SRU-HvJ-2023-16

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer 69/2023
  • Uitspraakdatum 20 december 2023
  • Publicatiedatum 12 januari 2024
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof bevestigt het vonnis van de Krijgsraad op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken tegen de verdachte Dendoe, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden, met uitzondering van de daarin aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. Het Hof vernietigt het beroepen vonnis van de Krijgsraad op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte Dendoe ten aanzien van de strafoplegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren.

    Het is aan de rechter, die over de feiten moet oordelen, voorbehouden om binnen de door de wet getrokken grenzen, uit het voorhanden zijnde materiaal te selecteren hetgeen hem, ook uit een oogpunt van betrouwbaarheid, voor het bewijs dienstig voorkomt. Die selectie behoeft geen andere motivering dan besloten ligt in de weergave van de gebezigde bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het Hof gaat het verweer dat door de Krijgsraad de verklaringen afgelegd door een getuige niet voor het bewijs zijn gebezigd niet op daar zijn deze verklaringen niet relevant zijn gebleken voor de bewijsbeslissing in deze zaak.

    Het alibi verweer van de verdachte wordt verworpen. De verklaringen van de twee getuigen à décharge acht het Hof niet geloofwaardig gelet op de duidelijke en consistente verklaringen van 5 getuigen a charge dat de verdachte wel in het Fort Zeelandia was op 07, 08 en 09 december 1982. Overigens zijn de twee getuigen à décharge zussen van de verdachte waardoor het Hof in het kader van de geloofwaardigheid van die verklaringen met gepaste behoedzaamheid daarmee zal omgaan. In dat kader heeft het Hof deze getuigenverklaringen in perspectief geplaatst tegenover de verklaringen van bovengenoemde ooggetuigen en helt de balans qua geloofwaardigheid in de visie van het Hof in de richting van de ooggetuigen.

    Wanneer de ontkennende verklaring van de verdachte wordt afgezet tegenover de in het vonnis van de Krijgsraad aangehaalde bewijsmiddelen aangevuld met de in dit appèl aangehaalde bewijsmiddelen, met name de verklaringen van de verschillende getuigen a charge, kan de ontkennende verklaring van de verdachte worden opgevat als een kennelijk leugenachtige verklaring met de bedoeling om de waarheid te bemantelen.

    Niet ter discussie staat dat verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen de slachtoffers van het leven heeft beroofd. Dit volgt naar het oordeel van het Hof reeds uit de wijze waarop het eraan is toegegaan. Naar het oordeel van het Hof zijn dergelijke gedragingen naar hun aard gericht op het om het leven brengen van de slachtoffers. HHhHH hhjnjjiaiujj ier is derhalve geen sprake van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet doch van opzet als oogmerk.

    Het gevorderde bevel tot gevangenneming van de verdachte door de vervolgingsambtenaar wordt verworpen aangezien de vervolgingsambtenaar geen gronden heeft aangevoerd die een bevel tot gevangenneming in deze fase van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zouden kunnen schragen. In casu betreft het een vonnis van het Hof rechtsprekend in hoogste instantie waartegen er geen gewoon rechtsmiddel openstaat waardoor het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen en voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Ingevolge het systeem van de wet ligt het op de weg van de vervolging om in het natraject van het uitgesproken vonnis tot ten uitvoerlegging daarvan conform de toepasselijke wettelijke bepalingen over te gaan.

Uitspraak

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnisnummer: 69/2023
Uitspraak: 20 december 2023
Parketnummer: SPG 3979/07
TEGENSPRAAK

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

APPÈL-STRAFKAMER IN MILITAIRE STRAFZAKEN

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Krijgsraad, gewezen en uitgesproken op 29 november 2019 tegen de verdachte:

DENDOE, STEPHANUS MARINUS,

geboren op 29 januari 1955 in het [district] en wonende aan de [adres] te [plaats], voorheen militair van beroep in de rang van majoor, niet in detentie verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn advocaat I.D. Kanhai, B.Sc.

Ontvankelijkheid appèl
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke door de griffier van de Krijgsraad aan het Hof zijn overgelegd, is gebleken, dat de verdediging op 02 december 2019, en de vervolging op 09 december 2019, op de voorgeschreven wijze appèl hebben aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Krijgsraad.
Gelet op het vorenstaande hebben zowel de verdediging, als ook de vervolging tijdig appèl aangetekend tegen het voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding
Tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn geen preliminaire verweren gevoerd die strekken tot nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie
Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus worden voortgezet.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde in artikel 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Ingevolge het systeem van de wet is het Hof bij het onderzoek ter terechtzitting gebonden aan de tenlastelegging zoals die door het Openbaar Ministerie is opgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting is daarmee begrensd.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar alsmede van hetgeen door de verdachte en diens advocaat naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Krijgsraad in eerste aanleg gewezen en uitgesproken op 29 november 2019, waarbij de verdachte ter zake medeplegen van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, onder aanvulling van de door haar aangehaalde bewijsmiddelen, de verdachte voor hetgeen hem ten laste is gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren en zijn gevangenneming zal gelasten.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Krijgsraad de dato 29 november 2019, is de verdachte – verkort weergegeven – veroordeeld ter zake medeplegen van moord, tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.
In het navolgende zal het Hof verder ingaan op het over en weer aangevoerde ten aanzien van het beroepen vonnis.

De tenlastelegging:
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat hij als militair in de rang van sergeant majoor, in werkelijke dienst bij het Nationaal Leger en ingedeeld bij stafcompagnie van het Nationaal Leger, in ieder geval als militair in de zin van art. 38 of art. 39 van het Wetboek van Militair Strafrecht:
A. Op of omstreeks 07 en/of 08 december en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DESIRÉ DELANO en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, in ieder geval alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad de hierna te noemen perso(o)n(en) van het leven heeft beroofd, namelijk BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden;

Althans, indien en voor zover het onder A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO, althans alleen, opzettelijk middels misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging met geweld en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, heeft uitgelokt tot het plegen van na te melden misdrijf,
hebbende laatstgenoemde perso(o)n(en) [RITFELD, EDGAR en/of (een) ander(en)] tezamen en in vereniging, althans alleen, op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;
opzettelijk en met voorbedachte raad de perso(o)n(en) van BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ van het leven beroofd door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRAJD en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden, hebbende hij verdachte immers op vorenvermelde tijd en plaats tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO althans alleen, genoemde RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, opzettelijk dreigend opgedragen (bevolen) (gesommeerd) tot het plegen van voren omschreven handeling(en) en/of hem (hen) daarvoor en/of daarbij opzettelijk dreigend te kennen gegeven dat hij (zij) het zou(den) ontgelden, althans het ergste zou(den) moeten vrezen, indien hij (zij) voormelde opdracht(en) niet zou(den) uitvoeren, in ieder geval woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of betekenis en aldus tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, opzettelijk die RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n uitgelokt tot het plegen van vorenvermeld misdrijf.

Althans, indien en voor zover het onder A en B gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

C. Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname opzettelijk BOUTERSE, DESIRÉ DELANO en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO, en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n behulpzaam is geweest bij en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) heeft verschaft tot het plegen van na te melden misdrijf, te weten;Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, heeft BOUTERSE, DELANO DESIRÉ tezamen en in vereniging met (onder meer) BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, in ieder geval alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad de hierna te noemen perso(o)n(en) van het leven heeft beroofd, namelijk BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ, door toen aldaar tezamen en in vereniging al voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRAJD en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden,
hebbende hij verdachte, daartoe op vermelde tijd en plaats tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen opzettelijk één of meer van laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) opgehaald en/of daarbij (daarna) bij die woning(en) casu quo verblijfplaats(en) één of meer militairen (personen) doen postvatten, althans doen wachthouden en/of opzettelijk de telefoonkabel(s) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) doorgeknipt (doorgesneden), althans opzettelijk de telefoonverbinding onklaar gemaakt en/of opzettelijk dreigend de huisgeno(o)t(en) van voornoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) medegedeeld (voorgehouden) zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) niet (meer) te verlaten, althans dat voornoemde huisgeno(o)t(en) zich diende(n) op te houden in een bepaalde ruimte in bedoelde woning(en) casu quo verblijfplaats(en) en/of (vervolgens) opzettelijk laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia en aldus opzettelijk BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n behulpzaam geweest bij en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of een inlichting(en) verschaft tot het plegen van voormeld misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De verweren
Door de verdachte is – verkort en zakelijk weergegeven – verklaard, dat hij het niet eens is met het vonnis van de Krijgsraad, omdat er geen sprake was van voorbedachte raad,want de voorbedachte raad is op niets gebaseerd en alles dat tegen hem is verklaard berust niet op de waarheid.
Voorts heeft hij verklaard dat de Krijgsraad heeft nagelaten gebruik te maken van ontlastende verklaringen van de getuigen Mohammedsaid, Henk; Vrede, Evert; Moeslikan, Soepardie en Dijksteel, Iwan.

De advocaat heeft bepleit – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de verdachte van de algehele tenlastelegging vrijgesproken dient te worden op grond van het navolgende:
1. de verdachte heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan het strafbaar feit moord met voorbedachte raad en tezamen en in vereniging, omdat hij niet aanwezig was en geen deelgenoot was bij de december gebeurtenissen van 08 december 1982;
2. de verdachte wist niets af over de plannen met betrekking tot het ophalen van de mensen. Evenmin is hij erbij gehaald in een vergadering in verband met 07, 08 en 09 december 1982;
3. hij was op geen enkele vergadering van de groep van zestien aanwezig;
4. de voorbedachte raad en het tezamen en in vereniging doen plegen van het omschreven strafbaar feit, zoals de vervolgingsambtenaar dat omschrijft, zijn nimmer bewezen;
5. het medeplegen en de voorbedachte raad moeten betrekking hebben op het strafbaar feit en niet op het ophalen, welke immers twee aparte handelingen betreffen;
6. de vervolgingsambtenaar maakt geen onderscheid tussen het ophalen en de gebeurtenissen;
7. het ophalen was legitiem;
8. de alibi’s van de verdachte, [naam 1] en [naam 2] (zussen van de verdachte), hebben verklaard, dat de verdachte bij zijn biologische vader te Koesoewe in het Cottica gebied was toen de mensen dood zijn gegaan;
9. de getuige Monsels, Samuel, heeft op de terechtzitting van de Krijgsraad, de dato 30 oktober 2009, het volgende verklaard: “Ik kan mij niet herinneren of deze verdachte bij de schietoefening aanwezig was.”;
10. de verklaringen van de getuige [naam 3] (weduwe van Baboeram) en Monsels, over de wijze waarop Baboeram is opgehaald, zijn tegenstrijdig. Monsels heeft verklaard dat de verdachte Dendoe, Baboeram uit zijn kamer is gaan halen en dat hij in de woonkamer is gebleven. De getuige [naam 3] heeft verklaard: “John haastte zich daarop, alleen gekleed in een lange broek met ontbloot bovenlijf, om de schuifdeur van het balkon open te doen. Ik liep achter hem aan. Toen de deur een beetje open was, werd hij meteen naar buiten getrokken”.
Volgens deze verklaring is noch Monsels, noch de verdachte in haar woning geweest en wie kan dat beter weten dan deze getuige. Monsels heeft een leugenachtig verhaal opgemaakt niet wetende wat de getuige [naam 3] had verklaard;
11. de bedoeling om het reisdocument van de verdachte te laten zien, was om hetgeen is gezegd, dat de groep van zestien overal samen was en als groep besluiten nam, te ontkrachten. Het is helemaal niet waar dat de groep van zestien telkens bij elkaar was of afstemde of als groep collectief besluiten nam;
12. de verdachte benadrukt dat hij de getuige Monsels niet persoonlijk kende. Hij werd in het laatste kwartaal van 1980 uitgeleend aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, terwijl Monsels in november 1981 in dienst trad van het Nationaal Leger. De verdachte ging pas begin 1983 terug naar de Memre Boekoe Kazerne. De verklaringen van Monsels zijn absoluut niet waar. De verdachte is niemand met Monsels gaan ophalen. Hij was in die periode niet eens in het Fort Zeelandia;
13. de getuige Monsels heeft verklaard, dat Dendoe en hij op elkaar leken. De getuige Flohr kende Monsels niet en heeft Monsels voor de verdachte aangezien bij het vuurpeloton;
14. het is helemaal niet waar dat de hele groep van zestien zich in het kabinet van Bouterse bevond. De getuige Flohr vergist zich en heeft een verklaring afgelegd die niet op waarheid berust met betrekking tot de aanwezigheid van de verdachte in het Fort Zeelandia. Flohr heeft bij proces-verbaal, de dato 12 december 2002, afgenomen door Ristie, Tjark, Eugene, eerste luitenant der Militaire Politie, verklaard: “Ik begaf mij in het kabinet van Bouterse. Op dat moment bevonden zich de volgende militairen in deze kantoorruimte, te weten: Bouterse, Horb, Bhagwandas, Rozendaal, Dendoe, Geffery, Zeeuw, Sital, Hardjoprajitno. Om kort te zijn, de hele groep van zestien bevond zich in de ruimte met uitzondering van Brondenstein en Tolud.”
Bij proces-verbaal, de dato 15 december 2002, afgenomen door de Rechter-Commissaris, moest Flohr terugkomen op zijn verklaring dat hij zich vergist had en heeft hij verklaard: “De persoon van Zeeuw heb ik die morgen niet in de kamer gezien.”
Flohr heeft aangenomen dat de hele groep van zestien zich daar bevond en noemde slechts acht namen van leden van de groep van zestien. Hawker was sedert maart 1982 overleden. De verdachte was niet daar en Sital was geen lid van de groep van zestien, maar van het militair gezag. Zo is te zien hoe men omging met het gezegde “de groep van zestien” of “de hele groep van zestien”.
Flohr heeft overal waar hij maar kon de naam van de verdachte genoemd om zo geloofwaardig over te komen. Hij heeft dit gedaan om de dood van zijn commandant, vriend en partner Horb, op de verdachte en anderen van de groep van zestien te wreken, omdat hij gelooft dat Horb door toedoen van de groep van zestien dood is gegaan;
15. in het vonnis van de Krijgsraad, de dato 29 november 2019, is op pagina 31 onder punt 11, met als titel: “De strafbaarheid van de verdachte”, geoordeeld, dat de verdachte aanwezig was bij hun voorgeleiding.
De getuige Flohr heeft bij voormeld proces-verbaal, de dato 12 december 2002, afgenomen door Ristie, Tjark, Eugene, eerste luitenant der Militaire Politie, niet verklaard dat de gearresteerde personen in de kantoorruimte van Bouterse waren;
16. bij het formuleren van het vonnis van de Krijgsraad is het proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad, de dato 23 januari 2009, gebezigd, waar de getuige Flohr heeft verklaard: ”Op die bewuste dag gaf Rozendaal mij door dat ik mij moest melden bij Bhagwandas. Bhagwandas verwees mij door naar de zolder. Bouterse was op zijn kabinet. Op dat moment waren er leden van de groep van zestien in die ruimte. De namen waren: Bouterse, Horb, Bhagwandas, Rozendaal, Dendoe, Geffery, Zeeuw, Sital, Hardjoprajitno. Die negen mensen waren in die ruimte.”
Wat is nou waar? De getuige Flohr heeft bij dit proces-verbaal, weer de naam van Zeeuw genoemd. Zijn verklaringen komen niet overeen;
17. in het requisitoir van het OM, de dato 31 januari 2023, is opgenomen dat het groepslid, Rozendaal, Ruben bij de gerechtelijke plaatsopneming, de dato 15 november 2010, heeft verklaard: “Ik kwam om half 6 aan in het Fort. Ik zag Dendoe, Horb en lijken.”
Dit is niet waar. Rozendaal heeft zich op een gegeven moment om onbekende redenen gekeerd tegen de groep van zestien. Hij wist niet waar de verdachte in die periode was;
18. als aan de getuigen expliciet naar de aanwezigheid van de verdachte werd gevraagd, gingen sommigen van het gezegde uit, dat de groep van zestien daar was. Dus nam men aan dat de verdachte automatisch ook daar aanwezig moet zijn geweest. Dat is het geval met de getuige Dijksteel en anderen aan wie expliciet is gevraagd naar de aanwezigheid van de verdachte op 08 december 1982 in het Fort Zeelandia. Er kan gevoeglijk worden aangenomen dat de getuige Dijksteel zeer inconsistent is met zijn verklaring over de aanwezigheid van de verdachte op 08 december 1982 in het Fort Zeelandia. Hawker, lid van de groep van zestien, was in maart 1982 overleden. Het is dus nooit waar geweest dat de hele groep van zestien op 07, 08 en 09 december 1982 in het Fort Zeelandia was.
19. de getuige Dijksteel heeft bevestigend geantwoord op de vraag van het Hof of de verdachte aanwezig was in het Fort Zeelandia, om meineed te voorkomen;
20. zowel de getuigen Mohammedsaid, Henk als ook Vrede, Evert, hebben verklaard dat de verdachte niet in het Fort Zeelandia was. Vrede was soldaat van de dag en kon zich vrijelijk bewegen in het Fort Zeelandia. Hij moest in de gaten houden en rapporteren aan zijn directe commandant wie in en uit het Fort Zeelandia ging. Hij heeft dus van begin tot eind alles met betrekking tot 07, 08 en 09 december 1982 meegemaakt;
21. de getuige Moeslikan, Soepardie heeft bij proces-verbaal, de dato 14 mei 2002, afgenomen door de Rechter-Commissaris in Nederland, verklaard: “Vrijwel de hele groep van zestien heeft zich op die dag ook in het Fort Zeelandia bevonden. Ten aanzien van de persoon van Dendoe wil ik een voorbehoud maken, omdat ik meen te weten dat hij in Cuba was.”
Moeslikan dacht dat de verdachte nog in Cuba was, omdat hij geen contact met het leger noch met de groep van zestien had gemaakt toen hij uit Cuba naar Suriname was teruggekeerd. De verdachte is met goedkeuring van de medeverdachte Bouterse direct zijn vader gaan opzoeken in het binnenland. Moeslikan kwam frequent in de kantoorruimte van Bouterse om post en koffie te brengen. Als de verdachte zich daar ophield, zou Moeslikan de verdachte daar hebben gezien en gewoon verklaren dat hij in het Fort Zeelandia was;
22. de getuige Jankipersadsingh, Birendresingh nam vanwege het gezegde, “de groep van zestien”, aan, dat als een paar leden van de groep van zestien ergens waren gesignaleerd, dat de hele groep van zestien automatisch daar aanwezig was en moest de verdachte dus automatisch ook daar aanwezig zijn. Op de gerechtelijke plaatsopneming van het Hof, de dato 29 november 2022, is Jankipersadsingh teruggekomen op zijn verklaring en heeft met zoveel woorden verklaard dat de verdachte niet in het Fort Zeelandia aanwezig was in de periode 07, 08 en 09 december 1982;
23. De verklaringen over de opdracht aan Monsels en Rozendaal om mensen op te halen verschillen hemelsbreed van mekaar. De getuige Rozendaal heeft bij proces-verbaal, de dato 11 december 2000, afgenomen door de Rechter-Commissaris, verklaard: “De grote groep werd toen onderverdeeld in kleinere groepen en werd ik aangewezen als leider van de groep van zeven tot acht militairen. De namen van mensen uit de groep die ik mij nog kan herinneren zijn Mahadew en Esajas. Ik kreeg de namen en adressen op een stuk papier van Bhagwandas overhandigd.” Monsels heeft verklaard dat hij met de verdachte, nog een soldaat en een burger, dogla type, een man van Hindoestaanse afkomst heeft opgehaald. Dus de heer Baboeram is door drie mannen opgehaald. Monsels heeft ook verklaard dat de instructie aan de groep van Dendoe om Baboeram op te halen rechtstreeks aan de groep van drie personen door Bhagwandas gegeven was. Waarom zou volgens verklaring van Rozendaal, de commandant Bhagwandas groepen van acht militairen samenstellen, waarbij in de groep van Rozendaal drie leden van de groep van zestien waren, die nog bij het operationele van het leger waren en Dendoe, die niet meer bij het Nationaal Leger was ingedeeld, maar naar het Ministerie van Buitenlandse zaken was overgeplaatst en frequent in het buitenland vertoefde, plotseling met Monsels en een soldaat een gelijke opdracht geven met veel minder militairen zonder eens een lid van de groep van zestien aan toe te voegen. Zoals Bhagwandas bekend was, zou hij niet plotseling afwijken om Dendoe de opdracht, net als bij Rozendaal, op een blaadje te geven, in plaats van in het openbaar bekend te maken wat de opdracht was en had hij zeker ook één of twee leden van de groep van zestien aan de groep Dendoe toegevoegd;
24. het is niet juist wat de vervolging in haar repliek op pagina 7 aangeeft, dat: “Uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, alsook in appèl zijn diverse verklaringen van getuigen, die door verschillende instanties zijn gehoord, waaronder de militaire politie en de RC, waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ophalen van de slachtoffers is komen vast te staan.”
Er is maar één getuige die verklaard heeft dat hij met Dendoe en een soldaat de heer Baboeram is gaan ophalen, namelijk Monsels en niet diverse getuigen en die verklaring komt niet overeen met de verklaring van mevrouw Baboeram;
25. er zijn diverse verklaringen van getuigen, die door verschillende instanties zijn gehoord, die verklaard hebben dat de verdachte niet in het Fort Zeelandia was op 07, 08 en 09 december 1982, te weten Mohammedsaid, Vrede, Moeslikan en Jankipersadsingh.

Hetgeen de advocaat hiervoren in de punten 01 tot en met 25 heeft aangevoerd vat het Hof samen als te zijn een beroep op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet, medeplegen van het ten laste gelegde strafbaar feit door de verdachte omdat hij gedurende de periode 07, 08 en 09 december 1982 niet ter plekke zou zijn geweest.

De vervolgingsambtenaar is ingegaan op de door verdachte en diens raadsman aangevoerde verweren en is – kort gezegd – tot de conclusie gekomen dat de verweren niet slagen.

Het Hof zal hierna op deze verweren nader ingaan
Vooropgesteld dient te worden dat het aan de rechter, die over de feiten moet oordelen, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, uit het voorhanden zijnde materiaal te selecteren hetgeen hem, ook uit een oogpunt van betrouwbaarheid, voor het bewijs dienstig voorkomt.
Die selectie behoeft geen andere motivering dan besloten ligt in de weergave van de gebezigde bewijsmiddelen.

Met betrekking tot het verweer dat, door de Krijgsraad de ontlastende verklaringen afgelegd door de getuigen à decharge [getuige 1]; [getuige 2]; Mohammedsaid, Henk; Vrede, Evert en Moeslikan, Soepardie niet voor het bewijs zijn gebezigd
Het Hof is van oordeel dat, dit verweer niet opgaat.
De getuigen [naam 1] en [naam 2] hebben ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato 23 juli 2010, afzonderlijk verklaard dat de verdachte Dendoe in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, bij zijn vader in het Cottica gebied in het district Marowijne was.
De getuige Vrede heeft bij proces-verbaal de dato 11 juni 2001, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat de verdachte Dendoe zich, in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, in het buitenland bevond.
De getuige Moeslikan heeft bij proces-verbaal de dato 14 mei 2002, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat hij meende te weten dat de verdachte zich, in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, in Cuba bevond.
De getuige Mohamedsaid heeft ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato, 20 februari 2009, verklaard, dat hij zich niet kon herinneren dat de verdachte in de periode van 07, 08 en 09 december 1982 in het Fort Zeelandia was. Ter terechtzitting van het Hof van Justitie, de dato 17 augustus 2022, heeft hij verklaard dat de verdachte hem had opgebeld en hem te kennen heeft gegeven, dat hij kan worden gedagvaard om als getuige gehoord te worden. Bij die gelegenheid heeft hij voorts verklaard dat hij de verdachte niet in het Fort Zeelandia heeft gezien in de periode van 07, 08 en 09 december 1982.
De verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het strafbaar feit en heeft evenals de getuigen [naam 1] en [naam 2] bij proces-verbaal verklaard, dat hij zich in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, bij zijn vader in het Cottica gebied bevond.
Daarentegen hebben de getuigen à charge, Rozendaal, Ruben; Flohr, Onno; Monsels, Samuel; Dijksteel, Iwan en Jankipersadsingh, Birendresingh bij proces-verbaal onder ede verklaard, dat de verdachte wel in het Fort Zeelandia was op 07, 08 en 09 december 1982.
De getuige Rozendaal was lid van de groep van zestien en heeft bij proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato, 23 maart 2012, verklaard dat hij de verdachte Dendoe en Horb heeft gezien toen hij op 08 december 1982 (het Hof begrijpt: kennelijk 09 december 1982 in plaats van 08 december 1982), ‘s morgens om 05.30 uur in het Fort Zeelandia aankwam nadat hij de gebouwen had platgeschoten. Voorts heeft getuige Rozendaal verklaard dat de verdachte Dendoe ook aanwezig was bij de schietoefeningen.
De getuige Flohr, heeft bij proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato, 23 januari 2009, verklaard dat, hij de verdachte Dendoe op 08 december 1982, tezamen met andere leden van de groep van zestien en leden van de regering in het kabinet van Bouterse heeft gezien op het moment dat zij in vergadering met elkaar waren.
Daarnaast heeft de getuige Flohr zowel bij eerder vermeld proces-verbaal alsook bij het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming van de Krijgsraad de dato, 23 maart 2012, verklaard dat de verdachte Dendoe achter het vuurpeloton stond toen hij, Flohr, daaraan had deelgenomen.
De getuige Dijksteel heeft ter terechtzitting van het Hof van Justitie, de dato 17 augustus 2022, verklaard dat hij de verdachte Dendoe wel op enig moment in het Fort Zeelandia heeft gezien in de periode 07, 08 en 09 december 1982.
De getuige Jankipersadsingh heeft bij proces-verbaal de dato 07 mei 2002, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat de leden van de groep van zestien heel goed bij hem bekend waren. Hij heeft daarbij nadrukkelijk verklaard dat alle leden van de groep van zestien zich op 08 december 1982 in het Fort Zeelandia bevonden en dat hij de verdachte Dendoe heel goed kent en zich absoluut niet kan vergissen in hem.
De getuige Monsels, heeft bij proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato 30 oktober 2009, verklaard dat, hij tezamen met de verdachte Dendoe en een soldaat de persoon van Baboeram is gaan ophalen, waarbij de verdachte Dendoe, Baboeram uit zijn huis heeft gehaald.
De getuige [naam 4] (echtgenote van het slachtoffer Oemrawsingh en zus van de getuige [naam 3]) heeft bij proces-verbaal, de dato 15 mei 2002, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris in Nederland verklaard, dat drie militairen haar man in opdracht van hogerhand waren komen halen. Zij waren in een militaire jeep gekomen en waren gewapend met Uzi’s. Nadat de militair, die de wacht op het terras hield, bij daglicht werd opgehaald, is zij naar de woning van Baboeram gegaan. Daar zag zij dat het huis overhoop lag en zag zij kogelinslagen buiten aan de zijkant van de woning.
In het verlengde van deze verklaring concludeert het Hof dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen Monsels en [naam 3], dat Baboeram door 3 militairen is opgehaald, te weten de verdachte Dendoe, Monsels en een soldaat en dat de verdachte Dendoe, Baboeram uit zijn huis heeft gehaald.

Het Hof overweegt naar aanleiding van het door de verdediging gestelde dat de verdachte niet op de plaats delict was als volgt:
1. Uit de bewijsmiddelen is naar voren gekomen dat in het kader van de uitvoering van het strafbaar feit, de slachtoffers door leden van de groep van zestien met wie Bouterse een vertrouwensband had – met ondersteuning van daartoe aangewezen militairen – zijn opgehaald en geëxecuteerd. Uit het onderzoek is voorts genoegzaam gebleken dat de groep van zestien erbij werd gehaald wanneer er zich bepaalde zaken voordeden.
2. Dat de getuige Jankipersadsingh bij de gerechtelijke plaatsopneming in appèl heeft verklaard, dat hij de verdachte Dendoe op die bewuste dagen niet in het Fort Zeelandia heeft gezien, komt ongeloofwaardig over bij het Hof. Hetgeen de getuige, ongeveer 20 jaren eerder in eerste instantie heeft verklaard komt bij het Hof plausibeler over, daar dat moment aanzienlijk dichterbij lag bij het gebeuren in december 1982 dan bij de naderhand ter gelegenheid van de gerechtelijke plaatsopneming afgelegde verklaring in 2022.
3. Hetgeen de getuigen Moeslikan en Vrede hebben verklaard, erop neerkomende dat verdachte Dendoe in de periode 07, 08 en 09 december 1982 niet in het land was staat haaks op de bewering van verdachte Dendoe zelf die heeft aangegeven wel in het land te zijn geweest. Die verklaringen van Moeslikan en Vrede worden derhalve niet geloofwaardig geacht door het Hof.
4. Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen à décharge [naam 1] en [naam 2] acht het Hof deze eveneens niet geloofwaardig gelet op de duidelijke en consistente verklaringen van 5 getuigen te weten Rozendaal, Ruben; Flohr, Onno; Monsels, Samuel; Dijksteel, Iwan en de eerdere verklaringen van Jankipersadsingh, Birendresingh dat de verdachte wel in het Fort Zeelandia was op 07, 08 en 09 december 1982.
Overigens zijn de getuigen à décharge [naam 1] en [naam 2] zussen van de verdachte Dendoe waardoor het Hof in het kader van de geloofwaardigheid van die verklaringen met gepaste behoedzaamheid daarmee zal omgaan.
In dat kader heeft het Hof deze getuigenverklaringen in perspectief geplaatst tegenover de verklaringen van bovengenoemde ooggetuigen en helt de balans qua geloofwaardigheid in de visie van het Hof in de richting van de ooggetuigen.
5. Vijf verschillende getuigen hebben verklaard dat de verdachte in het Fort Zeelandia aanwezig was in de periode 07, 08 en 09 december 1982 en wat zijn bijdrage is geweest vóór, tijdens en na het plegen van het strafbaar feit. Het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, is naar het oordeel van het Hof niet aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, maar op basis van de verklaringen van meerdere getuigen, die in onderling verband en in onderlinge samenhang met elkaar zijn beschouwd.
Wanneer de ontkennende verklaring van de verdachte wordt afgezet tegenover de in het vonnis van de Krijgsraad aangehaalde bewijsmiddelen aangevuld met de in dit appèl aangehaalde bewijsmiddelen, met name de verklaringen van de verschillende getuigen, in het bijzonder de getuigen Rozendaal, Ruben; Flohr, Onno; Monsels, Samuel; Dijksteel, Iwan; Jankipersadsingh, Birendresingh; [naam 3] en [naam 4], kan de ontkennende verklaring van de verdachte worden opgevat als een kennelijk leugenachtige verklaring met de bedoeling om de waarheid te bemantelen.

Uit bovengenoemde punten is onomstotelijk komen vast te staan dat het de verdachte Dendoe is geweest die Baboeram tezamen met 2 andere militairen heeft opgehaald, hem naar het Fort Zeelandia heeft gebracht, in vergadering met medeverdachte Bouterse en anderen in het kabinet van medeverdachte Bouterse aanwezig was en achter het vuurpeloton heeft gestaan toen enkele slachtoffers werden geëxecuteerd.
Overigens acht het Hof het niet aannemelijk dat de verdachte toestemming van medeverdachte Bouterse zou hebben gehad om zich in deze periode naar het district Marowijne te begeven. Immers stond het machtsbehoud van de militairen op het spel.
Het Hof komt derhalve tot het oordeel dat het verweer betreffende de alibi van de verdachte faalt en zal het Hof daaraan voorbijgaan.

Ten aanzien van het verweer betreffende de deelnemingsvorm medeplegen
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake was van medeplegen, omdat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het Hof kan zich verenigen met de zienswijze van de Krijgsraad. Immers dient de vraag te worden beantwoord of de bewezenverklaarde intellectuele of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
Bij de vorming van het oordeel dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte, uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger zal niet alleen worden geleverd tijdens het begaan van het strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar ook in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbaar feit. Daarbij is de lijfelijke aanwezigheid niet noodzakelijk voor de kwalificatie van medeplegen van het ten laste gelegde delict.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is reeds genoegzaam gebleken dat de verdachte tezamen met onder meer Bouterse, Desiré; Bhagwandas, Paul; Horb, Roy; Gorré, Arthy; Gefferie, Ernst; Esajas, Roy; Nelom, John; Zeeuw, Marcel; Brondenstein, Benny; Rozendaal, Ruben; Mahadew, Guno; Leefland, Ewoud; Tolud, Roy; Dijksteel, Iwan; Lewis, Lucien, Flohr, Onno; Monsels, Samuel en Kempes, Kenneth, betrokken was bij de uitvoering van het plan om de mensen op te halen die tegen het militair regiem waren en hen van het leven te beroven.
Ook het plan over het ophalen was onderdeel van het draaiboek. De verdachte heeft steeds ontkend betrokken te zijn geweest bij het strafbaar feit, doch is naar het oordeel van het Hof uit getuigenverklaringen het tegendeel komen vast te staan.
De verdachte heeft zowel bij de voorbereiding als ook bij de uitvoering van het strafbaar feit een belangrijke rol vervuld. Bij de voorbereiding van het strafbaar feit heeft hij een rol vervuld bij het ophalen van het slachtoffer Baboeram en was hij daarna tezamen met anderen aanwezig tijdens een vergadering in het kabinet van medeverdachte Bouterse en bij de uitvoering van het strafbaar feit was hij aanwezig bij de executie van enkele slachtoffers.

Het Hof komt op grond van de hiervoren aangehaalde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de bewezenverklaarde bijdrage van de verdachte aan het delict van zwaarwegend gewicht is geweest, zodat hier sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

De vraag die vervolgens gesteld moet worden is of de verdachte wist dat er meerdere mensen werden opgehaald met de bedoeling hen van het leven te beroven.
Ten aanzien daarvan overweegt het Hof als volgt:
1. De getuige [naam 3] (weduwe van het slachtoffer Baboeram), heeft ten aanzien van een door een soldaat, die in de woning van Baboeram was achtergebleven, gemaakte opmerking bij proces-verbaal de dato 20 december 2001, afgenomen door agent van politie Vermeer, L. het navolgende verklaard:
“jouw man had president van het land willen worden. We pakken ze allemaal. Misschien is hij met de anderen nu al in de hemel of in de hel”,
2. De getuige [naam 5] (weduwe van het slachtoffer Kamperveen) heeft bij proces-verbaal de dato 14 mei 2002 ten overstaan van de brigadier-rechercheur van politie, Bol, Patrick, onder andere, verklaard: “Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden” en
3. De getuige Derby, Frederik heeft bij proces-verbaal de dato 28 oktober 2000 afgelegd ten overstaan van inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving, onder andere verklaard: “Hoost vroeg op een gegeven moment naar water en kreeg van de militairen op het balkon te horen dat zij geen water geven aan mensen die zij straks dood gaan schieten, dat is vermorsen van het water”.

Het Hof stelt vast dat als ondergeschikte militairen, die lager in rang waren, wisten dat er meerdere mensen werden opgehaald met de bedoeling hen van het leven te beroven, de verdachte Dendoe als lid van de groep van zestien en tevens deel uitmakende van de groep militairen die Baboeram ging ophalen, dat ook moet hebben geweten. Derhalve concludeert het Hof dat de groepen, die werden samengesteld om de personen op te halen, op de hoogte waren van het feit dat deze mensen van hun leven zouden worden beroofd en dus ook de verdachte Dendoe, die de leiding had van de groep die het slachtoffer Baboeram heeft opgehaald, dit zou moeten hebben geweten.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van opzet
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake moet zijn geweest van voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden.

Het Hof kan zich niet verenigen met deze zienswijze van de Krijgsraad en dient de vraag te worden beantwoord of de gedraging de bedoeling had dat een bepaald gevolg zal intreden.
Er is sprake van opzet als oogmerk indien de verdachte willens en wetens een handeling heeft verricht en het effect of gevolg daarvan ook heeft beoogd.
Niet ter discussie staat dat verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen de slachtoffers van het leven heeft beroofd. Dit volgt naar het oordeel van het Hof reeds uit de wijze waarop het eraan is toegegaan. Hiervoor is reeds vermeld op welke wijze verdachte te werk is gegaan, waarbij hij tezamen met anderen is overgegaan tot uitvoering van het plan (draaiboek).
Naar het oordeel van het Hof zijn dergelijke gedragingen naar hun aard gericht op het om het leven brengen van de slachtoffers. Uit getuigenverklaringen is komen vast te staan dat de verdachte zowel bij de voorbereiding en uitvoering van het strafbaar feit betrokken is geweest. Door een rol te hebben vervuld bij het ophalen van het slachtoffer Baboeram, daarna tezamen met anderen aanwezig te zijn geweest in het kabinet van medeverdachte Bouterse en vervolgens bij de executie van enkele slachtoffers, heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof voldoende blijk gegeven dat hij willens en wetens deze handelingen heeft verricht en het gevolg daarvan ook heeft beoogd.
Hij heeft zich nimmer gedistantieerd van de hiervoren vermelde handelingen. De verdachte had als lid van de groep van zestien immers alle baat bij om te participeren aan de actie van het militair gezag, zodat zij aan de macht kon blijven.
Hier is derhalve in de visie van het Hof geen sprake van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet doch van opzet als oogmerk. Het van het leven beroven van de slachtoffers door verdachte tezamen en in vereniging met anderen is willens en wetens gebeurd. Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt verworpen en wordt het beroepen vonnis in zoverre ambtshalve verbeterd.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van de voorbedachte raad
Door de verdachte is ter terechtzitting aangegeven dat hij zich, op het moment van het strafbaar feit, bij zijn vader in het binnenland bevond, waardoor er geen sprake geweest kan zijn van voorbedachte raad om de opgehaalde personen dood te schieten.

Uit de bewoordingen van de verdachte begrijpt het Hof, dat hij zich erop beroept dat er geen sprake was van voorbedachte raad om de opgehaalde personen te doden, omdat hij naar zijn zeggen niet in het Fort Zeelandia was in die periode, maar bij zijn vader in het Cottica gebied in het district Marowijne. Het Hof begrijpt dat de verdachte hiermee wenst aan te geven dat hij niet in het Cottica gebied zou zijn als er plannen waren de opgehaalde mensen van het leven te beroven.

Het Hof heeft hiervoor al overwogen en vastgesteld dat het alibi van de verdachte Dendoe niet is komen vast te staan. Met voorgaande vaststelling is het daartoe strekkend verweer reeds verworpen.
Voorts is het Hof van oordeel dat van voorbedachte raad sprake is wanneer de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.
Het gaat dus niet om daadwerkelijk nadenken of zich rekenschap geven, maar om de tijd en gelegenheid daartoe. Dat tijdsverloop hoeft helemaal niet lang te zijn en mag zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen, zeker als die enige tijd in beslag nemen.
Het Hof neemt in dit kader de volgende feiten en omstandigheden, die uit de bewijsmiddelen zijn voortgekomen, in aanmerking te weten:
1. Het toenmalig militair gezag heeft zorgvuldig een draaiboek opgesteld met de bedoeling om een operatie uit te voeren. Het plan (draaiboek) dat is gemaakt had de bedoeling om het tij te keren;
2. In het kader van het draaiboek zijn er lijsten opgemaakt van personen die opgehaald en overgebracht zouden worden naar het Fort Zeelandia;
3. Ter uitvoering van genoemd draaiboek zijn in de ochtend van 07 december 1982 door daartoe geselecteerde militairen (voornamelijk bestaande uit leden van de groep van zestien),
geselecteerde militairen van de Echo Compagnie, lijfwachten en mensen van de inlichtingendiensten schietoefeningen gehouden;
4. De groep personen die de schietoefeningen hadden gehouden verzamelden zich in de vooravond van 07 december 1982 in het Fort Zeelandia alwaar er groepjes werden samengesteld die instructie kregen wie zij moesten ophalen en op welke manier dat moest plaatsvinden.
Met name diende voorkomen te worden dat de op te halen personen danwel huisgenoten contact zouden maken met anderen. In voorkomende gevallen werden telefoonlijnen doorgesneden en werden er militairen ten huize van de opgehaalde personen achtergelaten ter voorkoming dat de achtergebleven huisgenoten het huis zouden verlaten. Door de daarmee belaste groepjes militairen werden de in de nacht van 07 op 08 december 1982 opgehaalde personen overgebracht naar het Fort Zeelandia;
5. De verdachte was in december 1982 lid van de groep van zestien, die ter uitvoering van het draaiboek, de opdracht kreeg om het slachtoffer Baboeram op te halen;
6. Ook Rambocus, Soerendra Sradhanand en Sheombar, Djiewansingh werden uit de cel van respectievelijk de penitentiaire inrichting te Santo Boma en de Memre Boekoe kazerne, alwaar zij gedetineerd waren, gehaald en overgebracht naar het Fort Zeelandia;
7. Daartoe geïnstrueerde militairen hebben in de avond van 07 op 08 december 1982 het gebouw van de Moederbond opgeblazen en werden de radiostations Radika en ABC alsook het gebouw waarin het dagblad de Vrije Stem was ondergebracht in brand gestoken. Militairen verhinderden dat de brandweer de branden kon blussen;
8. Als afleidingsmanoeuvre hebben daartoe geïnstrueerde militairen die zich bevonden in het Fort Zeelandia gedurende de periode van de avond van 07 december 1982 tot de ochtend van 09 december 1982 op verschillende momenten schoten gelost;
9. Vanaf de vroege ochtend tot laat in de avonds van 08 december overgaand in 09 december 1982 zijn de 16 opgehaalde personen op verschillende momenten door militairen in verschillende groepssamenstellingen, al dan niet alleen, gebracht bij medeverdachte Bouterse, die besliste over het lot van de voorgeleide personen. Kort hierna werden, met uitzondering van Frederik Derby die later op vrije voeten werd gesteld, de latere slachtoffers op verschillende momenten gemarteld casu quo zwaar mishandeld en vervolgens om het leven gebracht. Daartoe werden er ook vuurpelotons samengesteld, die de opdracht kregen de daartoe aangewezen slachtoffers dood te schieten;
10. De verdachte was tezamen met andere leden van de groep van zestien aanwezig in het kantoor van Bouterse tijdens de beraadslaging en vervolgens bij de executie van enkele slachtoffers tijdens een samengesteld vuurpeloton;

Uit de hiervoren weergegeven 10 punten valt af te leiden dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het genomen besluit om de slachtoffers van het leven te beroven. Immers vanaf het ophalen van het slachtoffer Baboeram en het moment waarop de verdachte zich in het kantoor van medeverdachte Bouterse bevond tot op het moment waarop hij bij de executie van enkele slachtoffers aanwezig was, heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Op dat moment waren een aantal slachtoffers nog in leven en lag het naar het oordeel van het Hof in de lijn der verwachting dat deze slachtoffers hetzelfde noodlot te wachten stond. Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt op grond van het voorgaande verworpen.

Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van het Hof onomstotelijk dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachte raad de 15 slachtoffers van het leven heeft beroofd.
Concluderend is het Hof van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde verweren, neerkomende op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet danwel medeplegen falen. Al hetgeen de verdediging dienaangaande heeft aangevoerd wordt derhalve verworpen.

De door het Hof gebruikte aanvullende bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de bewijsmiddelen van het beroepen vonnis alsmede in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.
Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2022, inhoudende de verklaring van de getuige Dijksteel, Iwan Leendert, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Volgens mij heb ik de verdachte DENDOE in die drie dagen wel op enig moment gezien in het Fort Zeelandia. Ik heb daadwerkelijk bevestigd dat de hele groep van zestien aanwezig was en dat het een komen en gaan was van de leden van deze groep. Ik heb de verdachte DENDOE wel even gezien in het Fort Zeelandia, maar ik weet niet meer op welke dag.”

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Krijgsraad van 23 maart 2012, inhoudende de verklaring van de getuige Rozendaal, Ruben, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Bij de Moederbond was ik met Esajas en Dijksteel. Ik heb met een bazooka de Moederbond opgeblazen. Ik ben toen controle gaan uitoefenen op andere plaatsen. Ik probeerde toen Bhagwandas te bereiken en het lukte niet. Ik besloot mij toen terug te trekken. Ik ging naar het Fort. Toen ik daar aankwam, zei een officier aan mij: “ga boven kijken”. Boven aangekomen, zag ik lijken verspreid liggen. Ik weet niet precies om hoeveel lijken het ging. Ik heb Horb en Dendoe gezien. Het was niet helder. Het was schemerig. Het waren 7-8 lijken. Ik heb daarna begrepen dat het om vijftien personen ging. Ik heb tot 5 uur schoten gehoord.”

3. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3], (weduwe het slachtoffer van Baboeram) in wettelijke vorm opgemaakt door agent van politie Vermeer, Letitia Marlene van 20 december 2001, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“In de nacht van 7 op 8 december 1982 was het zover. Omstreeks 02.00 uur werd onze nachtrust ruw verstoord door roepende stemmen op het balkon van onze woning, aan de [straatnaam], [perceelnummer] te [plaats], gepaard gaande met schoten uit een of meer vuurwapens. John, die als eerste wakker werd, zei “ze zijn mij komen halen”. Hiermee bedoelde hij dat hij door militairen was opgehaald. Hij begon zijn kleren aan te trekken. Buiten werd het geroep steeds harder en ongeduldiger. Er werd iets geroepen in de trant van “Baboeram, je moet naar buiten komen. Maak open”. Omdat het een en ander blijkbaar niet snel genoeg ging, werd er weer geschoten. Daarop luidde een luid kermend geblaf van onze hond en ik zei “ze hebben Hira doodgeschoten”. John haastte zich daarop, alleen gekleed in een lange broek en met bloot boven lijf om de schuifdeur van het balkon open te doen. Ik liep achter hem aan. Toen de deur een beetje open was, werd hij meteen naar buiten getrokken. Een gewapende soldaat, wiens naam mij onbekend is, liep het huis binnen en werd er vanaf het balkon geroepen “die vrouw moet binnen blijven”. Ik hoorde John nog zeggen “wacht even dan kleed ik mij verder aan”, maar dat werd hem niet gegund. Hij werd meteen weggevoerd in een gereedstaande auto. Hoeveel mensen er op het balkon hebben gestaan, weet ik niet, omdat ik niets heb kunnen zien. De soldaat die binnen was gekomen, bleef achter. Hij was een vrij jonge man. Hij maakte de telefoon onklaar en gebood mij om aan de keuken tafel te gaan zitten. Hij gebruikte allerlei liederlijke taal zoals “als je niet rustig blijf dan blaas ik het heel huis met baby en al op. Hij hield mij een granaat onder de neus. Hij sprak vrij diep Surinaams, waarbij ik niet alles van begreep. Ik dacht dat hij misschien tot een bosneger stam behoorde en dat hij die taal ook tussendoor sprak, waardoor het niet helemaal voor mij te volgen was. Hij sprak ook Nederlands. Hij zei dat mijn man President van het land had willen worden en zei “we pakken ze allemaal. Misschien is hij nu met de anderen al in de hemel of in de hel”. Toen ik zei dat hij voor wat betreft de ambities van John meer wist dan ik, werd hij boos en sloot mij op in het toilet. Hij was achter gebleven om de wacht te houden. Het was rond 07.00 uur, maar mijn deur was nog op slot. De soldaat kwam naar boven en maakte de deur open. Hij vloekte, omdat hij nog steeds niet was opgehaald, maar kort daarna kwam de militaire auto aan en hij verdween. De telefoon in de slaapkamer bleek nog te werken nadat ik de stekker in het stop contact had gedaan. Ook bleek de hond niet dood te zijn. In het huis waren er aan de achterkant bij de achterdeur kogel inslagen in de muur te zien”.

4. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 4], (weduwe van het slachtoffer Oemrawsingh), onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris in Nederland van 15 mei 2002, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Mij wordt gevraagd wat er precies gebeurde in de vroege ochtend van 08 december 1982. Het was een paar minuten voor 01.30 uur toen drie militairen mijn man kwamen halen. Wij werden verrast. Ik kan mij geen beeld meer voor de geest halen hoe die militairen eruitzagen. Zij waren in tenue. Zij hadden uzi’s bij zich. Zij waren in een militaire jeep gekomen. Ik weet niet meer precies wat zij zeiden. Het kwam neer op: “wij moeten u meenemen”. Zij zeiden dat het een opdracht was van hogerhand. Één militair is achtergebleven. Ik weet nu niet meer zeker of er één of twee waren. De telefoon was afgesneden. De militair hield wacht op het terras. Mijn man is niet hardhandig meegenomen. Er is niet geschoten. Mijn man heeft zich niet verzet. Toen het dag werd, is de militair opgehaald. Ik ging als eerst naar de advocaat van mijn man, die toevallig ook mijn zwager is. Het bleek dat die ook was opgehaald. Mij bleek dat zich daar ergere taferelen hadden voorgedaan. Ik zag dat het huis overhoop lag. Ik zag kogelinslagen buiten aan de zijkant van het huis. Ik meen me te herinneren dat wij op 10 december 1982 in het mortuarium waren. De dag nadat we steeds geruchten hadden gehoord dat ze samen in één gat begraven zouden worden. De lijken lagen niet in kasten, maar op een soort bedden, die naast elkaar met een tussenruimte, in één ruimte stonden. Het was daar een bloedbad. Overal lag bloed op de grond. Over mijn man lag een laken. Ik zag alleen zijn hoofd. Ik zag bij zijn linkerwang een schotwond en aan de rechterkant van zijn hoofd een grote wond.”

5. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 5], (weduwe van het slachtoffer Kamperveen) ter uitvoering van de rogatoire commissie in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, in wettelijke vorm opgemaakt door de brigadier-rechercheur van politie, Bol, Patrick van 14 mei 2002, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden”.

6. Het Proces-verbaal van verhoor van de getuige Derby, Frederik, onder ede afgelegd ten overstaande van de inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving, van 28 oktober 2000, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Hoost vroeg op een gegeven moment naar water en kreeg van de militairen op het balkon te horen dat zij geen water geven aan mensen die zij straks dood gaan schieten, dat is vermorsen van het water”.

Aanvulling en verbetering van de bewezenverklaring door het Hof
Het is het Hof ambtshalve gebleken dat de door de Krijgsraad in eerste aanleg gebezigde bewezenverklaring aanvulling behoeft met de namen van Lewis, Lucien en Monsels, Samuel nu deze namen niet zijn opgenomen als te zijn ook de personen met wie de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft begaan.
Voorts behoeft de door de Krijgsraad in eerste aanleg gebezigde bewezenverklaring verbetering in dier voege dat de namen van de personen, Hardjoprajitno, Johnny; Sital, Badrisein en Graanoogst, Ivan, dienen te worden doorgehaald, aangezien de bewezenverklaring ten aanzien van deze personen niet is komen vast te staan.
Het Hof zal na deze constatering de bewezenverklaring in dier voege ambtshalve aanvullen en verbeteren.

Nadere bewijsoverwegingen
Uit het politioneel dossier, alsmede uit het onderzoek ter terechtzittingen in zowel eerste aanleg als in hoger beroep, blijkt het navolgende. De verdachte was in de periode 07, 08 en 09 december 1982 lid van de groep van zestien.
Voorafgaand aan de gebeurtenissen van 07, 08 en 09 december 1982 was er onrust binnen grote delen van de samenleving. Er waren spanningen in het land waarbij de sfeer grimmig was. Alleen Palu (Progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie) en de RVP (Revolutionaire Volkspartij) mochten politieke activiteiten ontplooien. De partijen die het niet eens waren met het bewind werden verboden bijeenkomsten te houden. Dat werd officieel afgekondigd. Er was geen persvrijheid.
Er waren opstanden van maatschappelijke groeperingen zoals massastakingen van vakbonden die op straat gingen en studenten onrust, waarbij de universiteit en middelbare scholen gesloten werden. Grote delen van de samenleving eisten herstel van de democratische rechtsorde. Voorts werd geëist dat het militair gezag haar belofte moest waarmaken door verkiezingen in oktober 1982 uit te schrijven om zodoende de regeermacht over te dragen aan een burgerregering.
Echter viel dit niet in goede aarde bij het militair gezag. Immers was machtsbehoud voor hen belangrijker dan teruggaan naar de democratische rechtsorde. Naar aanleiding hiervan heeft het militair gezag het plan gemaakt om het tij te keren door voorvechters van de democratie en rechtsstaat, uit te schakelen casu quo te elimineren. Het plan heeft de zegen van de medeverdachte Bouterse gehad. Het plan is in het draaiboek vastgelegd. Het draaiboek is zorgvuldig voorbereid tijdens vergaderingen, die de medeverdachte Bouterse leidde en waarbij een beperkt aantal mensen aanwezig waren, die een strikte geheimhoudingsplicht hadden.
De toenmalige legerleider heeft zelf te kennen gegeven dat het militair gezag niet over één nacht ijs is gegaan om het draaiboek voor te bereiden.
Op 07 december 1982 zijn er schietoefeningen gehouden, waarbij nieuwe wapens (FAL) werden uitgetest op de schietbaan te OP-Savanne achter Zanderij. Daarbij was een groot deel van de groep van zestien aanwezig, waaronder ook deze verdachte.

Als onderdeel van het draaiboek is een lijst met namen gemaakt van de mensen die opgehaald moesten worden. Burgers werden ingezet om de adressen van de mensen aan te wijzen. Enkele personen die opgehaald moesten worden zijn niet aangetroffen.

In de nacht van dinsdag 07 december 1982 en gedurende de daaropvolgende dag, 08 december 1982, zijn zestien mensen in opdracht van de medeverdachte Bouterse opgehaald door groepen bestaande uit de leden van de groep van zestien. De opdracht was dat de mensen opgehaald moest worden en dat moest zo snel mogelijk gebeuren. Het liefst in het holst van de nacht. Daarbij moest iedereen tegelijk worden aangepakt en moest de communicatie met andere comparanten voorkomen worden, zodat zij elkaar niet konden waarschuwen. Dat heeft ook volgens het boekje plaatsgevonden en is het er gewelddadig aan toe gegaan.

Onderdeel van het draaiboek, naast het ophalen van de 16 mensen en de wijze hoe dat moest gebeuren, was ook het in brand steken van diverse mediahuizen en het vakbondsgebouw van “De Moederbond”. Het telecommunicatiebedrijf Telesur werd in die periode door militairen bewaakt. Er mochten geen buitenlandse gesprekken gevoerd worden en telefoongesprekken werden afgetapt.

De mensen zijn naar het Fort Zeelandia overgebracht. Van de 16 mensen werden 11 in de veelbesproken Bermuda driehoek ingesloten, te weten Derby, Riedewald, Hoost, Baboeram, Gonsalves, Kamperveen, Daal, Rambocus, Sheombar, Slagveer en Wijngaarde. Zij waren alleen gekleed in hun ondergoed. Van de lijfwachten van medeverdachte Bouterse, die boven op het balkon stonden, kregen zij op agressieve wijze te horen dat zij niet met elkaar mochten communiceren, niet tegen de muren mochten leunen en ook niet mochten zitten.
Vanuit deze ruimte is medeverdachte Bouterse in de vroege ochtend van 08 december 1982 gezien. Hij zat achter zijn bureau met zijn rug naar de 11 slachtoffers toegekeerd. De overige 5 mensen, te weten Rahman, Behr, Oemrawsingh, Sohansingh en Leckie, waren elders in het Fort Zeelandia ingesloten.

De slachtoffers werden door de dag heen op verschillende momenten in groepjes danwel afzonderlijk gebracht casu quo voorgeleid voor de verdachte Bouterse. Na deze voorgeleiding werden de slachtoffers afgevoerd naar een andere plaats aan de achterzijde van het Fort Zeelandia te weten de Bastion Veere. Aldaar werden zij door ingestelde vuurpelotons doodgeschoten.

Op hetzelfde moment werd ook aan de voorzijde, bij de ingang van het Fort Zeelandia, als afleidingsmanoeuvre geschoten. Aan de manschappen was doorgegeven dat wapens in het Fort Zeelandia zouden worden uitgetest.

Op 08 december 1982, tussen 08.00-12.00 uur, is er een video-opname van de latere slachtoffers Kamperveen, André en Slagveer, Jozef Kamperveen en Slagveer gemaakt, waaruit blijkt dat zij onder druk van het militair gezag een voorgeschreven verklaring hebben moeten voorlezen, dat zij tezamen met het buitenland met coupplannen bezig waren.

Alleen Derby heeft in opdracht van de medeverdachte Bouterse het Fort Zeelandia levend mogen verlaten.

De lijken zijn op 09 december 1982 in groene tenthelften opgerold, ingeladen in de laadbak van een blauw gelakte pick-up en naar het mortuarium vervoerd door militairen. Aan de nabestaanden werd door de militair Ruimveld voorgehouden dat de slachtoffers in een vluchtpoging zijn doodgeschoten. Hij heeft met machtiging van de Procureur-Generaal op 21 december 1982 aangifte van het overlijden van de slachtoffers gedaan, waarbij 09 december 1982, omstreeks 12.00 uur als datum en tijdstip van overlijden is doorgegeven.
Het mortuarium werd zwaar bewaakt door militairen. Nabestaanden mochten slechts met toestemming van de militairen hun familielid identificeren en mochten alleen het gezicht zien. Er mocht geen sectie op de lijken verricht worden. Het personeel van het mortuarium mocht ook niet administreren dat de lijken op die dag binnen zijn gebracht. De militairen hadden het beheer over de sleutels van de koelcellen van het mortuarium. Na de begrafenis werden de begraafplaatsen gedurende twee weken bewaakt door militairen.

Op 10 december 1982 is de medeverdachte Bouterse op de televisie verschenen met een verklaring dat de slachtoffers waren opgepakt, omdat zij bezig waren met een coup en tijdens een vluchtpoging zijn doodgeschoten.

De strafbaarheid van het feit:
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Nadere overwegingen omtrent de strafoplegging
Het Hof kan zich verenigen met de strafmotivering van de Krijgsraad zoals opgenomen in het beroepen vonnis de dato 29 november 2019 en neemt deze over onder aanvulling en verbetering als volgt.

Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor na te melden duur met zich meebrengt. Daarbij is het Hof in het bijzonder uitgegaan van het navolgende:
– De ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum zoals dat gold ten tijde van het plegen van het delict en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
– Het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de geschokte maatschappelijke rechtsorde die daarvan het gevolg is geweest alsmede de vrees en de gevoelens van onveiligheid die dat gedurende vele jaren heeft veroorzaakt bij grote delen van de samenleving;
– De verdachte heeft, naar het oordeel van het Hof, nimmer spijt betuigd over het gebeurde en ook geen enkel teken van berouw getoond naar de nabestaanden toe;
– Het belang van de samenleving bij normhandhaving door berechting enerzijds afgezet tegen het belang van de samenleving om te worden beschermd tegen dergelijk gewelddadig gedrag is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het Hof op zijn plaats;
– Het Hof rekent het de verdachte ook aan dat hij geen openheid van zaken heeft willen geven over het gebeuren.
– Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen deelgenomen aan het van het leven beroven van de slachtoffers, het ergste wat een mens een ander kan aandoen. Verdachte heeft daarmee vele echtgenotes, partners, kinderen en andere naasten leed en verdriet toegebracht. Hun leed is onherstelbaar, hun gemis blijft.
– Een moord is schokkend voor de samenleving.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor een moord, zal de rechter meestal denken aan een tijdelijke langdurige gevangenisstraf.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor meerdere moorden, zal de rechter ook overwegen of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf nodig is. Verdachte wordt nu veroordeeld voor het medeplegen van meerdere ernstige levensdelicten.
Voor het Hof is het belangrijkste doel bij het opleggen van een straf in deze zaak de vergelding voor wat verdachte anderen heeft aangedaan. Daarnaast ziet het Hof als doel van de bestraffing dat anderen ervan worden weerhouden om dit soort misdrijven te plegen.

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen de tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren te rekwireren en heeft de Krijgsraad een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren opgelegd. In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen wederom te rekwireren tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren, thans aangevuld met de vordering een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen.

Heden zijn reeds ruim 41 (eenenveertig) jaren verstreken nadat het feit is gepleegd. Degenen die gerechtigheid zochten in deze zaak hebben engelengeduld gehad. Een aantal nabestaanden hebben helaas deze dag niet kunnen meemaken.

Dat het zo lang heeft geduurd voordat in hoogste en laatste instantie een eindoordeel wordt gegeven heeft gelegen aan verschillende factoren, waaronder:

  • het feit dat het niet mogelijk was kort nadat de misdaden waren gepleegd justitieel onderzoek te verrichten;
  • de omvang en complexiteit van het gerechtelijk onderzoek;
  • de gehanteerde tactiek van de verdediging gedurende het proces wat ook heeft bijgedragen aan de vertraging;
  • de proceshouding van de verdachte;
  • de gepoogde interventies in het proces, waaronder:
  • -door de toenmalige wetgevende macht en regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse middels het aannemen en afkondigen van de Amnestiewet de dato 05 april 2012 Staatsblad 2012 nummer 49 en
  • -vanwege de opdracht gegeven door de regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse, op grond van het bepaalde in artikel 148 van de Grondwet van Suriname, aan de toenmalige Procureur Generaal bij het Hof van Justitie tot stopzetting van het proces;
  • de structurele onderbezetting en stelselmatige benedenmaatse facilitering van de Rechterlijke Macht met Rechtspraak belast;

Gelet op al het voorgaande en mede in acht nemende de huidige leeftijd van de verdachte ziet het Hof geen aanleiding om een levenslange gevangenisstraf op te leggen.

Het Hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen door de vervolgingsambtenaar is gevorderd.
Daarbij heeft het Hof in het bijzonder acht geslagen op de rol, casu quo het aandeel die deze verdachte had bij de voorbereiding en uitvoering van de moorden ten opzichte van het aandeel van de medeverdachte Bouterse. Laatstgenoemde had de leiding en een allesbepalende stem bij het geheel terwijl de verdachte de rol van een van de uitvoerders had gekregen en ook op zich had genomen.

Nu de door de verdediging aangevoerde verweren falen en het het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden moeten leiden tot integrale vernietiging van het beroepen vonnis, zal dit vonnis worden bevestigd, onder aanvulling en verbetering van gronden zoals hierna te melden en met partiële vernietiging van het vonnis voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het Hof ziet geen aanleiding om deze verdachte qua strafoplegging geheel gelijk te stellen met de hoofdverdachte Bouterse in deze zaak zoals de vervolging heeft voorgesteld.

Gelet op de ondergeschikte rol van deze verdachte bij het geheel ziet het Hof daarin aanleiding om aan deze verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren op te leggen hetgeen passend en geboden wordt geacht.

De consequentie van het voorgaande is dat het beroepen vonnis op het stuk van de strafoplegging zal worden vernietigd en er dienaangaande opnieuw recht zal worden gedaan als na te melden.

Met betrekking tot het gevorderde bevel tot gevangenneming van de verdachte door de vervolgingsambtenaar overweegt het Hof dat dit onderdeel van het gevorderde zal worden verworpen. Immers heeft de vervolgingsambtenaar geen gronden aangevoerd die een bevel tot gevangenneming in deze fase van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zouden kunnen schragen.
Voor zover de vervolgingsambtenaar ervan is uitgegaan dat de verdachte naar aanleiding van het requisitoir en de door haar voorgestelde straf terstond in voorlopige hechtenis diende te worden genomen heeft de vervolgingsambtenaar verzuimd de daartoe benodigde gronden aan te voeren. Evenmin is het het Hof ambtshalve gebleken dat de noodzaak daartoe aanwezig was.
In het geval dat de vervolgingsambtenaar het standpunt heeft gehuldigd dat bij een veroordeling met strafoplegging in hoger beroep de gevangenneming van de verdachte aan de veroordeling dient te worden gekoppeld, ziet het Hof de noodzaak daarvan niet in.

In casu betreft het een vonnis van het Hof rechtsprekend in hoogste instantie waartegen er geen gewoon rechtsmiddel openstaat waardoor het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen en voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

Ingevolge het systeem van de wet ligt het op de weg van de vervolging om in het natraject van het uitgesproken vonnis tot ten uitvoerlegging daarvan conform de toepasselijke wettelijke bepalingen over te gaan.

De toepasselijke wettelijke bepalingen
Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 72 en 349 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Krijgsraad op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken tegen de verdachte Dendoe, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden, met uitzondering van de daarin aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

Vernietigt het beroepen vonnis van de Krijgsraad op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte Dendoe ten aanzien van de strafoplegging;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend – President, mr. A. Charan, lid en kolonel D. Kamperveen, lid-plaatsvervanger, bijgestaan door F.G.Z. Chandoe, LLM, fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo door de fungerend – president voornoemd, op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 20 december 2023.

w.g. F.G.Z. Chandoe              w.g. D.D. Sewratan
                                               w.g. A. Charan
                                               w.g. D. Kamperveen

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)