SRU-HvJ-2022-19

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 10/2022
  • Uitspraakdatum 09 februari 2022
  • Publicatiedatum 01 maart 2023
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een kans wil om zijn leven te herstellen en heeft beloofd dat hij niet meer in aanraking zal komen met justitie.

    Het fair trial beginsel: Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat in eerste aanleg er tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat hij tijdens de eerste behandeling in eerste aanleg desgevraagd geen uitstel heeft gehad om het dossier, dat onvolledig was, te bestuderen. Volgens de raadsman moest hij zich binnen twee uren voorbereiden om de zaak te bepleiten en heeft hij geen gelegenheid gehad om getuigen à decharge te laten horen terwijl de behoefte daartoe wel bestond. De raadsman moest volgens hem in de gelegenheid worden gesteld om de verdediging op een correcte wijze en in de ruimste zin des woords te kunnen voeren. Naar aanleiding van het bovenstaande overweegt het Hof na kennisname van het proces-verbaal in eerste aanleg dat er inderdaad in strijd is gehandeld met het recht van de verdachte op een eerlijk proces.

Uitspraak

Vonnisnummer : 10/2022
Uitspraak : 09 februari 2022
Parketnummer : 1-2-02817
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 10 februari 2021 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep autohandelaar en wonende aan de [adres] in het [district], thans in detentie verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door de raadsman, mr. K. Bhoendie, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van voornoemde verdachte op 11 februari 2021 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op woensdag 10 februari 2021 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de Mgr. Wulfinghstraat no. 05, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. op of omstreeks 18 november 2020, althans in het jaar 2020, in het [district], in ieder geval in Suriname;

A. tezamen en in vereniging met een zekere [naam 1] en/of een zekere [naam 3], althans één of meer tot nog toe (on)bekend gebleven perso(o)n(en), in ieder geval alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft (hebben) weggenomen 1 (één) flatscreen televisie en/of 1 (één) laptop, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
(Art. 371 WvSr)

althans, indien en voorzover het onder IA gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. [naam 1] en/of een zekere [naam 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft (heeft) weggenomen 1 (één) Flatscreen televisie en/of 1 (één) laptop, in elk geval een of meer goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [naam 1]en/of die zekere [naam 2] en/of verdachte die [naam 1] en/of die zekere [naam 2] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/ het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 november 2020, althans in het jaar 2020, te [district], in ieder geval in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door”
– op de uitkijk te staan en/of;
– die [naam 1] en of ene [naam 2] te vervoeren van en naar het plaats delict en/of;
(Art. 371 jo. 73 WvSr)

II. op of omstreeks 19 november 2020, althans in het jaar 2020, te [district], in ieder geval in Suriname,

[naam 4], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam 4], dreigend de woorden toegevoegd (in het Surinaams): “Mo bonk wan handgranaat tapi” (“Ik ga een handgranaat op je gooien”), althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
(Art. 345 WvSr)
III. op of omstreeks 27 november 2020, althans in het jaar 2020, te Wanica, in ieder geval in Suriname,

opzettelijk heeft verkocht en/of geleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine, in elk geval een andere hoeveelheid cocaine, zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 punt a onder B en/of C van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 10 februari 2021 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (feiten I, II en III) tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren onvoorwaardelijk onder aftrek van de tijd in voorarrest gezeten. Voorts vordert de vervolging een geldboete van SRD 2.000,- met de bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 02 (maanden). Tot slot vordert de vervolging de onttrekking van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine aan het verkeer.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 10 februari 2021 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding voor de kantonrechter in het Derde Kanton onder IA ten laste gelegde (medeplegen van diefstal middels braak), het onder II ten laste gelegde (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) en het onder III ten laste gelegde (Overtreding Wet Verdovende Middelen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie (3) jaren en een geldboete van SRD 2000, – (Tweeduizend Surinaamse dollars), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 2 (twee) maanden. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 27 november 2020 af, in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. De kantonrechter in het Derde Kanton heeft ook de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaïne bevolen en het bevel tot gevangenhouding van de verdachte gelast.

Het beroepen vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder IA en III van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

I. op 18 november 2020 in het [district];

A. tezamen en in vereniging met een zekere [naam 1] en een zekere [naam 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen 1 (één) flatscreen televisie en 1 (één) laptop, geheel toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn voornoemde mededaders zich de toegang tot de plaats der misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
(Art. 371 WvSr)

III. op 27 november 2020 te [district],

opzettelijk heeft vervoerd 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaїne zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 punt a onder B van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder IA en III ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Evenmin acht het Hof bewezen hetgeen de verdachte onder II is ten laste gelegd weshalve de verdachte zal worden vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit IA:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 februari 2021, doorgenummerde pagina 06, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben 23 jaar oud en van beroep autohandelaar. Ik word ook [bijnaam 2 verdachte] genoemd en gebruik de naam [accountnaam 1] voor mijn ‘social accounts’. Het gaat in deze om een flatscreen en een laptop. De 17-jarige [naam 1] en ik zijn naar een woning van [naam 1] oom aan de [adres 2] gegaan. Wij hebben een schuifraam opengeschoven en het dievenijzer geforceerd. Wij zijn met mijn voertuig naar daar gegaan. En ik heb een gele ijzersnijder (cutter) en een zwarte koevoet uit mijn woning gehaald waarmee wij het dievenijzer geforceerd hebben. Die flatscreen televisie heb ik verkocht voor SRD 1.200,-. De opbrengst hebben [naam 1] en ik verdeeld. Ik heb SRD 400,- uit de buit gekregen. Ik had dat geld nodig om een andere auto van mij te laten spuiten.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aangifte van diefstal middels braak door de aangeefster, [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt op 18 november 2020 door [verbalisant 1] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina 78 e.v. voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Heden woensdag 18 november 2020 omstreeks 08.30 uur ging zij als laatste uit huis na die goed te hebben afgesloten. Omstreeks 04.30 uur kwam zij tot de ontdekking dat onbekenden haar woning hebben ingebroken en een 32 inch flatscreen televisie van het merk TCL en een zwart verkaste laptop hebben weggenomen.

Plaatselijk onderzoek
Bekeken vanuit de straatzijde hebben de daders een dievenijzer aan de rechterachterzijde van de woning geforceerd. Na de dievenijzer geforceerd te hebben, kwamen de daders in een slaapkamer terecht. Volgens verklaring van de aangeefster was de weggenomen televisie op een tafel in bedoeld kamer geplaatst, terwijl de weggenomen laptop aan de bovenzijde van de scheepsbed dat in de kamer was geplaatst. Volgens de verklaring van de aangeefster was de slaapkamer deur door haar op slot gemaakt waardoor de daders geen toegang in de rest van de woning heeft kunnen verschaffen. Aan de deurkozijn zijn er forceringen waargenomen, waaruit bleek dat de daders getracht hebben bedoeld deur open te krijgen, echter is het hun niet gelukt die open te krijgen.

Buurtonderzoek:
De buurtbewoner van pandnummer 17, [naam 4], heeft verklaard dat hij op woensdag 18 november 2020, omstreeks 11.00 uur een zwart gelakt voertuig van het merk Toyota Auris 2 keren in de straat heeft zien rijden. Omstreeks 13.00 uur zag hij bedoeld voertuig wederom in zijn inrit keren. Het gelukte de bestuurder niet om te keren en ging hij terug om verder te gaan. Toen bedoeld voertuig in zijn inrit was zag hij het kentekennummer. Het gaat om [kentekennummer 1] of [kentekennummer 2]. Toen reed die voertuig verder en stopte voor de woning van aangeefster. Toen zag hij dat iemand rennend uit het erf van aangeefster aan de achterzijde van het voertuig gaan plaats nemen. Hij heeft wel niet kunnen zien wie bedoeld persoon was en hoe hij eruit zag.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het bezichtigen van beeldmateriaal, in beslag nemen en veiligstellen daarvan door de afdeling Digitale Recherche, in de wettelijke vorm opgemaakt op 20 november 2020 door [verbalisant 2], (majoor van politie), doorgenummerde pagina 80, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De aangeefster [benadeelde], toonde beeldmateriaal en chatberichten op haar mobiele telefoon. Dit beeldmateriaal is van een Facebook Messenger Account onder de naam [accountnaam 2]. Hierop is te zien dat een manspersoon van creoolse komaf met een bril op gezeten in een auto een lied zingen. Volgens verklaring van de aangeefster is deze manspersoon [naam 1] geheten. Ook is op het beeldmateriaal een manspersoon van Hindostaanse komaf te zien, die naast [naam 1] zit en meezingt. Op de achter zitting is een televisietoestel te zien dat afgedekt wordt met een kledingstuk. Het beeldmateriaal is veiliggesteld. De chatberichten betreffen screenshots van Facebook messenger van een account onder de naam [accountnaam 1].”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van opsporing, aanhouding, overbrenging verdachten en inbeslagneming goederen, in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 novemember 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 81 tot en met 85, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De verdachte [naam 1] meergenoemd [bijnaam naam 1] gaf toe de inbraak te hebben beraamd en gepleegd samen met een vriend van hem, de verdachte [naam 1]. Op aanwijzing van verdachte [naam 1] werd de verdachte [verdachte] opgespoord in het [wijk 1]. Gekomen aan de [straatnaam 1] ter hoogte van de [straatnaam 2] werd de zwartgelakte Toyota Auris voorzien van het kentekennummer [kentekennummer 3] gesignaleerd waarbij de bestuurder meteen werd staande gehouden. De bestuurder gaf daarnaar gevraagd op te zijn: [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], autoverkoper van beroep en wonende aan de [adres 1] in het [district]. Telefonisch te bereiken op het mobielnummer [mobielnummer]. Op een daartoe strekkende vraag gaf hij aan geen inbraak te hebben gepleegd.”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding en inverzekeringstelling van de verdachten [naam 2]; [naam 1]; [naam 5] en [naam 6], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 4] (agent van politie 1ste klasse), doorgenummerde pagina 87-88, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De verdachte [naam 1] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte]en [naam 2] is gereden naar de [straatnaam 3], alwaar [verdachte]heeft ingebroken in de woning van mijn oom. Hij heeft daarbij een televisie en een laptop meegenomen. De televisie is verkocht voor SRD 1.500,-.”

6. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 1]meergenoemd [bijnaam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 5] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 95 tot en met 100, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De inbraak is gepleegd door [verdachte] meergenoemd [bijnaam 3 verdachte]. [verdachte] heeft de inbraak gepleegd terwijl een zekere [naam 2] en ik op de uitkijk waren. De diefstal heeft plaatsgevonden op 18 november 2020 op een tijdstip gelegen tussen 14.00 uur en 15.00 uur. Ik heb de inbraak uitgelokt. Het is namelijk zo dat ik wist dat [benadeelde] elke dag tot 12.00 uur werkt en omstreeks 15.00 uur thuis aankomt. Ik besloot de inbraak door [verdachte]te laten plegen en wel voor 15.00 uur. Ik heb de plan bedacht en heb ik [verdachte] benaderd om de inbraak te plegen. Ik ken [verdachte] al bijkans 03 jaren.
Op 18 november 2020, omstreeks 12.00 uur was ik bij de Suribet shop gelegen bij de samenkomst van de wegen [straatnaam 4] en de [straatnaam 5]. Ik was bezig met gokspelen. Terwijl ik daar was, kwam [verdachte]in de Suribet Shop. Ik benaderde [verdachte] met het voorstel van de inbraak. [verdachte]was bereid de inbraak te plegen.
[verdachte]was met zijn zwartgelakt voertuig van het merk Toyota, Auris bij de Suribet Shop gekomen. Nadat [verdachte] en ik overeen waren gekomen om de inbraak tot een feit te maken, nam ik plaats in het voertuig van [naam 1]. Toen ik al in het voertuig zat, zag ik [naam 2] in het voertuig. Ik ben vervolgens samen met [verdachte]en [naam 2] gereden naar de woning van [benadeelde], gelegen aan de [straatnaam 6] in het [district], zijnde een zijstraat van de [straatnaam 3] om de woning van [benadeelde] te observeren. Het voertuig werd door [verdachte] bestuurd.
Thuis bij [benadeelde] aangekomen, parkeerde [verdachte] het voertuig op de inrit. Ik stapte uit en klopte op de ramen van de woning, om zeker te zijn of [benadeelde] thuis was. Toen ik geen reactie zag, wist ik dat [benadeelde] niet thuis was en dat [verdachte]ongestoord de inbraak kon plegen. Echter, niemand had breekwerktuig bij zich. [verdachte]gaf te kennen, dat hij breekwerktuig thuis had liggen. Wij verlieten de woning van [benadeelde] en gingen wij samen naar de woning van [naam 1], gelegen aan de [straatnaam 5]. [verdachte] haalde een gele ijzersnijder de zogenaamde ‘cutter’ en een zwarte koevoet uit zijn woning. Wij waren toen klaar om de inbraak te gaan plegen. We reden in dezelfde formatie terug naar de woning van [benadeelde]. Onderweg, ergens aan de [straatnaam 3], nam [naam 2] de besturing over het voertuig van [verdachte] over, omdat volgens afspraak [verdachte] de inbraak moest plegen. [verdachte] nam plaats op de rechter achterzitting en vervolgden wij onze weg naar de woning van [benadeelde].
Thuis bij [benadeelde] aangekomen, stapte [verdachte] met de breekwerktuigen uit het voertuig om de inbraak te plegen, terwijl [naam 2] en ik wegreden, naar een supermarkt gelegen aan de [straatnaam 3]. Bij de supermarkt hebben [naam 2] en ik op [verdachte] gewacht. Na ongeveer een uur belde [verdachte] mij met de mededeling dat hij de inbraak reeds had gepleegd en dat [naam 2] en ik hem konden ophalen. [naam 2] en ik reden vervolgens naar de woning van [benadeelde] om [verdachte] op te halen. Bij de woning van [benadeelde] aangekomen, laadde [verdachte]een zwarte flatscreen smart televisie van het merk TCL; een zwarte laptop vermoedelijk van het merk Dell en een zwarte gymtas in het voertuig. Nadat de goederen waren ingeladen, nam [verdachte] plaats in het voertuig en reden wij weg van de woning van [benadeelde].

[naam 3], [verdachte] en ik zijn meteen gereden naar de [wijk 2] om de televisie te verkopen. [verdachte]had ene [naam 7] opgebeld om de televisie op te kopen. Op [wijk 2] aangekomen, kwam [naam 7] naar buiten. Hij wenkte [naam 3], waarna [naam 2] met de televisie was uitgestapt en naar de woning van [naam 7] liep. Na enkele ogenblikken kwam [naam 2]terug met SRD 1.500,-. Ik ontving SRD 400,- van [naam 1], waarna ik meteen uit het voertuig was gestapt. De laptop had [naam 2] voor zichzelf gehouden. Ik weet niet wat [naam 2] en [verdachte] met de rest van het geldbedrag hebben gedaan.

Het is namelijk zo dat na de inbraak ik een video had gemaakt in het voertuig van [naam 1]. Ik had die video op de story van mijn social media facebook geplaatst. Ik had echter over het hoofd gezien, dat de televisie welke [verdachte] had gestolen op de achtergrond van de video voorkwam. De video werd bekeken door [naam 4]. [naam 3] stuurde de video naar heel wat familieleden van mij met de mededeling dat ik de inbraak had gepleegd. [verdachte] heeft met de auto van het merk Toyota, Auris, gekentekend [kenteken 3] de inbraak tot een feit gemaakt.”

7. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [verdachte]meergenoemd [bijnaam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 6] (onderinspecteur van politie), doorgenummerde pagina’s 108 tot en met 112, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Ik geef toe betrokken te zijn geweest bij de inbraak aan de [straatnaam 6], zijnde een zijweg van de [straatnaam 3]. Ik was met [naam 1] ernaar toe gegaan. Ik bleef buiten op hem wachten, terwijl [naam 1] naar binnen ging. Er was geen plan om de inbraak te plegen. Het lag in de bedoeling dat ik [naam 1] naar de woning van zijn oom zou brengen om zijn kleren op te halen. Hij heeft een televisie van het merk TCL gestolen alsook een laptop. Ik heb de grootte van de televisie niet gecheckt. De laptop was zwart van kleur. Ik heb niet gelet op het merk van de laptop. De gestolen goederen zijn door mij vervoerd met dezelfde auto waarmee ik reed bij mijn aanhouding.”

8. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 december 2020 door [verbalisant 5] (agent van politie 1ste klasse), doorgenummerde pagina’s 113 tot en met 116, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Thans kom ik terug op mijn verklaring en verklaar dat [naam 1] de waarheid heeft gesproken. Na de inbraak heb ik de breekwerktuigen gegooid ergens aan de [straatnaam 7]. Ik ga de plek niet meer kunnen aanwijzen aangezien ik rijdend de breekwerktuigen uit het voertuig had gegooid. [naam 1] spreekt de waarheid. Ik heb ene [naam 7] gebeld om de televisie op te kopen. Op [wijk 2] aangekomen, kwam [naam 7] naar buiten. [naam 2] stapte met de gestolen televisie uit het voertuig en verkocht die aan [naam 7] voor een geldbedrag groot SRD 1.500, -. [naam 1]ontving SRD 400 en is meteen uit het voertuig uitgestapt. [naam 1] spreekt de waarheid. Ik heb [naam 2] SRD 400 betaald. Ik heb SRD 400 voor mezelf gehouden en met SRD 300 heb ik mijn voertuig laten bijtanken. [naam 2] had die laptop ook voor zichzelf gehouden, omdat die laptop defect was.”

9. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 1] meergenoemd [bijnaam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 117 tot en met 120, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“[verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de woning geforceerd. Hij heeft de woning ook betreden. De goederen heeft hij uit de woning weggenomen. Nadat hij de daad had gepleegd, heeft hij ons opgebeld om hem te komen halen, wat wij ook deden. De auto van [verdachte] was betrokken bij de inbraak. [verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de woning geforceerd met een grote pijpentang. De pijpentang behoorde toe aan [naam 1]. Het gaat om een gele pijpentang. [naam 2] en [verdachte] hebben elk SRD 400 gehad. SRD 300 hebben wij gebruikt om de auto van [verdachte] bij te tanken. [verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de slaapkamer geforceerd.”

10. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de aangeefster/benadeelde, [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt op 30 november 2020 door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 129 tot en met 131 voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Ik woon op dat adres samen met mijn man genaamd [naam 8] en mijn kind, dat thans ander half jaar oud is. Wij zijn omstreeks 07.30 uur vertrokken. Voor mijn vertrek, had ik de woning goed afgesloten. Omstreeks 04.30 uur ben ik teruggekeerd. Op dat moment viel het mij meteen op dat de slaapkamer overhoop was gehaald. Ik begreep gelijk dat onbekenden in mijn slaapkamer waren geweest tijdens mijn afwezigheid. Ik stelde gelijk een onderzoek in, in de slaapkamer en ontdekte ik dat de flatscreen televisie; de laptop en de grijze tas, die ik in mijn slaapkamer had, waren weggenomen. De daders hebben het glazenraam en het dievenijzer van mijn slaapkamer geforceerd. Het dievenijzer is namelijk vanuit de binnenzijde geplaatst. Via dat raam hebben de daders mijn slaapkamer betreden. De deur van mijn slaapkamer was op slot. Ik zag wel sporen aan mijn slaapkamerdeur, alsof de deur getracht is om te forceren. Het merk van de flatscreen was TCL. Het betreft een zwart flatscreen van 32 inch. Het merk van de laptop was Compac.
Ik had na de inbraak, gesproken met mijn buren. Mijn buren vertelden mij, dat een zwart gelakte Toyota Auris betrokken was bij de inbraak. De buren hadden ook het kentekennummer van bedoelde auto aan mij doorgegeven. Het betrof [kentekennummer 1] of [kentekenummer 2]. Ik had mijn stiefmoeder ook verteld over de inbraak. Mijn stiefmoeder had op haar beurt over de inbraak verteld aan mijn jongere nicht [naam 4]. Later op de dag had ik de informatie van mijn stiefmoeder dat mijn jongere neef [naam 1] betrokken was bij de inbraak. Zij vertelde aan mij dat zij een video op de facebook status van [naam 1] had gezien, waarbij de weggenomen televisie van mij op de achtergrond in beeld kwam. Ik bekeek de facebook status van [naam 1] en zag inderdaad hetgeen mijn stiefmoeder mij had voorgehouden.”

11. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de benadeelde, [naam 4], in de wettelijke vorm opgemaakt op 30 november 2020 door [verbalisant 8] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 132 tot en met 134 voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Op de videobeelden zag ik een vriend van [naam 1] genaamd [verdachte] ook. [naam 1] had deze beelden waarschijnlijk met zijn mobiele telefoon toestel geschoten. Op dit videobeeld zag ik een flatscreen televisie toestel op de achterste zitting. Ik kreeg gelijk het vermoeden dat die televisie op het eerder genoemde adres is weggenomen. Ik had [verdachte] ten aanzien hiervan gevraagd, echter ontkende hij iets daarvan af te weten.”

12. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 03 november 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben wel schuldig. Ik erken de inbraak te hebben gepleegd. Ik heb sinds het begin gezegd dat ik wel betrokken ben geweest bij die inbraak.”

13. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 09 februari 2022, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik heb de inbraak samen met [naam 1] gepleegd. Ik heb het dievenijzer geforceerd en ben via het openstaande raam naar binnen gegaan. Ik ben met mijn voertuig ernaar toe gereden.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit III:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van opsporing, aanhouding, overbrenging verdachten en inbeslagneming goederen, in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 81 tot en met 85, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Op aanwijzing van verdachte [naam 1] werd de verdachte [verdachte] opgespoord in het [wijk 1]. Gekomen aan de [straatnaam 1] ter hoogte van de [straatnaam 2] werd de zwartgelakte Toyota Auris voorzien van het kentekennummer [kenteken 3] gesignaleerd waarbij de bestuurder meteen werd staande gehouden. De bestuurder gaf daarnaar gevraagd op te zijn: [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], autoverkoper van beroep en wonende aan de [adres 1] in het [district]. Telefonisch te bereiken op het mobielnummer [mobielnummer]. Bij een ingesteld onderzoek in tegenwoordigheid van de verdachte [verdachte]in zijn voertuig, werd in de laadruimte (kofferbak) een witte plasticzak aangetroffen. Daarin zaten er drie zwarte zakken, waarvan een inhoudende bruine substantie en twee inhoudende witte substantie. Op een daartoe strekkende vraag, verklaarde de verdachte [verdachte]niks daarvan af te weten. In tegenwoordigheid van de verdachte [verdachte]werd de aangetroffen en inbeslaggenomen drugs gewogen. Daarbij is komen vast te staan dat de bruine substantie een totaal gewicht had van 610 gram, terwijl de witte substanties respectievelijk een gewicht hadden van 550 gram en 1015 gram.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [naam 6], in de wettelijke vorm opgemaakt op door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 104 tot en met 107, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De auto behoort toe aan [bijnaam 1 verdachte]. Ik ken [bijnaam 1 verdachte] bijkans twee jaren. Hij en ik drinken vaak alcohol samen. [bijnaam 1 verdachte] haalde mij, zoals afgesproken, thuis op. Hij reed op mijn aanwijzing naar de [straatnaam 8], alwaar ik een geldbedrag van SRD 50, – ophaalde bij mijn jongere neef [naam 9]. Na het geld te hebben opgehaald reden wij terug. Vervolgens bracht [bijnaam 1] me naar het [wijk 1], alwaar ik ‘high grade drugs’ voor een bedrag van SRD 20, – kocht. Na de drugs te hebben gekocht reden we terug. Onderweg reed de politie de auto van [bijnaam 1] klem. De politie stelde een onderzoek in, in de auto van [bijnaam 1] en trof een hoeveelheid drugs aan in de auto. De door mij gekochte drugs zouden [bijnaam 1] en ik samen roken. Ik weet wel dat hij drugs rookt.”

3. Het proces-verbaal van onderzoek, d.d. 04 december 2020, opgemaakt door de de gouvernementsscheikundige, Dr. J. Codrington, doorgenummerde pagina 39 van het dossier voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

“Het aangeboden materiaal bevat cocaïne en valt derhalve onder de Wet Verdovende Middelen.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina 166, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een witte zak inhoudende een bruine substantie met een gewicht van 610 gram en twee witte substanties met de respectievelijke gewichten van 550 gram en 1015 gram.”

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder IA bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 juncto artikel 370 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder III bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 3 lid 1`punt a onder B juncto artikel 11 lid 3 van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 10 februari 2021 zal vernietigen en op grond van de genoemde overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (I, II en III) tot een gevangenisstraf van twee jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts vordert de vervolgingsambtenaar een geldboete van SRD 2000, – (Tweeduizend Surinaamse dollars), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 2 (twee) maanden. Vervolgens vordert de vervolgingsambtenaar onttrekking van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine aan het verkeer.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een kans wil om zijn leven te herstellen en heeft beloofd dat hij niet meer in aanraking zal komen met justitie.

Het fair trial beginsel
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat in eerste aanleg er tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat hij tijdens de eerste behandeling in eerste aanleg desgevraagd geen uitstel heeft gehad om het dossier, dat onvolledig was, te bestuderen. Volgens de raadsman moest hij zich binnen twee uren voorbereiden om de zaak te bepleiten en heeft hij geen gelegenheid gehad om getuigen à decharge te laten horen terwijl de behoefte daartoe wel bestond. De raadsman moest volgens hem in de gelegenheid worden gesteld om de verdediging op een correcte wijze en in de ruimste zin des woords te kunnen voeren.

Naar aanleiding van het bovenstaande overweegt het Hof na kennisname van het proces-verbaal in eerste aanleg dat er inderdaad in strijd is gehandeld met het recht van de verdachte op een eerlijk proces.

Hoewel voor het bewezen verklaarde in het Derde Kanton naar het oordeel van het Hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de totale duur van twee (2) jaren en een geldboete van SRD 2.000,- (Tweeduizend Surinaamse Dollars) passend en geboden zou zijn geweest, zal het Hof, gelet op vorenbedoelde inbreuk op het recht van verdachte, in het onderhavige geval, overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur.

Het Hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen aldus tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen, wat door de vervolgingsambtenaar is gevorderd. Het Hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Alles overziende acht het Hof een gevangenisstraf voor het bewezenverklaarde in het Derde Kanton voor de duur van één (1) jaar en zes (6) maanden passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 10 februari 2021 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder IA en III is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders onder IA en III is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder II is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
IA. het medeplegen van gekwalificeerde diefstal; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 juncto artikel 370 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Ill. overtreding van de Wet Verdovende Middelen; voorzien bij artikel 3 lid 1 punt a onder B en strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 3 van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ÉÉN (1) JAAR en ZES (6) MAANDEN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 27 november 2020 in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaïne.

Gelast de gevangenhouding van de veroordeelde.

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger,
bijgestaan door mr. A.M. Jhagroe, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 09 februari 2022 te Paramaribo.

w.g. A.M. Jhagroe     w.g. A. Charan
                                  w.g. S. Punwasi
                                  w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)