SRU-HvJ-2021-55

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 61/2021
  • Uitspraakdatum 15 december 2021
  • Publicatiedatum 27 maart 2023
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een gezin heeft, een rustig leven leidt en dat hij sinds zijn invrijheidstelling niet meer in aanraking is gekomen met justitie.

Uitspraak

Vonnisnummer : 61/2021
Uitspraak : 15 december 2021
Parketnummer : 1-1-3953
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 25 juni 2008 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] in Suriname, bouwvakker van beroep, wonende aan [adres 1] te [plaats 1], thans in vrijheid gesteld;

is verschenen

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 26 juni 2008 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 05 oktober 2007 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het IIIe Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat no 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo, zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

III. Op 17 mei 2005 te Paramaribo, tezamen en in vereniging, na daartoe van tevoren gemaakte afspraak in nauwe samenwerking met [verdachte] althans alleen op de openbare landweg te [straatnaam 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een voertuig, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 2] althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte of zijn voornoemde mededader, hebbende hij verdachte tezamen en in verenigingn als vermeld, althans alleen toen aldaar voormelde diefstal doen voorafgaan of volgen van bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 2] gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve of zijn voornoemde mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit bvan het gestolene te verzekeren en welk geweld zwaar lichamelijk letsel van die [benadeelde 2], ten gevolge heeft gehad, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen toen daar met voormeld oogmerk die [benadeelde 2] benaderd voor het rijden van een taxi-rit naar [ressort] en toen aldaar aangekomen die [benadeelde 2] opzettelijk gewelddadig van achteren aan de hals, althans het lichaam in een wurggreep vastgehouden met een hard voorwerp en vervolgens opzettelijk gewelddadig met een mes of schroevendraaier, althans een hard en scherpig voorwerp een of meer steekverwondingen aan de keel, hoofd en handpalm, althans het lichaam van die [benadeelde 2] toegebracht en die [benadeelde 2] opzettelijk dreigend te kennen gegeven te zullen beroven, althans woorden van gelijke strekking en betekenis, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen zich met medeneming van vorenmeld voertuig, althans enig goed zich van de plaats des misdrijfs verwijderd, hebbende die [benadeelde 2], ten gevolge van vorenomschreven feit (geweld) bekomen onder meer een of meer steekverwondingen, waarbij een id meer keren plastische chirurgische moest worden ingegrepen, in ieder gevak zwaar lichamelijk letsel, hebbende vorenomschreven handeling niet in de volgorde als vermeld, in ieder geval in een andere volgorde plaatsgevonden.

IV. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 3], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

V. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 4], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Van de zijde van het Openbaar Ministerie is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in eerste aanleg een schriftelijke wijziging van de dagvaarding had overgelegd, waarbij er een wijziging van de dagvaarding was gevorderd en welke vordering was toegewezen door de Kantonrechter. De vordering hield het volgende in: De ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder I, II en VI zijn wettig en overtuigend bewezen in het Derde Kanton en de ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder III, IV en V zijn wettig en overtuigend bewezen in het Tweede Kanton.
Een dergelijke vordering tot wijziging van de dagvaarding is in strijd met de wet. Bovendien rept de wet over wijziging van de tenlastelegging en niet van de dagvaarding. De beslissing van de Kantonrechter tot toewijzing van de vordering tot wijziging van de dagvaarding, blijkt uit het feit dat de Kantonrechter als Kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die blijkens de hierboven aangehaalde dagvaarding samen met de in Brokopondo gepleegde feiten in een dagvaarding waren ten laste gelegd en gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien in het geding in eerste aanleg buiten het geval van het voorgaande artikel de vervolgingsambtenaar oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de kantonrechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 297 het woord voert, met vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.
2. Indien de kantonrechter de vordering toewijst, doet hij de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal der terechtzitting opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden.”

Artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien de telastelegging overeenkomstig het voorgaande artikel is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift der gewijzigde telastelegging op de terechtzitting zelve ter hand gesteld, tenzij de kantonrechter oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift der wijzigingen kan worden volstaan.”
Uit de aan het Hof overgelegde stukken is daarvan niet gebleken.

Naar het oordeel van het Hof geschiedt het aanhangig maken van een strafzaak in hoger beroep door middel van een vanwege de vervolgingsambtenaar aan de verdachte te betekenen dagvaarding. Deze dagvaarding dient voor wat betreft de tenlastelegging te verwijzen naar de in eerste aanleg opgestelde tenlastelegging. Bij een appeldagvaarding kan worden volstaan met verwijzing naar de tenlastelegging, mits deze verwijzing duidelijk is.

De gewijzigde dagvaarding waarvan gewag wordt gemaakt in het proces – verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 07 december 2007 is door het Hof niet in het procesdossier aangetroffen. Het Hof merkt ten overvloede op dat de wet niet voorziet in een dergelijke wijze van wijziging van de dagvaarding en die dus in strijd is met de wet. Het Hof zal derhalve de strafzaak beoordelen op basis van de aan de verdachte uitgereikte dagvaarding en van de daarin vermelde ten laste gelegde feiten om op vrijdag 05 oktober 2007 te 08.30 uur te verschijnen voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. Overigens wordt in de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, ook geen melding gemaakt van een “gewijzigde dagvaarding”.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (feiten I, II en VI) tot een gevangenisstraf van twee jaren. Voorts vordert de vervolging verbeurdverklaring van het in beslag genomen rijbewijs op naam van de getuige [benadeelde 3].

Het vonnis waarvan beroep

Het Hof is gebleken dat de Kantonrechter als kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die samen met de in Brokopondo gepleegde feiten bij een dagvaarding waren gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. De Kantonrechter in het Derde Kanton had zich onbevoegd moeten verklaren ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten die in Paramaribo zijn gepleegd. Reeds daarom kan het Hof zich niet verenigen met het vonnis a quo, redenen waarom het Hof zal beslissen dat de Kantonrechter in het Derde Kanton voor wie de in Paramaribo gepleegde feiten eveneens waren gedagvaard, zich onbevoegd had moeten verklaren ten aanzien van onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 25 juni 2008 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding voor de kantonrechter in het Derde Kanton onder I ten laste gelegde (gekwalificeerde diefstal), het onder II ten laste gelegde (Illegaal vuurwapen- en munitiebezit) en het onder VI ten laste gelegde (valsheid in geschrifte) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaren, met vaststelling van een bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Forensisch Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht en met bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

BESLISSING VAN HET HOF ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Het hof verklaart de Kantonrechter in het Derde Kanton onbevoegd om kennis te nemen van de onder III, IV en V ten laste gelegde in Paramaribo gepleegde feiten.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder I, II en VI van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007, in het district Brokopondo zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder I, II en III ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit I:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aangifte van diefstal middels braak door de aangever, [naam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 127 tot en met 128, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangever, inhoudende:

“Op donderdag 3 mei 2007 maakte ene [naam 1] telefonisch contact met het politiestation en gaf aan dat hij uit handen van zijn neefje [verdachte] een jachtgeweer had weggenomen. Dat het vermoeden bestaat dat [verdachte] dit geweer heeft gestolen. In het dorp [dorpsnaam] aangekomen, begaf ik mij bij aangever als genoemd en overandigde hij mij een jachtgeweer van het merk Stevens, kaliber 16 met vijf hagelpatronen ook van het kaliber 16. Hij verklaarde vervolgens aan mij het volgende: Dat hij op dinsdag 1 mei 2007 zijn neefje, [verdachte] in het dorp met een tas zag lopen. Hij vroeg aan [verdachte] wat hij in de tas had en deelde [verdachte] hem mede dat hij een zaag erin had. Daar het voorwerp in de tas niet de vorm had van een zaag, rees het vermoeden op bij hem dat [verdachte] een diefstal gepleegd had. Verder verklaarde hij dat de vorm van het voorwerp in de tas van [verdachte], de vorm had van een jachtgeweer. Hij liet [verdachte] gaan en begad hij zich later in de woning van [verdachte] en ontdekte hij bij onderzoek, dat het voorwerp een jachtgeweer betrof. Verder trof hij ook in de tas vijf hagelpatronen van het kaliber 16. Daar de aangever een vermoeden had dat [verdachte] het geweer met bijbehorende patronen gestolen had, nam hij die patronen en het geweer en maakte contact met de politie.
Vervolgens werd het onderzoek voortgezet en begaf ik mij naar de woning van [verdachte]. Hij werd thuis aangetroffen en gaf hij op te zijn, [verdachte], geboren op [datum] te Paramaribo, zonder beroep en wonende in het dorp [dorpsnaam] in het district Brokopondo. Bij een korte ondervraging naar de herkomst van het jachtgeweer, gaf hij toe een inbraak te hebben gepleegd in een woning op de hoek van de [straatnaam 2] en de afslag naar het dorp [dorpsnaam], waarbij hij bedoelde jachtgeweer had buitgemaakt.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 2] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 132 tot en met 133, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben al anderhalf jaar woonachtig in het dorp [dorpsnaam] in een woning van mijn grootmoeder. Eerder had ik gewoond aan de [adres 2] te Paramaribo. Vanwege de vele diefstallen die ik gepleegd had, besloot ik op advies van mijn moeder in het binnenland te gaan wonen alwaar ik volgens haar een rustig zou gaan lijden. Ik begaf mij wederom naar het dorp waar mijn moeder afkomstig is, met de bedoeling een rustig leven te gaan leiden. Daar ik werkloos ben en met veel moeite mijn hoofd boven water hield, besloot ik een jachtgeweer te zoeken om ermee op jacht te gaan. Daar het mij bekend was dat een oom van mij genaamd [benadeelde 1] woonachtig was in een woning langs de [straatnaam 2] nabij de afslag in het dorp [dorpsnaam], waarin een jachtgeweer verborgen was, besloot ik dat te stelen om ermee te jagen. Het wild dat ik zou jagen, zou ik voor eigen gebruik nemen. Voorts moet ik u te kennen geven dat mijn oom [benadeelde 1] niet meer woonachtig was in bedoelde woning. Hij is thans woonachtig in het dorp [dorpsnaam].
Op dinsdag 1 mei 2007, omstreeks 13.00 uur verliet ik het dorp te voet en liep ongeveer een uur lang via de weg die leidt naar het dorp [dorpsnaam] tot bij de hoofdweg ([straatnaam 2]). Ik kwam omstreeks 14.00 uur aan bij de woning van mijn oom [benadeelde 1] die op de hoek was van de [straatnaam 2] en de afslag in het dorp [dorpsnaam]. Hierna begaf ik mij naar de achterdeur en forceerde ik die open. Moge vermeld worden dat die deur niet goed op slot was van binnen, waardoor ik die op een heel gemakkelijke wijze opendeed. Ik begaf mij in de woning en na die te hebben doorzocht, trof ik in de woonkamer achter een bed een jachtgeweer aan. Naast het jachtgeweer in bedoelde ruimte zag ik vijf hagelpatronen in een fles en nam die ook weg. Vervolgens bewaarde ik het jachtgeweer met bijbehorende patronen in een zwarte vuilniszak welke in aldaar had aangetroffen en verliet ik de woning.
Gekomen in het dorp, verborg ik het jachtgeweer in mijn slaapkamer en de volgende dag begaf ik mij op jacht. In de middaguren van 2 mei 2007 kwam ene [naam 2] te mijnent en zag hij dat geweer. Op zijn verzoek leende ik hem dat geweer om te gaan jagen. De volgende dag op donderdag 03 mei 2007, riep mijn oom [naam 3] mij en vroeg mij als ik in het bezit ben van een jachtgeweer. Ik gaf toe in het bezit te zijn van een jachtgeweer en hield hij mij voor dat hij de politie zal inschakelen, daar hij een vermoeden had dat ik het jachtgeweer had gestolen. Ik ontkende voor hem het jachtgeweer te hebben gestolen. [naam 3] nam het jachtgeweer en schakelde hij de politie van dit station in.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het doen van aanwijzingen door de verdachte [verdachte] op de plaats van het delict in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 2] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 130 tot en met 131, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Heden, op 04 mei 2007, omstreeks 17.00 uur begaf ik mij bijgestaan door agenten van politie 3de klasse, [naam 4] en [naam 5] nabij het dorp [dorpsnaam], in een woning gelegen langs de [straatnaam 2], in dit district voor het instellen van een onderzoek, waarbij het volgende moge worden vermeld: Hetzij vermeld dat de verdachte [verdachte] vrijwillig te samen met ons was meegereden voor het doen van aanwijzingen, alwaar hij een poosje geleden een enkelloop jachtgeweer had gestolen. Op aanwijzing van de verdachte [verdachte] begaf ik, geassisteerd door de eerder vermelde agenten naar een woning. Bedoelde woning staat langs de [straatnaam 2] nabij de weg naar het dorp [dorpsnaam]. Het staat links van de [straatnaam 2], zulks bekeken vanuit richting Paramaribo naar de richting van [plaats 2], en wel 17 meter verwijderd van de [straatnaam 2]. Het betreft een woning, dat opgetrokken is van hout en voorzien van zinkplaten bedekkingen. Het is 4,5 meter breed en 5,5 meter lang, verdeeld in een woonruimte en een slaapruimte. De voorgevel heeft een deur met een hangslot eraan en staat op slot. De achtergevel van de woning is eveneens voorzien van een achterdeur, welke middels een houten klamp was afgegrendeld. Volgens verklaring van de verdachte heeft hij de achterdeur opengemaakt door deze met kracht naar achteren te drukken. Via deze ontstane ruimte verschafte de verdachte [verdachte] zicht toegang tot de slaapkamer van de woning. In deze ruimte werd een witte rijstzak aangetroffen, waarin volgens verklaring van de verdachte het wapen was bewaard, die hij een poosje geleden had gestolen.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding van verdachte in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 3] (hulpagent van justitie), doorgenummerde pagina 123, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik geef toe het jachtgeweer te hebben gestolen langs de [straatnaam 2] te hoogte van het dorp [dorpsnaam].”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving en inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 134, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een jachtgeweer (cal. 16) met onbekend merk en serie nummer en vijf scherpe patronen cal.16.”

6. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit II:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de verklaring van de verdachte [verdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 127 tot en met 128, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Vervolgens werd het onderzoek voortgezet en begaf ik mij naar de woning van [verdachte]. Hij werd thuis aangetroffen en gaf hij op te zijn, [verdachte], geboren op [datum] te Paramaribo, zonder beroep en wonende in het dorp [dorpsnaam] in het district Brokopondo. Bij een korte ondervraging naar de herkomst van het jachtgeweer, gaf hij toe een inbraak te hebben gepleegd in een woning op de hoek van de [straatnaam 2] en de afslag naar het dorp [dorpsnaam], waarbij hij bedoelde jachtgeweer had buitgemaakt.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding van verdachte in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 3] (hulpagent van justitie), doorgenummerde pagina 123, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik geef toe het jachtgeweer te hebben gestolen langs de [straatnaam 2] te hoogte van het dorp [dorpsnaam].”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving en inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 134, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een jachtgeweer (cal. 16) met onbekend merk en serie nummer en vijf scherpe patronen cal.16.”

4. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d.19 april 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik beken de strafbare feiten te hebben gepleegd.”

5. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit VI:

1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bekomen informatie omtrent diefstal van Surinaams Rijbewijs op naam van de heer [benadeelde 3] in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 53, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de benadeelde, inhoudende:

“Naar aanleiding van deze melding, werd de verdachte [verdachte]. hiermomtrent ondervraagd en gaf hij toe een rijbewijs te hebben gestolen vanuit de woning van de heer [benadeelde 3] te [dorpsnaam]. Verder was hij bereid de plaats aan te wijzen waar hij die had achtergelaten. Ter plaatse aangekomen ging hij in zijn huis en overhandigde hij een Surinaams rijbewijs op naam van [benadeelde 3] en bleek, dat hij de foto van de houder had verwijderd en zijn eigen afbeelding erop had geplaatst.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 mei 2007 door [verbalisant 4] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 94 tot en met 96, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Alleen in de woonkamer begon ik rond te kijken en zag een bruin gekleurde hoesje op het bankstel liggen. Ik maakte dit hoesje open en zag een Surinaams rijbewijs met de foto van de man. Ik heb echter niet naar de naam gekeken. Ik besloot het rijbewijs te nemen en in mijn zak te stoppen. Op de vraag waarom ik dat deed verklaar ik ‘GEWOON’. Ik heb het hoesje teruggelegd op de zelfde manier hoe het lag om geen argwaan te wekken. Na enkele uren op de man te hebben gewacht, besloot ik het huis te verlaten. Nadien ben ik nimmer terug gekeerd naar het huis van de man. Ik ben hem ook niet meer tegen gekomen op straat. Die zelfde ochtend ben ik naar het binnenland vertrokken en ben daar gebleven totdat de politie mij heeft aangehouden. Drie dagen nadat ik in mijn dorp was aangekomen heb ik de foto van de manspersoon voorzichtig verwijderd van het rijbewijs en mijn eigen foto in de plaast gezet. Na dit gedaan te hebben heb ik een laag doorzichtige tape op mijn foto geplaatst waardoor de vervalsing niet zou opvallen. Op de vraag waarom ik de foto op het rijbewijs heb vervangen met de mijne verklaar ik ‘GEWOON ZODAT IK KON TONEN DAT IK EEN RIJBEWIJS HAD’.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de aangever [benadeelde 3] in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 mei 2007 door [verbalisant 4] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 48 tot en met 49, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de benadeelde, inhoudende:

“De gegevens in het rijbewijs zijn van mij, maar de pasfoto is van een bij mij van gezicht bekende manspersoon. Deze manspersoon heb ik in het jaar 2005 leren kennen bij de Car Wash bedrijf aan de [straatnaam 3] naast Supermarkt [supermarkt]. In de maand april (laatste week) van dit jaar (2007) is deze manspersoon thuis bij mij langs gekomen en heeft de nacht bij mij doorgebracht, omdat het te laat voor hem was geworden om nog naar huis te gaan. De volgende dag is hij omstreeks 06.00 uur van mijn huis vertrokken om naar het werk te gaan en wel bij [bedrijfsnaam]. Hij had mij beloofd na twee weken terug te keren naar Paramaribo en bij die gelegenheid mij een bezoekje te brengen. Tot op de dag van vandaag heb ik hem echter niet meer gezien. Op die bewuste avond heb ik een hoesje waarin mijn rijbewijs en andere belangrijke papieren blijven uit mijn achterbroekzak gehaald en deze opgeborgen in een lade van een bureau dat in de woonkamer staat. Het hoesje heeft veel weg van een portemonnee. Nu ik het rijbewijs onder ogen heb gehad en na ben gegaan, is het inderdaad gebleken dat het mijn rijbewijs is. Ik zeg dit omdat ik mijn rijbewijs niet kan vinden in mijn hoesje. Ik heb sterk het vermoeden dat deze manspersoon dacht dat het mijn portemonnee was en op het moment dat ik sliep is gaan rond snuffelen waarb hij toen mijn rijbewijs heeft weggenomen toen hij zag dat het niet ging om een portemonnee.”

4. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 december 2007, doorgenummerde pagina 10, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik heb de foto op het rijbewijs verwisseld.”

5. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d.19 april 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik beken de strafbare feiten te hebben gepleegd”.

6. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

 

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder I bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder II bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 juncto artikel 23 van de Vuurwapenwet

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder VI bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de verdachte ter zake van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, overtreding van een voorschrift vallende onder de Vuurwapenwet en valsheid in geschrifte, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met vaststelling van een bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Forensisch Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht en met het bevel tot gevangenhouding.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het verkort vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de genoemde overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (I, II en VI) tot een gevangenisstraf van twee jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts vordert de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van het in beslag genomen rijbewijs op naam van de getuige [benadeelde 3].

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een gezin heeft, een rustig leven leidt en dat hij sinds zijn invrijheidstelling niet meer in aanraking is gekomen met justitie.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 25 juni 2008 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

Vernietigt de beslissing van de Kantonrechter in het Derde Kanton om de vordering tot wijziging van de dagvaarding toe te wijzen;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart de Kantonrechter onbevoegd om kennis te nemen van de feiten zoals onder III, IV en V ten laste gelegd.

Verklaart, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder I, II en VI is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders onder I, II en VI is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
I. Gekwalificeerde diefstal; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht.

II. Illegaal vuurwapen- en munitiebezit; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 juncto 23 van het Vuurwapenwet.

VI. Valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Verklaart, verbeurd het vervalste rijbewijs op naam van [benadeelde 3].

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) JAREN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 04 mei 2007 tot en met 01 mei 2012, in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. D.G.W. Karamat Ali, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 15 december 2021 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)