SRU-HvJ-2024-2

  • Instantie Hof van Justitie
  • Zaaknummer nvt
  • Uitspraakdatum 20 maart 2024
  • Publicatiedatum 03 april 2024
  • Rechtsgebied Strafrecht
  • Inhoudsindicatie

    Het Hof is van oordeel dat artikel 22 GW – ook al is het in relatie met de artikelen 1, 375, 480 en 492 Sv en artikel 3 lid 1 onder a en b van de Amnestiewet 1989 gebracht – oneigenlijk gebruik wordt als een soort supra hoger beroep om het uitgesproken veroordelend vonnis de dato 20 december 2023 niet ten uitvoer te leggen dan wel de tenuitvoerlegging op te schorten c.q. aan te houden. Artikel 22 GW hiervoor gebruiken staat op gespannen voet met het beginsel van het gesloten stelstel van rechtsmiddelen. Dat stelsel houdt in dat een rechterlijke uitspraak alleen kan worden aangetast door een daartoe door de wet opengestelde rechtsmiddel en dat zij bij het ontbreken van een dergelijk rechtsmiddel onaantastbaar is. Belanghebbende zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard.

    Artikel 22 GW; Artikelen 1, 375, 480 en 492 SV; Artikel 3 lid 1 a en b Amnestiewet 1989 (S.B. 2012 no. 49)

Uitspraak

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 22 VAN DE GRONDWET

           Gelezen het verzoekschrift met als opschrift “verzoek ex artikel 22 van de Grondwet (GW) in samenhang met de artikelen 1, 375, 480 en 492 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 3 lid 1 onder a en b van de Amnestiewet 1989, zoals gewijzigd bij SB 2012 no.49”, van 08 januari 2023 van BOUTERSE, DESIRE DELANO (hierna ook aangeduid als belanghebbende), ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (HvJ/Hof) op maandag 08 januari 2024;

          Gelet op de beschikking van het Hof de dato 16 januari 2024, waarbij de behandeling van het verzoekschrift is bepaald voor dinsdag 23 januari 2024 in raadkamer;        

          Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder de processen-verbaal van het verhandelde ter raadkamerzittingen van het Hof van 23 januari 2024 en 13 februari 2024, waarvan de inhoud hier als geïnsereerd moet worden beschouwd;

          Gehoord in raadkamer de dato 23 januari 2024 en 13 februari 2024, de waarnemend Procureur-Generaal (PG), mr. A. Niamat, namens het Openbaar Ministerie (OM) en de raadslieden van verzoeker, mr. M. Dubois; mr. M. Castelen; mr. N. Van Dijk, CAMS AMLCA; mr. M. Misiedjan en mr. D. Veira.

Overwegende, dat de raadslieden van belanghebbende het Hof hebben verzocht:

  • primair: het uitgesproken veroordelend vonnis de dato 20 december 2023 niet ten uitvoer te leggen
  • dan wel de tenuitvoerlegging op te schorten c.q. aan te houden, tot dat in de civiele procedure definitief in rechte is geoordeeld over o.a. de rechtsvraag of er sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel en tot dat het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld heeft over de rechtsvraag of het recht op een eerlijk (straf)proces van de belanghebbende is geschonden.

Overwegende, dat belanghebbende zakelijk weergegeven aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat het vonnis van de Krijgsraad vanwege het nebis in idem beginsel van rechtswege nietig is en als gevolg daarvan het vonnis van het Hof van Justitie van 20 december 2023 rechtskracht en wetskracht mist en dus eveneens van rechtswege nietig is.

Overwegende, dat de PG – voor zover van belang- heeft gesteld dat de belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering omdat voor het ingediend verzoekschrift geen wettelijke basis bestaat. De wetsartikelen waarop de verdediging het verzoek heeft gebaseerd, zijn onjuist. De artikelen 22 GW en art. 1 Sv geven aan dat er een wettelijke grondslag moet zijn voor het indienen van verzoeken. Voorts dat tegen het vonnis van het Hof geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan en het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en daarom ingevolge de wet ten uitvoer gelegd mag worden. Het buitengewoon rechtsmiddel, herziening van vonnissen ingevolge art. 386 Sv, is mogelijk. Echter is hiervan geen gewag gemaakt. Daarnaast geven de artikelen 486 Sv tot en met artikel 490 Sv duidelijk aan wanneer een vonnis (nog) niet kan worden tenuitvoergelegd, aldus de PG.

Slechts een ná de rechterlijke beslissing gedane uitspraak van het Europees Hof (lees het Inter-Amerikaans Hof), waardoor die beslissing gediskwalificeerd wordt, zou onverkorte tenuitvoerlegging ontoelaatbaar kunnen maken (bron: Tekst en Commentaar Sv, 3e druk, p. 1407). De wet voorziet in de gevallen waarin tenuitvoerlegging niet kan plaatsvinden. Een veroordeelde kan de beslissing van de strafrechter of de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot de beslissing heeft geleid niet ter toetsing voorleggen aan de civiele rechter, aldus de PG.

De beoordeling

Overwegende, dat belanghebbende heeft gesteld dat de gevoegde behandeling van  dit verzoekschrift en het ook door hem ingediend beroepschrift niet verenigbaar zijn. Belanghebbende is van mening dat de behandeling van deze twee administratieve procedures zich, vanwege het verschil in de aard niet lenen voor een gevoegde behandeling door dezelfde kamersamenstelling.

Overwegende, dat de president van het Hof bevoegd is een kamer samen te stellen – zoals in casu is geschied – die zich buigt over het aan dit Hof gericht verzoek en ter zake een beslissing neemt. De zienswijze dat beide verzoeken niet door één en dezelfde Hof kamer gevoegd, althans gezamenlijk kunnen worden behandeld, deelt het Hof niet, daar niet is gebleken dat daarmede belanghebbende in zijn rechtsproces wordt geschaad. Immers moet er een beslissing worden genomen over twee verschillende soorten vorderingen, namelijk een ingediend beroepschrift en een ingediend verzoekschrift.

Overwegende, dat het Hof preliminair dient na te gaan in hoeverre op het hierboven bedoelde vonnis van 20 december 2023, de mogelijkheid van onderhavig verzoek bij het bevoegd gezag ex artikel 22 GW voor een burger openstaat. Dit tegen de achtergrond van hetgeen hij aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd.

Overwegende, dat eerst de vraag dient te worden beantwoord of artikel 22 GW een mogelijkheid schept voor een burger om een verzoekschrift in te dienen bij het Hof van Justitie. Artikel 22 GW luidt als volgt:

lid 1: Een ieder heeft het recht om verzoeken schriftelijk bij het bevoegde gezag in te dienen.

lid 2: De wet regelt de procedure voor behandeling van de zaak.

Het Hof van Justitie wordt in artikel 139 GW genoemd als hoogste instantie van de rechterlijke macht met rechtspraak belast. Hieruit volgt dat het Hof van Justitie dient te worden aangemerkt als het bevoegd gezag zoals bedoeld in artikel 22 GW en is het indienen van schriftelijke verzoeken op grond van dit artikel in beginsel mogelijk. Het feit dat de wetgever lid 2 van artikel 22 GW niet heeft uitgevoerd doet daaraan niet af. Immers dit laat het recht van de burger toegekend door de GW onverlet. Het Hof overweegt ten aanzien hiervan verder dat in artikel 1.4 GW van 1975 een gelijkluidende tekst als voormeld artikel 22 GW is opgenomen, namelijk dat een ieder het recht heeft verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen. Dit recht, ook wel het petitierecht genoemd, houdt onder meer in de mogelijkheid om schriftelijk de aandacht van het bevoegd gezag te vragen voor bijvoorbeeld een problematiek, een beklag te doen en om grieven, ongemakken en problemen kenbaar te maken. Gebleken is dat burgers in de praktijk bij het Hof reeds gebruik maken van dit recht en dit recht dus al beleven, ondanks het feit dat deze verzoeken nimmer expliciet zijn gebaseerd op artikel 22 GW.

Overwegende, dat vervolgens de vraag dient te worden beantwoord of het verzoek zoals vervat in dit verzoekschrift valt onder de reikwijdte van artikel 22 GW. De belanghebbende heeft gesteld met dit verzoekschrift het Hof te willen informeren dat er sprake is van een niet eerlijk proces en vraagt daarbij om het vonnis van het Hof van 20 december 2023 niet ten uitvoer te leggen dan wel de tenuitvoerlegging daarvan op te schorten c.q. aan te houden. Het Hof is van oordeel dat artikel 22 GW – ook al is het in relatie met de artikelen 1, 375, 480 en 492 Sv en artikel 3 lid 1 onder a en b van de Amnestiewet 1989 gebracht – oneigenlijk gebruik wordt als een soort supra hoger beroep om het uitgesproken veroordelend vonnis de dato 20 december 2023 niet ten uitvoer te leggen dan wel de tenuitvoerlegging op te schorten c.q. aan te houden.

Artikel 22 GW hiervoor gebruiken staat op gespannen voet met het beginsel van het gesloten stelstel van rechtsmiddelen. Dat stelsel houdt in dat een rechterlijke uitspraak alleen kan worden aangetast door een daartoe door de wet opengestelde rechtsmiddel en dat zij bij het ontbreken van een dergelijk rechtsmiddel onaantastbaar is. Belanghebbende zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard.

Overwegende, dat het Hof gelet op het voorgaande, niet toekomt aan bespreking van de overige stellingen van partijen.

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.

BESCHIKKENDE

Het Hof:

Verklaart BOUTERSE, DESIRE DELANO niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gegeven te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie op 20 maart 2024, door: mr. S.S.S. Wijnhard, fungerend-president, mr. R. Praag, lid en mr. I. Sonai, lid en uitgesproken door de fungerend-president, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, F.G.Z. Chandoe, LLM.