SRU-K1-1998-1

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-970216
  • Uitspraakdatum 19 mei 1998
  • Publicatiedatum 31 mei 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Arbeidsrecht. Kennelijk onredelijk ontslag.
    De werkgever heeft niet gesteld dat door diefstal, de werknemer het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden. Voor deze stelling is er ook geen ruimte aangezien het geen goederen van grote waarde betreft en onbetwist vaststaat dat werknemer zich in 7-jarige loopbaan nimmer aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.
    In casu is er sprake van kennelijk onredelijk ontslag omdat naast het eerder genoemde er geen gevaar voor herhaling bestaat en het belang van de werkgever bij ontslag niet opweegt tegen nadeel voor de werknemer. Wat betreft vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Arbeid wordt werknemer hierin niet ontvankelijk verklaard omdat het niet toepassen van hoor en wederhoor de betreffende beschikking niet nietig maakt. Als verder aan alle eisen is voldaan kan er sprake zijn van een onrechtmatige daad maar ook dat leidt niet tot nietigverklaring.

Uitspraak

Kantonrechter Eerste Kanton
19 mei 1998, A.R. 970216
(Mr. E.S. Ombre)

[eiser], wonende aan [adres] in het [district], gemachtigde: Mr. J.F. Echteld, advokaat, eiser,

tegen

A. De Billiton Maatschappij Suriname N.V., rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende te onverdacht in het district Para, gemachtigde: Mr. F. Kruisland, advocaat,

B. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Arbeid, zetelende te Paramaribo, gemachtigde: Mr. A.R. Baarh, advocaat, gedaagden,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Procesgang
Bij conclusie van eis, overeenkomstig het op 21 januari 1997 ingediende verzoekschrift, heeft eiser gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

  • voor recht te verklaren dat het aan eiser gegeven ontslag d.d. 30 oktober 1996 nietig is;
  • gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser in zijn functie of een ander gelijksoortige functie te werk te stellen in het bedrijf;
  • gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting zijn salaris e.a. secundaire voorzieningen over de maande november en december 1996 uit te betalen en de daarop volgende maanden totdat de dienstbetrekking zal zijn hersteld, alsmede hem en gezin in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van de medische en andere voorzieningen van het bedrijf;
  • dat, indien het onder c tot en met d vermeldde niet tot een veroordeling zou mogen leiden, gedaagde te veroordelen aan eiser een schadevergoeding naar billijkheid te betalen (afkoopsom);
  • dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, alsmede de buitengerechtelijke kosten die gesteld zijn op f.150.000,– (eenhonderd en vijftig duizend gulden).

De gemachtigden van de gedaagden hebben schriftelijk geantwoord, met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser, althans tot ontzegging van de vordering. De gemachtigde van de gedaagde sub A heeft bij zijn conclusie een produktie overgelegd.

Er is schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Motivering
1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende vast tussen partijen:

1.1 Eiser is op 6 februari 1989 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van gedaagde sub A en is sedert dien te werk gesteld in de Mobile Equipment Shop als onderhoudsmecanicien.

1.2 Op aangeven van gedaagde sub A is eiser op 29 oktober 1996 door de politie van Onverdacht aangehouden en is daags daarna in verzekering gesteld op verdenking van diefstal van diverse goederen ten nadele van gedaagde sub A. Eiser is op 13 november 1996 in vrijheid gesteld en de strafzaak tegen hem is door het Openbaar Ministerie voorwaardelijk geseponeerd.

1.3 Op 30 oktober 1996 is door gedaagde sub A aan eiser medegedeeld dat hij wegens dringende redenen met ingang van die datum is ontslagen. De dringende redenen bestonden, volgens opgave van gedaagde sub A, in het verduisteren of gepoogd hebben diefstal te plegen van de volgende goederen, aan gedaagde sub A toebehorende goederen, te weten.

– 2 flessen koffie;
– 7 pakken thee;
– 1 hamer;
– 2 stuks back-up alarm;
– 1 schuurborstel;
– 2 haulpak headlights;
– 10 stuks regenjassen;

2.1 Eiser verwijst weliswaar naar de inhoud van een ontslagbeschikking van het Ministerie van Arbeid d.d. 15 november 1996, maar hij heeft die beschikking niet overgelegd en heeft de inhoud daarvan niet aangehaald. Aangezien eiser wegens dringende redenen is ontslagen houdt de Kantonrechter het ervoor dat hij het oog heeft op de beschikking houdende het besluit van de Minister van Arbeid dat tegen de opgegeven redenen geen bezwaren bestaan.

2.2 In zijn conclusie van repliek verzoekt eiser dat de Kantonrechter bovenbedoelde beschikking nietig zal verklaren. Hoewel dit verzoek verscholen ligt in het lichaam van de conclusie en niet is vervat in een aparte slotsom, kon bij lezing van de conclusie met de vereiste zorgvuldigheid ook voor gedaagden duidelijk zijn dat dit verzoek is gedaan. Dit verzoek komt neer op vermeerdering van de eis. Gedaagden hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering, zodat mede op grond van bovenbedoelde eis zal worden beslist.

2.3 In onderdeel e van het petitum vordert eiser om, indien onderdelen c tot en met d niet tot een veroordeling zouden leiden, ”gedaagde” te veroordelen tot betaling van, kort gezegd, een afkoopsom. De Kantonrechter begrijpt dat dit onderdeel gericht is tegen de gedaagde sub A en met ”gedaagde” hier wordt bedoeld ”gedaagde sub A”.

2.4 In onderdeel f van het petitum wordt gevorderd dat ”gedaagde zal worden veroordeeld” in de kosten van het geding alsmede de buitengerechtelijke kosten. De Kantonrechter houdt het ervoor dat de tussen aanhalings- en sluittekens geplaatste woorden op een verschrijving berusten en dat eiser de veroordeling beoogde te vorderen van beide gedaagden.

3.1 Naar de kantonrechter begrijpt berust de vordering tot nietigverklaring van de beschikking hierop dat, naar eiser beweert, gedaagde sub B heeft nagelaten om hem, eiser, ter plaatse waar hij inverzekering was gesteld, te doen opzoeken teneinde hem te horen alvorens die beschikking te geven en die beschikking daardoor nietig is.

3.2 Gedaagde sub B heeft de vordering bestreden. Naar de Kantonrechter begrijpt stelt genoemde gedaagde dat eiser behoorlijk is opgeroepen en dat hij, gedaagde, in de gegeven omstandigheden niet verplicht was eiser te doen opzoeken teneinde hem te horen.

3.3 Eiser is niet ontvankelijk in zijn vordering, omdat het beweerde nalaten van gedaagde sub A de beschikking niet nietig maakt. Is het beginsel van hoor en wederhoor niet toegepast dan kan, indien verder aan de daaraan te stellen vereisten is voldaan, sprake zijn van een onrechtmatige daad, maar ook in dat geval maakt eiser geen aanspraak op nietigverklaring van de beschikking.

4. De vordering tot verklaring voor recht dat het ontslag nietig is, berust op de stelling dat de nietigheid van de beschikking de nietigheid van het ontslag tot gevolg heeft. Zoals blijkt uit hetgeen onder 3.3 is overwogen kunnen de gestelde feiten niet leiden tot de conclusie dat de beschikking nietig is. Dit brengt, ervan uitgaande dat bovenvermelde stelling juist is, met zich dat het verlangde declaratoir niet kan worden uitgesproken.

5.1 Eiser heeft onder c van het petitum gevorderd dat gedaagde sub A zal worden veroordeeld eiser in zijn functie of een ander gelijksoortige functie te werk te stellen in het bedrijf. Eiser beoogt hiermee, naar de Kantonrechter begrijpt, te vorderen dat gedaagde sub A wordt veroordeeld de dienstbetrekking met eiser te herstellen.

5.2   Aan deze vordering is, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het ontslag kennelijk onredelijk is, en wel omdat:

  • de ontslagredenen vals zijn.
  • zelfs indien de ontslagredenen juist zijn, die niet van dermate ernstige aard zijn dat, gelet op de omstandigheden van het geval en de situatie op de arbeidsmarkt, zij een ontslag wegens dringende redenen met onmiddellijke ingang niet kan rechtvaardigen.
  • hij een gezin, bestaande uit vrouw en één kind, te verzorgen heeft. Hij kan geen ander (soortgelijk) werk vinden en is bereid, zodra hij daartoe wordt opgeroepen, zijn werkzaamheden te hervatten. Hij en zijn gezin hebben vanaf november 1996 geen loon of secundaire voorzieningen mogen genieten.

5.3  Met betrekking tot hetgeen ander 5.2.a is vermeld heeft eiser , voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Er zijn inderdaad goederen toebehorende aan gedaagde sub A in zijn werkkast aangetroffen. Het is niet zo dat een deel daarvan bij poortcontrole in zijn tas is gevonden. Dat, alhoewel deze goederen niet in zijn kast behoorden te zijn, hij deze handeling heeft gepleegd uit gemakzucht. Als distributeur, althans verstrekker van diverse onderdelen en goederen aan bij hem aanmeldende werknemers heeft hij, om het op en neer geloop te reduceren, bepaalde goederen in zijn kast opgeslagen, ook goederen die door onverschilligheid van bepaalde werknemers her en der waren achtergelaten al of niet met boos opzet. Hij ontkent met klem de intentie te hebben gehad de in zij kast aangetroffen goederen wederrechtelijk te willen toeëigenen.

5.4 Ter staving van haar stelling dat eiser zich aan verduistering, althans diefstal heeft schuldig gemaakt, heeft gedaagde sub A zich beroepen op een schriftelijke verklaring van eiser d.d. 30 oktober 1996, welke als volgt luidt:

“Hierbij verklaar  ik [eiser] dat ik de spullen bestaande uit koffie 2 flessen, thee 7 pakken, hamer, I haulpak verstralers en Backup alarm en mantels 1 doos met ca 10 stuks, heb weggenomen met de bedoeling deze tezijnertijd te distribueren.

Ik heb op eigen initiatief de spullen/goederen voor distributie genomen.

Ik heb de mantels in doos, buiten magazijn I te Onverdacht gevonden en beken dat dit overhandigd had moeten worden aan de dienstdoende  magazijnbediende.

De doos inhoudende de 10 stuks mantels heb ik maandag 28 oktober 1996 weggenomen. De in mijn tas gehaalde schuurborstel, door ploegleider Westerveld (beveiliging) heb ik gevonden in de ME-shop en zou deze meenemen naar huis.”

5.5 Uit deze verklaring blijkt in ieder geval dat de schuurborstel niet in de werkkast van eiser is aangetroffen en dat eiser het oogmerk had zich die borstel wederrechtelijk toe te eigenen.

5.6 Wat de andere goederen betreft, staat als niet gemotiveerd betwist vast dat deze in eiser ’s werkkast zijn aangetroffen. Het feit dat eiser deze goederen zonder toestemming van gedaagde sub A in zijn werkkast heeft geplaatst en deze kast, naar mag worden aangenomen, alleen bestemd was voor het opbergen van eiser ’s eigendommen, levert het vermoeden op dat eiser deze goederen heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening. Eiser heeft geen bewijs aangeboden van feiten, waaruit zou volgen dat hij de goederen “uit gemakzucht” in zijn kast heeft gezet. Zijn daarop betrekking hebbende stelling wordt dan ook als niet serieus bedoeld verder gepasseerd.

5.7 Uit hetgeen onder 5.5 en 5.6 is overwogen volgt dat de opgegeven ontslagredenen niet vals zijn.

5.8 Gedaagde sub A heeft niet gesteld dat eiser door de diefstal het vertrouwen van de werkgever onwaardig is geworden. De Kantonrechter is van oordeel dat voor dit laatste ook geen plaats is, gelet op het feit dat het in casu geen goederen van grote waarde betreft en, zoals onbetwist rechtens vaststaat, eiser zich in zijn 7-jarige loopbaan nimmer aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Het gedrag van eiser levert dus geen dringende reden op voor ontslag. Gedaagde sub A gaat dan ook ten onrechte van het tegenovergestelde standpunt uit.

5.9 Thans dient de vraag te worden beantwoord of het ontslag, zoals eiser beweert en gedaagde sub A tegenspreekt, kennelijk onredelijk is. De Kantonrechter is van oordeel dat deze vraag, met de eiser, bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij houdt de Kantonrechter er rekening mee dat, zoals hierboven reeds is overwogen, eiser zich in zijn 7-jarige loopbaan nimmer aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, het aan eiser te maken verwijt niet zo ernstig is, en niet gesteld of gebleken is dat er gevaar bestaat dat eiser zijn gedrag zal herhalen, waardoor het belang van gedaagde sub A bij beëindiging van de dienstbetrekking niet opweegt tegen het nadeel voor eiser, die gezien de situatie op de arbeidsmarkt niet gemakkelijk een gelijkwaardige betrekking zal vinden en voor wie geen voorziening is getroffen.

5.10 De Kantonrechter acht termen aanwezig om, alvorens over de toewijsbaarheid van de onder 5.1 bedoelde vordering wordt beslist, tussen eiser en de gedaagde sub A een minnelijke regeling te beproeven.

Beslissing
Alvorens verder te beslissen:
Nodigt partijen – eiser in persoon en de gedaagde sub A behoorlijk vertegenwoordigd – uit om, desgewenst vergezeld van gemachtigden, ter terechtzitting te verschijnen tot het beproeven van een minnelijke regeling.

Bepaalt dat deze terechtzitting zal worden gehouden in een van de zalen van het gerechtsgebouw aan de Mgr. Wulfinghstraat no. 5 te Paramaribo op donderdag 1 oktober 1998 ’s morgens om half negen.

Houdt iedere verdere uitspraak aan.