SRU-HvJ-2021-6

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer Artikel 61 WvSv.
  • Uitspraakdatum 26 mei 2021
  • Publicatiedatum 14 september 2022
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    De verzoeker heeft in de visie van het Hof de volledige straf in het Tweede Kanton uitgezeten en is thans bezig de door de kantonrechter in het Derde Kanton opgelegde straf uit te zitten, tegen welk vonnis er geen hoger beroep is aangetekend waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Om deze reden komt aan verzoeker geen recht toe om een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis te doen op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, nog daar gelaten het antwoord op de vraag of verzoeker al dan niet reeds twee/derde deel van de aan hem in het Derde Kanton opgelegde straf heeft uitgezeten. Verzoeker zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

Uitspraak

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 04 mei 2021 door mr. A. Ramlakhan, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 05 mei 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 26 mei 2021 om 13.00 uur des namiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, van welke gelegenheid de verdediging kopielezer is gemaakt, heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadsman en het antwoord op het voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in zijn verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 18 juni 2020 door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden en in het Derde kanton tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden. Daarnaast heeft de verdediging gesteld, dat de verzoeker hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter in zowel het Tweede als het Derde Kanton. Vervolgens geeft de verdediging aan, dat de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten terwijl er geen zicht is op behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Op basis van het voorgaande vordert de verdediging opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd;

Overwegende, dat de vervolging in haar antwoord heeft aangegeven dat de verzoeker op 18 juni 2020 door de kantonrechter in zowel het Tweede als het Derde Kanton is veroordeeld. Voorts, dat de verzoeker slechts tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton hoger beroep heeft aangetekend met als gevolg dat het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton in kracht van gewijsde is gegaan. Aangezien het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton in kracht van gewijsde is gegaan, dient de verzoeker de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden uit te zitten. Op basis van het voorgaande vraagt de vervolging aan het Hof om het verzoek van de verdediging af te wijzen;

Overwegende, dat de verdediging reeds op 15 maart 2021 het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, conform artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, had gedaan, doch heeft het Hof afwijzend beslist op voormeld verzoek van de verdediging;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter in het Tweede Kanton op 18 juni 2020 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 05 februari 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en tot op heden geen zicht heeft op behandeling van de zaak in hoger beroep;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker eveneens op 18 juni 2020 door de kantonrechter in het Derde Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, doch heeft de verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton geen hoger beroep aangetekend met als gevolg dat het voornoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

Overwegende, dat zich in casu het geval voordoet dat verzoeker zowel in het Tweede Kanton als in het Derde Kanton is veroordeeld door de kantonrechter. Verzoeker is aangehouden en in verzekering gesteld op 05 februari 2019. Op 18 juni 2020 is verzoeker in het Tweede Kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van (20) maanden onder aftrek van het voorarrest. In het Derde Kanton is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden. Verzoeker heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton. De vraag die rijst is of de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten;

Overwegende, dat nu verzoeker bijkans twee (2) jaren en twee (2) maanden in detentie heeft doorgebracht verzoeker in de visie van het Hof de volledige straf in het Tweede Kanton heeft uitgezeten en thans bezig is de door de kantonrechter in het Derde Kanton opgelegde straf uit te zitten, tegen welk vonnis er geen hoger beroep is aangetekend waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Om deze reden komt aan verzoeker geen recht toe om een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis te doen op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, nog daar gelaten het antwoord op de vraag of verzoeker al dan niet reeds twee/derde deel van de aan hem in het Derde Kanton opgelegde straf heeft uitgezeten. Verzoeker zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het door hem gedane verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 26 mei 2021, door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend – President,  mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari        w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
                               w.g. S. Punwasi
                               w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)