SRU-HvJ-2021-99

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer A 1016
  • Uitspraakdatum 15 oktober 2021
  • Publicatiedatum 20 september 2023
  • Rechtsgebied Ambtenarenrecht
  • Inhoudsindicatie

    In artikel 79 lid 1 PW staan de vorderingen limitatief opgesomd waarover het Hof in eerste en hoogste aanleg mag oordelen. Het Hof is onbevoegd om over de vorderingen die hierbuiten vallen een oordeel te geven. In artikel 80 leden 1 en 2 PW staan de termijnen binnen welke de betreffende vorderingen dienen te worden ingesteld. Bij overschrijding van deze wettelijk vastgelegde termijnen, wordt de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering. Naar het oordeel van het Hof is voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie onvoldoende met redenen omkleed, niet zorgvuldig gemotiveerd en evenmin toegespitst op de specifieke situatie van verzoeker en blinkt het niet uit door transparantie. Het Hof heeft hierin aanleiding gevonden om een vertegenwoordiger van de Geneeskundige Commissie uit te nodigen voor een toelichting van de verklaring. De betreffende persoon kon niet aanwezig zijn ter terechtzitting en het Hof heeft wegens de dringendheid van de zaak, het niet noodzakelijk geacht om de behandeling van de zaak uit te stellen. Naar het oordeel van het Hof is naast het overwogene over de verklaring van de Geneeskundige Commissie, onvoldoende gelet op de “impact” die de ontslagverlening aan verzoeker op hem zou hebben in samenhang bezien met zijn jarenlange staat van dienst en zijn kalenderleeftijd waarbij zijn kansen op de arbeidsmarkt minimaal zijn. Het aan verzoeker verleend ontslag is derhalve onrechtmatig geschied.

Uitspraak

A-1016

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. A. Tjong A Sie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
beiden vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. Sanné, Lindsey Zeppeni, beleidsadviseur op het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: Hof) d.d. 19 september 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 08 november 2019 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift is verlengd met zes weken met ingang van 14 november 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 13 mei 2020, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op vrijdag 03 juli 2020 des voormiddags te 10.30 uur;
  • het proces-verbaal van het op 18 december 2020 gehouden verhoor van partijen;
  • de processen-verbaal van het op respectievelijk 05 februari 2021, 19 maart 2021, 16 juli 2021, 06 augustus 2021 en 19 augustus 2021 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoeker] is sinds het jaar 1986 als ambtenaar in Suriname werkzaam, met in het jaar 1992 een onderbreking van 15 jaar vanwege het verhuisd zijn naar het buitenland;
  2. [Verzoeker] trad in 2011 wederom in dienst van de overheid en wel van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ingedeeld in functiegroep 6 (schaal 6B) werkzaam bij de Dienst Elektriciteitsvoorziening als magazijnmeester;
  3. [Verzoeker] is vanwege een ernstige conflictsituatie tussen hem en zijn directe chef en de onuithoudbare (het Hof begrijpt: onhoudbare) situatie die voor hem dientengevolge was ontstaan op voormelde afdeling, in het jaar 2017 enige tijd niet in staat geweest zijn werkzaamheden uit te oefenen en leed hij aan ernstige depressie. [Verzoeker] werd volgens zijn zeggen ernstig tegengewerkt door het desbetreffend diensthoofd hetgeen hem mentaal te veel werd op een bepaald moment;
  4. [Verzoeker] heeft gedurende zijn ziekte herhaaldelijk het verzoek gedaan aan de leiding van het Ministerie om hem over te plaatsen naar een andere afdeling en meer nog naar een afdeling die door een ander diensthoofd dan voormelde wordt geleid;
  5. Aan voormeld verzoek van [verzoeker] is nimmer gevolg gegeven;
  6. Vanwege het veelvuldig verzuim van [verzoeker] is hij op 18 oktober 2017 voor de keuringscommissie verschenen van het Ministerie van Volksgezondheid en kreeg hij van voormeld team de ruimte een psychiater te raadplegen teneinde zijn situatie te bespreken en tot een mogelijke oplossing te komen en moest hij zich op 02 november 2018 wederom aanmelden bij deze keuringscommissie;
  7. [Verzoeker] kreeg een brief gedateerd 20 augustus 2018 van de psychiater, drs. H. Cheung, mee dat hij moest meenemen naar de geneeskundige commissie van het Ministerie van Volksgezondheid in Suriname met in dit schrijven het advies aan deze commissie hem over te plaatsen naar een andere afdeling en hem derhalve als ambtenaar te handhaven;
  8. Vanwege de ontwikkelingen na het gesprek met de commissie waarbij [verzoeker] steeds meer er van overtuigd werd dat hij, ondanks het advies van de psychiater, ontslagen zou worden wendde hij zich wederom tot de psychiater en heeft deze in een eigenhandig geschreven brief de dato 17 december 2018 wederom zijn visie gegeven over de toestand van [verzoeker] en geadviseerd hem niet af te keuren;
  9. Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 14 juni 2019 is aan [verzoeker] toch eervol ontslag uit Staatsdienst verleend;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [Verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad:
  1. de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken opgenomen in de beschikking d.d. 14 juni 2019 onder [nummer 1], waarin aan [verzoeker] eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend, nietig te verklaren en [verzoeker] dientengevolge wederom in Staatsdienst te stellen;
  2. de Staat Suriname te gelasten [verzoeker] conform het advies van de psychiater over te plaatsen naar een andere afdeling binnen het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen of een ander Ministerie;
  3. De Staat Suriname te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan (het Hof begrijpt:) [verzoeker] van SRD. 1.000,= per dag voor elke dag waarop zij weigert tot uitvoering van de in deze zaak uitgesproken vonnis over te gaan;
  4. de Staat te veroordelen in de proceskosten van het geding;
  1. [Verzoeker] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Gelet op de wijze waarop betrokkenen in casu met de belangen van [verzoeker] zijn omgegaan en het advies van de psychiater willens en wetens niet hebben opgevolgd en [verzoeker] niet de kans hebben gegeven zijn werkzaamheden op een andere afdeling te verrichten, is het in voormelde beschikking aan [verzoeker] gegeven ontslag geheel onrechtmatig en moet vernietigd worden en is art. 69 lid 2 sub f van de Personeelswet (hierna: PW) in casu niet van toepassing;
  1. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet , of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 PW een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde onder 3.1. sub a betreft nietigverklaring van een ontslagbeschikking het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 onder c PW tevens bevoegd kennis te nemen van hetgeen gevorderd wordt onder 3.1. sub c. Ten aanzien van hetgeen gevorderd wordt onder 3.1. sub b en d is het Hof van oordeel dat deze niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 PW zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van deze onderdelen van het gevorderde.

Ontvankelijkheid

4.4. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 14 juni 2019, hetwelk hij op 06 september 2019 in ontvangst heeft genomen, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering;

4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweer ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat de Staat niet open staat voor een schikking. [verzoeker] is volgens de gevolmachtigde van de Staat ontslagen vanwege het feit dat de Geneeskundige Commissie hem blijvend arbeidsongeschikt heeft verklaard en dan heeft de Staat geen andere keus dan tot ontslag van betrokkene over te gaan (althans zo vat het Hof dat op).

4.5. Naar het oordeel van het Hof gaat het in dit geval om een ambtenaar die het slachtoffer is geworden van pesterijen op de werkvloer door een leidinggevende. Hoewel [verzoeker] diverse malen aan de bel heeft getrokken en ook de op instigatie van de door de Geneeskundige Commissie ingeschakelde psychiater oplossingsmodellen heeft aangereikt aan de Geneeskundige Commissie om het probleem van [verzoeker] op de werkvloer op te lossen, heeft dit geen soelaas geboden. Uiteindelijk heeft de Geneeskundige Commissie het navolgende vastgelegd in haar geneeskundige verklaring betreffende afkeuring voor ’s Landsdienst d.d. 13 december 2018 (begin citaat): “ De Geneeskundige Commissie verklaart de persoon van [verzoeker], Dennis volgens opgave geboren te de 08 juni 1962 in ’s Lands vaste dienst als Magazijn Medewerker te hebben onderzocht en bevonden te hebben, dat de onderzochte blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen door een der oorzaken genoemd in artikel 69 tweede lid, onder f van de Personeelsverordening (G.B. 1962 no. 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1985 no: 41”. (einde citaat)

4.6. De Staat stelt zich op het standpunt dat zij naar aanleiding van voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie geen andere keus had dan tot ontslag van [verzoeker] over te gaan terwijl [verzoeker] aanvoert in staat te zijn om de bedongen arbeid als ambtenaar te verrichten. Voorts is tijdens de behandeling van deze zaak gebleken dat [verzoeker] niet de gelegenheid gehad heeft om kennis te nemen van voormelde verklaring van de Geneeskundige Commissie terwijl daarin is aangegeven dat er een cc naar hem is gegaan. Naar het oordeel van het Hof is voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie onvoldoende met redenen omkleed en blinkt het niet uit door transparantie. Zo is er niet aangegeven welke onderzoekingen hebben geleid tot de uiteindelijke conclusie van de Geneeskundige Commissie terwijl de ingeschakelde psychiater een andere oplossingsmodel heeft voorgesteld en wiens diagnose haaks staat op de vaststelling van de Geneeskundige Commissie. Al met al heeft voornoemde verklaring van de Geneeskundige Commissie tot de nodige gefronste wenkbrauwen bij het Hof geleid en heeft het Hof daarin aanleiding gevonden om een vertegenwoordiger van de Geneeskundige Commissie uit te nodigen voor een toelichting. Naar het Hof heeft begrepen uit een schrijven van advocaat mr. C.B. Lachman d.d. 17 augustus 2021 is de secretaris van de Geneeskundige Commissie, mevrouw [naam 1] aangewezen door de directeur van het Ministerie van Volksgezondheid om inlichtingen te verschaffen aan het Hof. Evenwel was voornoemde secretaris verhinderd om op 19 augustus 2021 op de zitting aanwezig te zijn vanwege het feit dat zij op die dag haar tweede covid-19-vaccinatieprik zou krijgen. Aangezien de behandeling van deze zaak reeds geruime tijd gaande is waarbij [verzoeker] de pensioengerechtigde leeftijd in het vizier begint te krijgen en het reces van de rechterlijke macht ook al in zicht was op de dag van de zitting, heeft het Hof gemeend om in deze zaak vonnis te wijzen teneinde te voorkomen dat de beslissing van het Hof zou blijken mosterd na de maaltijd te zijn;

4.7. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat op grond van de niet inzichtelijke vaststelling van de Geneeskundige Commissie, welke niet met redenen is omkleed, en evenmin zorgvuldig is gemotiveerd en toegespitst op de specifieke situatie van [verzoeker], de grondslag van het gevorderde in rechte is komen vast te staan. Voorts heeft de Staat in de visie van het Hof onvoldoende rekening gehouden met alle omstandigheden van het specifieke geval van [verzoeker]. Er is in de visie van het Hof, onder andere, onvoldoende gelet op de “impact” die de ontslagverlening aan [verzoeker] op hem zou hebben in samenhang bezien met zijn jarenlange staat van dienst en zijn kalenderleeftijd waarbij zijn kansen op de arbeidsmarkt minimaal zijn. Naar het oordeel van het Hof is derhalve in rechte komen vast te staan dat het aan [verzoeker] verleend ontslag onrechtmatig is geschied en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu er geen termijn voor de uitvoering van het gevorderde is opgenomen in het petitum van het verzoekschrift.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1. sub b en d;
  1. Verklaart nietig de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken opgenomen in de beschikking d.d. 14 juni 2019 onder [nummer 1] waarin aan [verzoeker] eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen dhr. [verzoeker], Dennis Edmund, verzoeker, terwijl verweerder niet wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld