SRU-HvJ-2021-42

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Artikel 4 WvSv.
  • Uitspraakdatum 05 juli 2021
  • Publicatiedatum 02 januari 2023
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Wanneer op een gegeven moment de vermoedelijke dader op heterdaad wordt betrapt, is het wel in het belang van de klagers, dat de zaak serieus wordt afgehandeld. Of de op heterdaad betrapte zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan de vorige diefstallen, doet er niets van af. Er mag niet aan voorbij gegaan worden dat klagers al vaker aangifte hebben gedaan en veel verlies lijden. Het nadeel voor klager [klager 2] is ernstig nu hij met de opbrengsten zijn pensioen van SRD 726,09 aanvult. De op heterdaad betrapte [naam] heeft overigens niet geschroomd tegen [klager 2] te zeggen “joe no mang doe neks”, toen die hem aansprak.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige raadkamer
Datum: 05 juli 2021

Beslissing van 05 juli 2021,
inzake het verzoek van [klager 1], wonende aan de [adres 1] te [plaats] en [klager 2], wonende aan de [adres 2] te [district], klagers, bijgestaan door hun raadsman, mr. B.A.H. Pick, advocaat bij het Hof van Justitie om het Openbaar Ministerie te bevelen tot het instellen van strafrechtelijke vervolging tegen de heer [naam], hierna te noemen beklaagde.

1. Procesverloop
1.1. De Klagers hebben op 06 april 2021 het beklagschrift ingediend, waarin zij hebben verzocht dat op basis van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), – zakelijk weergegeven en samengevat – het Openbaar Ministerie zal worden bevolen om een nader strafrechtelijk onderzoek in te stellen en de Procureur-Generaal te bevelen tot strafrechtelijke vervolging over te gaan van voornoemde beklaagde.

1.2. Voormeld beklagschrift is in behandeling genomen op maandag 05 juli 2021 waarbij de klagers en de waarnemend Procureur-Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3. Vervolgens is bepaald dat in deze zaak beschikking zal volgen.

2. Het standpunt van klager
2.1. De klagers hebben ter onderbouwing van hun beklag – kort en zakelijk weergegeven – en onder overlegging van stukken/bijlagen het volgende aangevoerd:
• dat zij sinds 2011 worden geteisterd doordat zakken met vruchten regelmatig worden gestolen van het perceel aan de [adres 2]. Naar aanleiding daarvan is er ettelijke malen aangifte gedaan bij de politie. De politie is van oordeel dat zij niets voor klagers kunnen betekenen zolang zij niemand op heterdaad betrappen.
• dat de verdachte op 20 februari 2019 op heterdaad is betrapt door de arbeiders van de klagers. Zij hebben de verdachte staande gehouden waarna de politie werd ingeschakeld. De klagers hebben tot hun verbazing moeten ervaren dat de verdachte na een paar dagen op vrije voeten was.
• dat er een schrijven is gericht aan het Openbaar Ministerie en dat schrijven is aangehecht aan het verzoekschrift. De vervolgingsambtenaar heeft geantwoord dat de zaak tegen de verdachte, [naam], voorwaardelijk is geseponeerd. De klagers zijn hieromtrent niet geïnformeerd door de politie, terwijl zij heel veel last hebben ondervonden en nog steeds ondervinden en schade lijden door de diefstallen. Deze zaak is heel principieel voor de klagers omdat er heel veel wordt geïnvesteerd op de landerijen.
• dat er bij de aanhouding zes volle zakken met mandarijnen en niet slechts 45 stuks klaarstonden om mee te worden genomen. Het gaat om diefstallen die jarenlang plaatsvinden.
• dat de klagers ettelijk malen aangifte hebben gedaan en ook hebben aangegeven op wie de verdenking rust. Klagers vragen zich af of dit wel in het dossier is vermeld. Op basis van het bovenstaande vorderen de klagers de strafrechtelijke vervolging van de beklaagde.

3. De reactie van de Waarnemend Procureur – Generaal
De vervolging gaf, zakelijk weergegeven de volgende reactie:
• dat de heer [klager 2] de rechtmatige eigenaar is van het desbetreffend perceel. Wellicht kan de heer [klager 1] aangeven in hoeverre hij ook belanghebbende is in deze zaak. De verdachte is door de werknemer van de benadeelde op heterdaad betrapt en het onderzoek heeft uitgewezen dat het in casu gaat om [naam].
• dat de 45 stuks mandarijnen zijn teruggeven aan de benadeelde. Gelet op de kleine hoeveelheid mandarijnen en het feit dat de verdachte op heterdaad is betrapt heeft de vervolgingsambtenaar besloten om deze zaak voorwaardelijk te seponeren. Op basis van de belangenafweging is de zaak dus voorwaardelijk geseponeerd.
• dat de overige aangiften betrekking hebben op diefstallen die zijn gepleegd door onbekende daders. Vooralsnog heeft het resultaat van de onderzoekshandelingen niet uitgewezen dat de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Ten aanzien van de overige aangiften hebben wij het politioneel dossier ook nog niet ontvangen. De aangiften zijn wel opgenomen, maar er kan nog geen dader worden aangewezen.
• de nodige onderzoekshandelingen zijn wel verricht door het Openbaar Ministerie en de politie, echter zijn de daders ten aanzien van de vorige diefstallen niet bekend. Ik wil u vragen om het verzoek van de verdediging af te wijzen.
• volgens de verklaring van de verdachte had hij de mandarijnen, waarmee hij een zak voor driekwart had gevuld, in de middaguren op zijn eigen perceel geplukt. Die zak werd in zijn auto aangetroffen. De verdachte had 45 stuks mandarijnen uit de boom van de benadeelde geplukt.
• de telefonische melding is op 20 februari 2020 om 21.00 uur ’s avonds gedaan en de verdachte was toen op heterdaad betrapt. De vervolging verzoekt u om het verzoek/beklag van de klagers af te wijzen.

4. De beoordeling
4.1. Vooropgesteld dat art. 4 Sv. lid 1 als volgt luidt: “Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de belanghebbende daarover beklag doen bij het Hof van Justitie. Het Hof kan de Procureur-Generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts bevelen, dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet”.

4.2. Nu klagers een beroep doen op het bepaalde in artikel 4 Sv. is het Hof bevoegd kennis te nemen van het beklag.

4.3. Uit de verklaring van klager [klager 1] en het overgelegd rapport is genoegzaam komen vast te staan dat klagers gezamenlijk aan landbouw doen, waarbij de totale financiering voor rekening van [klager 1] is. De Klagers zijn ontvankelijk in hun beklag, daar zij rechtstreeks belanghebbenden zijn in de zin van artikel 4 Sv.

4.4. Als niet weersproken is komen vast te staan dat klagers reeds een aantal keren aangifte hebben gedaan vanwege benadeling die zij ondervinden door diefstallen van hun gewassen/fruit. Klagers hebben een rapport overgelegd waarin is vastgelegd wanneer en bij welke ambtenaar van politie de aangiften zijn gedaan. Vanwege sporen die ook zijn waargenomen door de politie bestond er wel een vermoeden wie de dader kon zijn. Het is begrijpelijk dat de politie niet zondermeer tot aanhouding kan overgaan. Wanneer op een gegeven moment de vermoedelijke dader op heterdaad wordt betrapt, is het wel in het belang van de klagers, dat de zaak serieus wordt afgehandeld. Of de op heterdaad betrapte zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan de vorige diefstallen, doet er niets van af. Er mag niet aan voorbij gegaan worden dat klagers al vaker aangifte hebben gedaan en veel verlies lijden. Het nadeel voor klager [klager 2] is ernstig nu hij met de opbrengsten zijn pensioen van SRD 726,09 aanvult. De op heterdaad betrapte [naam] heeft overigens niet geschroomd tegen [klager 2] te zeggen “joe no mang doe neks”, toen die hem aansprak.

4.5. Op grond van het bovenstaande oordeelt het Hof dat de klagers een rechtstreeks belang hebben bij het verdere onderzoek.

5. BESCHIKKENDE

Het Hof:
Gelast de Procureur-Generaal het strafrechtelijk onderzoek en vervolging tegen beklaagde [naam] voort te zetten.

Aldus gegeven in Raadkamer te Paramaribo, op heden maandag 05 juli 2021 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)