SRU-HvJ-2022-21

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 41/2022
  • Uitspraakdatum 15 augustus 2022
  • Publicatiedatum 27 maart 2023
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    In casu moet worden beoordeeld of de verklaringen van de getuigen elkaar in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, waardoor er kan worden gesteld dat er is voldaan aan het bewijsminimum.

    In de visie van het Hof kunnen de verklaringen van [benadeelde 2], [benadeelde 3] en de anonieme getuige niet als steunbewijs worden gebruikt voor het aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feit aangezien de strafbaarheid van verdachte uit die verklaringen niet kan worden gedestilleerd. Ook de verklaring van de verbalisant is onvoldoende om als aanvaardbaar steunbewijs te kunnen worden aangemerkt, nu de verbalisant slechts heeft verklaard wat hij van [benadeelde 1] heeft vernomen (een ‘de auditu-verklaring’). Dit betreft dan ook geen bewijsmateriaal afkomstig uit een andere bron. Aangezien de verklaringen van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], de anonieme getuige en de verbalisant elkaar niet in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, komt het Hof tot de conclusie dat er niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het Hof stelt in dit kader vast dat alleen [benadeelde 1] een uitgebreide verklaring heeft afgelegd en dat zijn verklaringen onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Uitspraak

Vonnisnummer : 41/2022
Uitspraak : 15 augustus 2022
Parketnummer : 1-4-02995
VERSTEK

 

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 07 november 2014 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam verdachte], geboren op [datum] in het district [plaats], van beroep bootsman, wonende aan de [adres 1] te [plaats] in het district [district], thans in vrijheid verkerend;

De verdachte is niet verschenen en wordt ook niet bijgestaan door een advocaat.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 18 november 2014 op de voorgeschreven wijze appél heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de vervolgingsambtenaar tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 18 juli 2014 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

op of omstreeks 21 mei 2014, althans in het jaar 2014, te Marowijne, in ieder geval in Suriname,
hij verdachte, tezamen en in vereniging met een tot nog toe onbekend gebleven persoon, in ieder geval alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van SRD 3.000,- (drieduizend Surinaamse Dollars), althans enig geld en/of een onbekend aantal opwaardeerkaarten (van Telesur en/of Digicel), in ieder geval een of meer dezer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte tezamen en in vereniging met die tot nog toe onbekend gebleven persoon, althans alleen:
• met een (vuist)vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], onder schot heeft gehouden en/of
• met een (vuist)vuurwapen, althans een hard en/of zwaar voorwerp een of meer slagen heeft toegebracht op het hoofd, althans het lichaam van die [benadeelde 3];
(artikel 372 WvSR)

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen redenen aanwezig gebleken ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 07 november 2014 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste gelegde, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, zal veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaren, onder aftrek van de tijd die door hem in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten een mouwloze zwarte jas en een groen witte muts gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 07 november 2014 is de verdachte terzake het bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde (diefstal met geweldpleging) vrijgesproken.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 341 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

Vrijspraak

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd.

Motivering van de vrijspraak

In deze zaak gaat het om de verdenking dat de verdachte op 21 mei 2014 tezamen en in vereniging met een tot nog toe onbekend gebleven persoon een beroving heeft gepleegd bij de supermarkt ‘[supermarkt]’ aan de [adres 2] in het district [district].
In casu moet worden beoordeeld of de verklaringen van de getuigen elkaar in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, waardoor er kan worden gesteld dat er is voldaan aan het bewijsminimum.
De verdachte heeft in zijn verklaringen ontkend het aan hem bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde strafbare feit te hebben gepleegd. Behalve de verklaringen van de winkelier, [benadeelde 1], bevat het dossier onder andere ook de getuigenverklaringen van de echtgenote van de winkelier, [benadeelde 2], de arbeider, [benadeelde 3], die in de supermarkt werkzaam is, een anonieme getuige en de verbalisant, [naam 1], die [benadeelde 1] met foto’s van verschillende verdachten heeft geconfronteerd. [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij één van de rovers positief heeft herkend als te zijn de verdachte, aangezien de rovers hun masker nog niet hadden opgezet toen zij naar het winkelpand liepen. Alhoewel de getuige [benadeelde 2] zich ten tijde van de beroving in de supermarkt bevond, kon zij geen siganalementen van de daders opgeven. De getuige [benadeelde 3] bevond zich ten tijde van de beroving eveneens in de supermarkt, maar heeft niet kunnen zien wat zich achter de toonbank heeft afgespeeld. Volgens de verklaring van [benadeelde 3] waren beide rovers gemaskerd. Voorts heeft hij verklaard dat de eerste rover lang en slank was en een geschatte lengte van 1.70 m kan hebben. Tot slot heeft hij verklaard dat hij geen siganalementen kan opgeven van de tweede rover. De anonieme getuige heeft verklaard dat hij/zij tezamen met een vrouwspersoon was toen [medeverdachte] aan die vrouwspersoon te kennen gaf dat hij al enige tijd na zijn vrijlating niet over geld beschikt en dat hij van plan is om een beroving te plegen bij een van de Chinese winkels in de omgeving van de [straatnaam] meergenoemd ‘[roepnaam]’ in de volksmond. Het Hof merkt op dat er niet is onderzocht of de supermarkt ([supermarkt]) van [benadeelde 1] in de volksmond bekend staat onder de naam [roepnaam]. Uit de verklaring van de verbalisant is gebleken dat de winkelier [benadeelde 1] de verdachte positief heeft herkend op één van de foto’s die als bijlage in het dossier waren gezet.

In de visie van het Hof kunnen de verklaringen van [benadeelde 2], [benadeelde 3] en de anonieme getuige niet als steunbewijs worden gebruikt voor het aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feit aangezien de strafbaarheid van verdachte uit die verklaringen niet kan worden gedestilleerd. Ook de verklaring van de verbalisant is onvoldoende om als aanvaardbaar steunbewijs te kunnen worden aangemerkt, nu de verbalisant slechts heeft verklaard wat hij van [benadeelde 1] heeft vernomen (een ‘de auditu-verklaring’). Dit betreft dan ook geen bewijsmateriaal afkomstig uit een andere bron. Aangezien de verklaringen van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], de anonieme getuige en de verbalisant elkaar niet in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, komt het Hof tot de conclusie dat er niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het Hof stelt in dit kader vast dat alleen [benadeelde 1] een uitgebreide verklaring heeft afgelegd en dat zijn verklaringen onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Ook de veiliggestelde camerabeelden van huize [naam 2] leiden niet tot een andere slotsom aangezien de kwaliteit daarvan slecht te noemen is. Evenmin leidt de inbeslagname van een zwarte jacket in de ouderlijke woning van de verdachte tot een andere slotsom aangezien de connectie daarvan met een kledingstuk die één der verdachten ten tijde van de beroving aan had niet uit de verf is gekomen.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwend, komt het Hof tot de conclusie dat er in casu niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het voorgaande zal derhalve in het voordeel van de verdachte worden uitgelegd en is een vrijspraak geïndiceerd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 324, 325, 329, 330 en 338 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de uitspraak.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 07 november 2014 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers,
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 15 augustus 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)