SRU-K1-1954-1

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer onbekend
  • Uitspraakdatum 02 februari 1954
  • Publicatiedatum 24 juni 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Huurrecht. Wanneer de huurder van een perceel zonder uitoefening daarop van een zakelijk recht krachtens zijn overeenkomst met de grondeigenaar een woonhuis heeft op de aan deze in eigendom toebehorende grond, welke rechtsfiguur als „woonerfhuur” kan worden betiteld, valt deze overeenkomst niet uiteen in een gewone huur en een opstalrecht. Het recht om een huis op de grond te hebben behoort dan tot het wezen van deze woonerfhuur.
    Alle rechten en verplichtingen, welke tot het wezen van de huurovereenkomst behoren, gaan ingevolge art. 1597 Sur. B.W. op de nieuwe eigenaar over.

Uitspraak

Kantonrechter in het eerste Kanton
2 Februari 1954, SJ 1955 no. 10
(Mr. Carrière)[1])

[eiser], wonende te [district], eiser, adv. G.J.C. van der Schroeff,

tegen

[gedaagde] wonende te [district], gedaagde, adv. Mr. F.H.R. Lim Apo.

De Kantonrechter in Eerste Kanton; enz.

Ten aanzien van het recht

Post alia:

O., dat ([huurster] het perceel in huur had, toen dit door eiser van [getuige] werd gekocht Red.) en ingevolge art. 1597 Sur. B.W. deze huur door bedoelde koop en verkoop niet werd verbroken;

O., dat blijkens verklaring van [getuige] in deze huur, zij het dan stilzwijgend, was begrepen het recht om op het perceel een huis te zetten en dit recht en anderzijds de verplichting van de eigenaar-verhuurder om het zetten van een huis op het perceel door de huurster te gedogen, ingevolge gemeld art. 1597 mede na vermelde koop zijn blijven voortbestaan;

Dat zich hier toch voordoet de in het rechtsleven van Suriname voorkomende figuur, dat de huurder van een perceel zonder uitoefening daarop van een zakelijk recht krachtens zijn overeenkomst met de grondeigenaar een woonhuis heeft op de aan deze in eigendom toebehorende grond, welke rechtsfiguur weliswaar door de Surinaamse wetgever niet is geregeld, maar met welker bestaan hij wel rekening heeft gehouden in art. 9, 2e lid der Huurbeschermingsverordening 1949 (zie Hof van Justitie, 10 October 1952 inzake Gebiedsdeel Suriname vs [naam] [2]);

Dat nu bij deze rechtsfiguur, welke in het Surinaamse rechtsleven lang geen zeldzaamheid is, intgendeel bij de justiciabelen tamelijk is ingeburgerd en welke als woonerfhuur kan worden betiteld, de overeenkomst niet uiteen valt in een gewone huur en een opstalrecht, doch het recht om een huis op de grond te hebben behoort tot het wezen van deze woonerfhuur en alle rechten en verplichtingen, welke tot het wezen van de huurovereenkomst behoren, ingevolge art. 1597 op de nieuwe eigenaar overgaan [3]);

O., dat dus [huurster] ook na de koop van het litigieuze perceel door eiser het recht heeft behouden om daarop een woonhuis te bouwen, zonder dat eiser daarvoor toestemming had te geven en dit bouwen derhalve aan haar niet door eiser zou kunnen worden verweten;

Gelet enz.

[1]        Bekrachtigd door het Hof van Justitie, 6 mei 1955.
[2]        Opgenomen in Surinaamse Jurisprudentie 1952 onder no. 17.
[3]        Zie ook nog Star Nauta Carsten t.a.p., bldzz. 226/227.