SRU-HvJ-2021-95

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A 972
  • Uitspraakdatum 06 augustus 2021
  • Publicatiedatum 13 september 2023
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof heeft overwogen dat cnf art.79 PW zij bevoegd is om kennis te nemen van de vordering ter zake de nietigverklaring van het besluit vervat in de ontslagbeschikking en schade (juridische bijstand en achterstallige loon), doch niet de vordering ter zake de wedertewerkstelling. De wettelijke verhoging ex art 1614q BW is niet bedoeld als een (gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (vgl. HR 05 januari 1979, NJ 1979, 207), zodat het Hof ook onbevoegd is om kennis te nemen van dit deel van het geschil. Naar het oordeel van het Hof is de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf van ontslag een passende, gelet op de ernst en de gevolgen van het gepleegde plichtsverzuim en het feit dat ingevolge artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 juncto artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest de discipline onder de ambtenaren van de brandweer in militaire trant wordt gehandhaafd.

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 22 van de Wet Brandweer Suriname 1993 juncto artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 20 december 2017;

de beschikking van het Hof van 27 november 2018, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 januari 2019;

de processen-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 18 januari 2019 en voortgezet op 05 april 2019 en 21 juni 2019, alsmede het op laatstgenoemde datum door de Staat overgelegde bescheid;

de conclusie tot uitlating en overlegging van relevante stukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 02 augustus 2019;

de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] overgelegd op 06 december 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 16 oktober 2020, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] was als ambtenaar in de rang van brandwacht 2e klasse bij het Korps Brandweer Suriname in dienst van de Staat.

2.2 Op 20 mei 2016 is [verzoeker] in verzekering gesteld op verdenking van één of meer zedendelicten, wederspannigheid en overtreding van de Vuurwapenwet. [verzoeker] is bij vonnis ter zake van een zedendelict en overtreding van de Vuurwapenwet veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar. [verzoeker] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit veroordelend vonnis.

2.3 Nadat [verzoeker] in vrijheid was gesteld, heeft hij zich gemeld bij de Inspectiedienst. Naar aanleiding van informatie verkregen van deze dienst heeft [verzoeker], die geen (schriftelijke) verweeraanzegging had ontvangen, een brief d.d. 22 augustus 2017 gericht aan de commandant van de brandweer. Voormelde brief, met als onderwerp “Afwezigheid”, luidt voor zover van belang als volgt:

Verweer

Hierbij wens ik brandwacht 2e klasse [verzoeker], dienende in ploeg a te cmp, afdeling repressie U het volgende te verweren

Van vrijdag 20 mei 2016 tot en met woensdag 16 augustus 2017 was ik ter beschikking van het Openbaar Ministerie vanwege verdenking van Art 298; Art 296; Art 300; Art 323; Wetboek van Strafrecht; Art 9 Vuurwapenwet (namelijk peperspray). In deze periode kon ik mij dus niet persoonlijk aanmelden. Ik verzoek u mij persoonlijk te willen ontvangen om mij mondeling te laten verweren en u meer informatie te verschaffen omtrent mijn afwezigheid.

Hopende op een gunstig antwoord uwerzijds.”

2.4 [Verzoeker] is vervolgens telefonisch opgeroepen om op 14 september 2017 op korpsrapport te verschijnen teneinde door de tuchtcommissie te worden gehoord. [Verzoeker] werd op het korpsrapport meegedeeld dat hij zal worden voorgedragen voor ontslag.

2.5 De minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) heeft bij beschikking d.d. 10 november 2017, Bureau no. J [nummer 1], BW. [nummer 2] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] met toepassing van artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag te verlenen (lees: op te leggen). Vorenbedoeld besluit (hierna: het ontslagbesluit) is als volgt gemotiveerd:

“- dat blijkens het schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie d.d. 4 juli 2016, de Brandwacht 2e klasse, de heer [VERZOEKER], (…) in vaste dienst bij het Korps Brandweer Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, als verdacht van één of meer zedendelicten, wederspannigheid en overtreding vuurwapenwet, dan wel ernstig plichtsverzuim, te rekenen van 20 mei 2016 in verzekering is ingesteld [sic] en derhalve ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet van rechtswege is geschorst;

(…)

dat betrokkene ingevolge artikel 44 lid 1 van het Politiehandvest in de gelegenheid is gesteld zich terzake schriftelijk en mondeling te verweren, echter heeft hij bij zijn schriftelijke verweer d.d. 22 augustus 2017 geen steekhoudende argumenten kunnen aanvoeren welke ertoe zouden leiden van bestraffing af te zien;

dat deze handeling, die ernstig plichtsverzuim voor hem oplevert, in een gedisciplineerd Korps niet kan worden getolereerd;

dat op het gehouden korpsrapport van de Tuchtcommissie d.d. 14 september 2017 aan betrokkene is meegedeeld, dat hij ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest wegens ernstig plichtsverzuim zal worden voorgedragen voor ontslag;

dat blijkens het schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie d.d. 18 juli 2017 betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 1½ (anderhalf) jaar onder aftrek en gevangenhouding;

dat gelet op de ernst van de zaak er termen aanwezig zijn voor het in overweging nemen van ontslag wegens ernstig plichtsverzuim;

dat naar aanleiding van het voorgaande betrokkene niet langer in Staatsdienst kan worden gehandhaafd en ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest, de tuchtstraf van ontslag aan hem wordt opgelegd.”

2.6 [Verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 27 november 2017 ontvangen.

2.7 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 30 november 2017 de minister verzocht om de ontslagbeschikking binnen een maand na ontvangst van deze brief nietig te verklaren en de werkrelatie met hem te herstellen. [Verzoeker] heeft zich daarbij erover beklaagd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zich schriftelijk dan wel mondeling te verweren. Op voormelde brief is geen antwoord van de minister gekomen.

2.8 De minister heeft bij brief d.d. 03 juli 2019, met als onderwerp “Overweging/besluit inzake ontslag [verzoeker]”, het volgende aan de commandant van het Korps Brandweer Suriname bericht:

“Geachte heer,

Onder verwijzing naar uw schrijven d.d. 28 juni 2019, BW. [nummer 3], inzake de zaak van ex-brandweerman, dhr. [verzoeker] aanhangig gemaakt tegen de Staat Suriname naar aanleiding van zijn ontslag, moge het volgende dienen:

Aangezien er in meerdere gevallen afgeweken is van het opleggen van ontslag, is de mogelijkheid in reële mate aanwezig dat de Staat bij persisteren veroordeeld zal worden en dus [verzoeker] in het gelijk gesteld zal worden.

Geadviseerd wordt een schikking met betrokkene te treffen en in stede van ontslag, de tuchtmaatregel van degradatie in rang op te leggen.

(…)”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd dan wel nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] weder aan het werk toe te laten binnen een week na de uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 50.000,- voor elke keer dat de Staat in strijd met het vonnis handelt;
  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het proces en de kosten van juridische bijstand ten bedrage door uw Hof (lees: het Hof) vast te stellen;
  4. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen het loon vanaf 10 november 2017, verhoogd met de vertragingsrente op grond van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de overige emolumenten.

3.2 Hetgeen [verzoeker] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [Verzoeker] kan zich niet verenigen met zijn ontslag uit Staatsdienst en wel om de volgende redenen. Het ontslagbesluit is genomen in strijd met het hoorbeginsel. [Verzoeker] werd niet de gelegenheid geboden om zich te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport. Hij kreeg te horen dat zulks niet nodig was, omdat hij al was voorgedragen voor ontslag. Voorts blijkt uit de ontslagbeschikking dat de Staat het onder 2.3 vermelde schrijven d.d. 22 augustus 2017 beschouwt als een schriftelijk verweer zijdens [verzoeker], zulks ten onrechte omdat dit schrijven geen verweer behelst maar een verzoek om ontvangen te worden voor een mondeling verweer. [Verzoeker] heeft zich derhalve nimmer kunnen verweren.

De Staat heeft tevens in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat anderen binnen het korps, met name de heren [naam 1] en [naam 2], die ook met justitie in aanraking zijn gekomen en veroordeeld zijn voor handelingen binnen hun diensttijd, na een schrijven aan de minister weer aan het werk zijn.

Voorts is [verzoeker] in de nachtelijke uren, geheel buiten zijn schuld om, in een situatie geraakt en levert zijn handeling geen plichtsverzuim op. De feiten waarvoor hij veroordeeld is, zijn niet in functie gepleegd. Hij is zich nimmer bewust geweest van de minderjarigheid van het slachtoffer; zij had hem meegedeeld dat zij 23 jaar oud was. [Verzoeker] is onschuldig.

Het ontslag is aldus in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve nietig althans vernietigbaar.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1 De Staat heeft in de loop van dit geding conform de onder 2.8 genoemde brief van de minister d.d. 03 juli 2019 een schikkingsvoorstel aan [verzoeker] gedaan, inhoudende dat (het ontslagbesluit naar het Hof begrijpt zal worden ingetrokken en) in stede van ontslag, aan [verzoeker] de tuchtstraf van degradatie in rang zal worden opgelegd. [Verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het Hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

Bevoegdheid

4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van de brandweer in de zin van artikel 1 van de Wet Brandweer Suriname 1993 is geweest, zodat deze wet op hem van toepassing is. In artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 is bepaald dat het vierde hoofdstuk van het Politiehandvest – dit zijn de artikelen 32 tot en met 49 – met uitzondering van de artikelen 32, 35 lid 2 en 37 leden 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing is op de ambtenaren van de brandweer.

Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie.

Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Het onder 3.1 onder A gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw juncto artikel 47 lid 3 van het Politiehandvest is het Hof bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar van de brandweer de tuchtstraf van ontslag is opgelegd. Het Hof is derhalve bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder A.

4.2.2 Het onder 3.1 onder B gevorderde, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.2.3 Het Hof beschouwt de onder 3.1 onder C gevorderde kosten van juridische bijstand als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw en is derhalve bevoegd van dit gevorderde kennis te nemen.

Ten aanzien van de onder 3.1 onder C mede gevorderde proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.12 is overwogen.

4.2.4 Het Hof beschouwt het onder 3.1 onder D gevorderde achterstallige loon ook als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw en is daarom bevoegd ook van dit gevorderde kennis te nemen.

Hetzelfde geldt, naar het oordeel van het Hof, niet voor de onder 3.1 onder D mede gevorderde wettelijke verhoging in de zin van artikel 1614q BW. Deze wettelijke verhoging, die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, is immers niet bedoeld als een (gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (vgl. HR 05 januari 1979, NJ 1979, 207). Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.3 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag –, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 27 november 2017 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] de onder 3.1 onder A vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit op 20 december 2017 heeft ingesteld, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij daarin ontvankelijk.

Dit laatste geldt op grond van artikel 80 lid 2 sub b Pw ook voor de onder 3.1 onder C respectievelijk D gevorderde veroordeling van de Staat tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van juridische bijstand en van het achterstallige loon vanaf 10 november 2017.

4.4 Vooropgesteld wordt dat aan [verzoeker] – zij het dat zulks in de ontslagbeschikking op gebrekkige wijze is verwoord – de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens het plegen van een zedendelict en het overtreden van de Vuurwapenwet, voor welke strafbare feiten hij tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar is veroordeeld. Dat [verzoeker] met deze reden van zijn ontslag bekend is, is niet in geding.

4.5 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het hoorbeginsel. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de Staat zijn brief d.d. 22 augustus 2017 niet kon beschouwen als een schriftelijk verweer. Immers, in deze brief doet [verzoeker] slechts het verzoek om zich mondeling te verweren en dit verzoek betreft bovendien [verzoeker]s afwezigheid van het werk, welk verwijt niet aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] zich in een ander schrijven heeft kunnen verweren tegen hetgeen hem wel wordt verweten. Op grond van het voorgaande is rechtens niet komen vast te staan – en is derhalve in de ontslagbeschikking ten onrechte opgenomen – dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld om zich schriftelijk te verweren.

[verzoeker] heeft voorts gesteld dat hem niet de gelegenheid is geboden om zich mondeling te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport, hetgeen de comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 3], commandant van de brandweer, op de zitting van 21 juni 2019 gemotiveerd heeft weersproken. Het Hof acht het ongeloofwaardig dat aan [verzoeker], na telefonisch te zijn opgeroepen om op korpsrapport te verschijnen teneinde door de tuchtcommissie te worden gehoord, op het gehouden korpsrapport is meegedeeld dat hij zich niet meer mondeling hoefde te verweren omdat hij reeds was voorgedragen voor ontslag. Om deze reden zal het Hof [verzoeker], die geen bewijsaanbod heeft gedaan, niet ambtshalve opdragen zijn stelling dat hem niet de gelegenheid is geboden om zich mondeling te verweren op het op 14 september 2017 gehouden korpsrapport, te bewijzen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat rechtens niet is komen vast te staan dat [verzoeker] niet in de gelegenheid is gesteld om zich mondeling te verweren. Het beroep op het hoorbeginsel faalt derhalve.

4.6 Het Hof volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat hij onschuldig is. [Verzoeker] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het onder 2.2 bedoeld veroordelend vonnis, zodat dit vonnis onherroepelijk is geworden. Derhalve staat rechtens vast dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan een zedendelict en het overtreden van de Vuurwapenwet.

4.7 Ingevolge artikel 22 lid 1 van de Wet Brandweer Suriname 1993 zijn de algemene regelen omtrent de rechtstoestand van de landsdienaren van toepassing op de ambtenaren van de brandweer, voor zover daarvan niet bij deze wet is afgeweken. Artikel 36 lid 1 Pw bepaalt dat een landsdienaar onder meer verplicht is zich steeds te gedragen zoals een goed en getrouw landsdienaar betaamt.

Het Hof is van oordeel dat [verzoeker] zich met het plegen van de onder 2.2 genoemde strafbare feiten waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld, niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar van de brandweer betaamt en zich daarmee aan ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Het Hof tekent daarbij aan dat volgens vaste rechtspraak ook handelen buiten werktijd onder omstandigheden strijdig kan zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim kan opleveren. Dit is onder meer het geval in situaties waarbij het handelen van de ambtenaar het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad. Naar het oordeel van het Hof is er in het onderhavige geval sprake van grensoverschrijdend gedrag zijdens [verzoeker] dat ook zijn weerslag heeft op het aanzien van het Korps Brandweer Suriname.

4.8 Naar het oordeel van het Hof kan het gepleegde plichtsverzuim [verzoeker] worden toegerekend. [Verzoeker] heeft in deze procedure alleen ter zake van het door hem gepleegde zedendelict aangevoerd dat het slachtoffer hem had meegedeeld dat zij 23 jaar oud was en dat hij zich nimmer bewust is geweest van haar minderjarigheid. Dit levert in de visie van het Hof geen verontschuldigende factor op die noopt tot een ander oordeel. Dat [verzoeker] aannam dat het slachtoffer oud genoeg was omdat hij haar in een nachtclub had ontmoet, zoals zijn procesgemachtigde ter zitting van 05 april 2019 heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.

4.9 [Verzoeker] heeft zich tevens erop beroepen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Bij dit algemene beginsel van behoorlijk bestuur gaat het, kort gezegd, erom dat gelijke gevallen, gelijk moeten worden behandeld. Naar het Hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat zijn geval gelijk is aan dat van de brandweermannen [naam 1] en [naam 2]. Net als [verzoeker] zijn [naam 1] en [naam 2], naar de comparitiegevolmachtigde van de Staat, [naam 4], medewerker op de afdeling Tuchtzaken van het Korps Brandweer Suriname, ter zitting van 21 juni 2019 onweersproken heeft verklaard, kort gezegd, beide veroordeeld wegens het plegen van ernstige strafbare feiten. [Naam 3] heeft ter voormelde zitting onweersproken verklaard dat aan [naam 1] en [naam 2] daarvoor de tuchtstraf van degradatie in rang is opgelegd, zodat het Hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Nu [verzoeker] heeft afgewezen het door de Staat gedane schikkingsvoorstel, kort gezegd, inhoudende dat aan hem in stede van ontslag – net als aan [naam 1] en [naam 2] – de tuchtstraf van degradatie in rang zal worden opgelegd, is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van gelijke gevallen. Derhalve faalt ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.10 Naar het oordeel van het Hof is de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag een passende, gelet op de ernst en de gevolgen van het gepleegde plichtsverzuim en het feit dat ingevolge artikel 22 lid 2 van de Wet Brandweer Suriname 1993 juncto artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest de discipline onder de ambtenaren van de brandweer in militaire trant wordt gehandhaafd.

4.11 Uit het onder 4.5 tot en met 4.10 overwogene volgt dat de grondslag van de vordering onder 3.1 onder A, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, niet in rechte is komen vast te staan, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.12 Niet is komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker]. Reeds op deze grond zal de onder 3.1 onder C gevorderde veroordeling van de Staat in de kosten van juridische bijstand, de omvang van welke kosten [verzoeker] overigens niet heeft vermeld, worden afgewezen.

De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.13 Uit het onder 4.11 overwogene volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft, zodat van achterstallig loon geen sprake is. Het onder 3.1 onder D gevorderde achterstallige loon zal daarom ook worden afgewezen.

4.14 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder B en van de onder 3.1 onder D gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 augustus 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. Tjin Aton Pryce namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.