichting over de activiteiten van Ansoe op het perceel vóór mei 2000, geen vordering kon indienen immers, toen had de stichting nog geen enkele titel op het perceel.

Het Hof zal op grond van het voorgaande voorbij gaan aan het beroep van Ansoe op het vonnis in de zaak bekend onder arno. 011776.

4.4.6 Het Hof overweegt met betrekking tot het beroep van Ansoe op artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid en het beroep van Ansoe op de verkrijgende verjaring alsvolgt.
Ansoe beroept zich erop dat zij al lang op het perceel activiteiten ontplooide. De stichting heeft het perceel op een gegeven moment aangevraagd. Dat blijkt uit het advies van het hoofd van de dienst grondinspectie d.d. 22 maart 2000. In dat advies verwijst het hoofd van de dienst grondinspectie naar de aanvraag van de stichting. Op dat moment had Ansoe geen aanvraag ingediend voor het perceel en ook geen beroep gedaan op artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid of op verjaring. De aanvraag van de stichting was toen in behandeling bij de Staat, die de behandeling op een gegeven moment heeft afgerond en het perceelland in grondhuur heeft toegewezen in mei 2000. Pas nadat het perceel in grondhuur is toegewezen heeft Ansoe een aanvraag voor het perceel ingediend en haar standpunt met betrekking tot haar aanspraak op het perceel aan de Staat kenbaar gemaakt.

4.4.7 Het komt het Hof voor dat indien de dienst grondinspectie heeft gemerkt dat Ansoe op het perceel dat achter haar erfpachtspercelen ligt activiteiten ontplooit, het niet onbegrijpelijk is wanneer deze dienst ervan uitgaat dat die activiteiten worden ontplooid op een grond waar Ansoe geen titel op heeft en adviseert dat het perceel in grondhuur aan de aanvrager, de stichting, kan worden uitgegeven, zoals is opgenomen in het advies na het heronderzoek van 22 maart 2000 waarin het hoofd stelt: “Dezerzijds bestaat er geen bezwaar, dat genoemd gedeelte wordt uitgegeven”.

4.4.8 Het Hof overweegt dat, nu ten tijde van de aanvraag van de stichting en het onderzoek door de adviserende organen, geen kennis bestond van het standpunt van Ansoe dat zij eigelijk aanspraak zou maken op het perceel, vanwege het gebruik danwel vanwege verjaring, niet gesteld kan worden dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ansoe door het perceel uit te geven. Ansoe heeft haar standpunt pas na de uitgifte bekend gemaakt waardoor de Staat geen onrechtmatig handelen verweten kan worden.

4.4.9 Het Hof overweegt met betrekking tot de stelling van Ansoe dat de stichting geen aanvraag ingediend zou hebben dat, gelijk hiervoor onder 4.4.11 is overwogen, en gelijk de kantonrechter in het vonnis heeft overwogen, dat gestelde nergens uit blijkt en dat uit de producties eerder het tegendeel blijkt. Aan die stelling zal daarom ook voorbij gegaan moeten worden.

4.4.10 Het Hof acht op grond van het voorgaande de eerste twee grieven ongegrond.

De beoordeling van de grieven III en IV:
4.5.1 Het Hof overweegt dat de twee overige grieven handelen over de klacht dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat er wel sprake was van onrechtmatig handelen jegens Ansoe, dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met het belang van Ansoe en dat de overwegingen die gelden in de zaak Klooster ook gelden in de onderhavige zaak.

4.5.2 Het Hof overweegt dat, nu hierboven reeds is geoordeeld dat over de vraag of er sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de uitgifte van het recht van grondhuur aan de stichting, en het Hof tot het oordeel is gekomen dat daar geen sprake van was, ook voorbij gegaan zal moeten worden aan de twee laatste grieven. Vast is komen te staan dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door het perceel aan de stichting uit te geven. De daaropvolgende handelingen van de stichting vloeiden voort uit het recht van grondhuur en de executoriale titels die de stichting verkreeg door de rechtszaken die partijen tegen elkaar aanspanden. Ook hierdoor is er geen sprake geweest van onrechtmatig handelen van de Staat jegens Ansoe en ook niet van de stichting jegens Ansoe. Aan de desbetreffende grief zal daarom voorbij worden gegaan.

4.5.3 Het hof acht de overwegingen opgenomen in het beroepen vonnis met betrekking tot de zaak Klooster, voldoende gemotiveerd en begrijpelijk waardoor ook de desbetreffende grief niet gegrond wordt geacht.

4.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.7 Het Hof zal op grond van het voorgaande het beroepen vonnis bevestigen en Ansoe, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De beslissing
Het Hof

5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter gedateerd 20 oktober 2009 bekend onder arno. 064102 waarvan beroep;

5.2 Veroordeelt Ansoe in de kosten van dit geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en uitgesproken door
mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van
mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris                            w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Baldew, gemachtigde van appellante en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. J. Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.