SRU-HvJ-2021-85

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer GR 15595
  • Uitspraakdatum 15 oktober 2021
  • Publicatiedatum 23 augustus 2023
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Appellanten zijn niet-ontvankelijk in het door hen ingesteld hoger berope, omdat zij de termijn die is vastgelegd in artikel 235 Rv hebben overschreden. De dienstbrief zijdens de griffier dateert namelijk van 14 april 2016, terwijl appellanten op 19 juli 2018 hoger beroep hebben ingesteld.

Uitspraak

G.R. no. 15595

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
15 oktober 2021
in de zaak van

  1. VIR EQUIPMENT N.V., en
  2. [Appellant sub B],

beide domicilie kiezende te Paramaribo,
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D.M. Peterhof, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats 1],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H. Matawlie, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 03 maart 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 13-5589 tussen de geïntimeerde als eiseres en appellanten als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de advocaat van appellanten gedateerd 19 juli 2018

– ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 20 juli 2018 – waaruit blijkt dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 03 maart 2016;

– de pleitnota gedateerd 06 december 2019;

– de antwoordpleitnota gedateerd 06 maart 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 07 augustus 2020;

– de dupliekpleitnota de dato 07 augustus 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 maart 2021 doch nader op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1. Het beroepen vonnis is gedateerd 03 maart 2016. Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. Nu de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier waarbij de beslissing volgens de wet aan appellanten is mede gedeeld dateert van 14 april 2016 terwijl appellanten bij schrijven de dato 19 juli 2018 – ingekomen ter griffie op 20 juli 2018 – hoger beroep hebben ingesteld tegen het beroepen vonnis, is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet tijdig geschied. De consequentie van het voorgaande is dat appellanten niet ontvankelijk zullen worden verklaard in het door hen ingesteld hoger beroep.

2.2. Appellanten gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zullen de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen voor hun rekening dienen te nemen. Nu het Hof verstaat dat geïntimeerde ten deze kosteloos procedeert zullen de gedingkosten op nihil worden begroot.

2.3. Bespreking van al hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd zal, als voor de beslissing niet relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in kort geding in hoger beroep

Het Hof:

3.1. Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het door hen ingesteld hoger beroep;

3.2. Veroordeelt appellanten in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag15 oktober 2021 in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R. Bhoewar namens advocaat mr. H. Matawlie, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld