SRU-K1-2006-4

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-061219
  • Uitspraakdatum 02 juni 2006
  • Publicatiedatum 07 juni 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    Ten aanzien van de drie vragen die partijen verdeeld hielden besliste de Kantonrechter als volgt:
    1. Blijkens rechtsliteratuur kan niet alleen een reeds aangevangen executie van een vonnis worden gestaakt, doch ook een dreigende executie komt daarvoor in aanmerking;
    2. De weigering van de hoofdredacteur van DWT tot plaatsing van de advertentie levert onmacht op aan de veroordeling, zoals neergelegd in het desbetreffend vonnis, te voldoen.
    3. De vraag vanaf welk moment de dwangsommen verbeurd zijn, komt niet aan de orde, daar er in casu geen dwangsommen verbeurd zijn.
    (Artt. 492 lid 3 jo 491 lid 1 Rv, 1266 BW).
    SJB

Uitspraak

A.R. No. 061219
2 juni 2006

[eiser], wonende en kantoorhoudende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. D.F. Chocolaad, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE DEVIEZENCOMMISSIE,  rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Havenlaan (complex Nieuwe Haven), voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken;

1. De loop van het geding

Bij een op 17 maart 2006 ter Griffie van het Kantongerecht ingediend verzoekschrift heeft eiser, onder overlegging van bijbehorende producties, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair:
te gelasten dat de dwangsommen zoals opgelegd bij vonnis dd. 20 december 2005 in de zaak bekend onder A.R. no. 05/3587 niet of niet verder worden ten uitvoer gelegd, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD. 50.000 (VIJFTIG DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS), voor ieder dag of keer dat de gedaagde weigert, nalaat of in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen.

Subsidiar:
De aangevangen excecutie van het vonnis dd. 20 december 2005 in de zaak bekend onder A.R. 05/3587 zal worden geschorst althans opgeschort totdat in hoger beroep uiteindelijk en definitief zal zijn beslist, zulks op straffe van een onmiddellijke opeisbare dwangsom van SRD 50.000,– (VIJFTIG DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) voor ieder dag of keer dat de gedaagde weigert, nalaat of ingebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen.

Voorts gedaagde zal worden veroordeeld in de gedingkosten.

Op de eerstdienende dag heeft advocaat mr. F. Kruisland zich als gemachtigde van de gedaagde aan deze zaak gesteld.

Vervolgens zijn de navolgende conclusies genomen:

– een schriftelijke conclusie van antwoord, met bijbehorende producties, waarbij is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de eiser, althans weigering van de gevraagde voorzieningen als ongegrond;
– een schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, met bijbehorende producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2.  Het geschil

2.1    In dit kort geding kan van het navolgende worden uitgegaan:

– Eiser bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken op 20 december 2005 in de zaak bekend onder A.R. no. 05/3587, na daartoe ingediend verzoekschrift door gedaagde, is bevolen om op een in het oog springende plaats van het dagblad “de Ware Tijd”, in de eerstkomende editie na deze uitspraak de volgende verklaring te plaatsen t.w. “Ik [eiser], verklaar bij deze dat de aantijging, althans uitspraak gedaan in de editie van het dagblad de West van zaterdag 27 augustus 2005 in het artikel “Donkere Wolken pakken zich samen boven Suriname” als zou de Deviezen Commissie slechts personen, die bereid zijn onder en boven tafel zaken te doen voor vergunningen voor de export van goud, in aanmerking hebben doen komen en voor vergunningen tot de export van goud, niet op waarheid berust en een inbreuk vormt op haar eer en goede naam en maatschappelijke reputatie en voorts zeer grievend voor de Deviezen Commissie is”.;
– Voormeld vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard op de minuut en op alle dagen en uren. Tevens is aan voormelde veroordeling gekoppeld een dwangsom, te betalen door eiser ad SRD 5.000,–, het bedrag van SRD 100.000,–, niet te bovengaand, voor elke dat dat hij, eiser – alstoen gedaagde – nalaat of ingebreke blijft aan voormeld bevel gevolg te geven.
– Eiser heeft het rechtsmiddel van hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis d.d. 20 december 2005;

2.2.     Eiser stelt ten eerste dat hij terstond na deze uitspraak van de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij schrijven d.d. 20 december 2005 de verklaring zoals daarin vervat heeft aangeboden aan het dagblad “de Ware Tijd” teneinde aldus te voldoen aan ‘s rechters bevel zoals luidende in het dictum van voormeld vonnis. Evenwel ontving hij op 22 december 2005 een schrijven van dezelfde datum afkomstig van de Hoofdredacteur van het dagblad de Ware Tijd waarbij aan hem het navolgende werd bericht: (citaat) “Hiermede deel ik U mede dat dezerzijds na ampele overweging is besloten de door u aangeboden advertentie inzake rectificatie van een in uw dagblad verschenen artikel voor plaatsing in de Ware Tijd te weigeren. Dit betekent dat de aangeboden announce niet in de Ware Tijd wordt opgenomen. De door U betaalde kosten voor plaatsing en de advertentie zelf worden hierbij geretourneerd”. (einde citaat).

Ten tweede stelt eiser dat gedaagde inmiddels bij exploit van deurwaarder R. Bhoelan d.d. 16 maart 2006 onder no. 54 het vonnis aan hem heeft doen betekenen, waarmede zij een aanvang  heeft doen maken met de excecutie van gemeld vonnis, zulks ondanks het door eiser ingesteld hoger beroep en ondanks het feit dat gedaagde redelijkerwijs dient te weten dat er zich in casu een situatie voordoet als bedoeld in artikel 492 lid 3 juncto artikel 491 lid 1 van het Surinaame Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Ten derde voert eiser aan dat gedaagde in strijd met het recht bij voormeld exploit tevens aan eiser het bevel heeft gedaan om de maximaal toegestane dwangsom ad SRD. 100.000,– (EENHONDERDDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gedaagde te betalen, zulks ondanks het feit dat gedaagde weet, althans behoort te weten dat dwangsommen niet beginnen te lopen en ook niet kunnen worden verbeurd alvorens het vonnis is betekend (vide H.R 27 april 1979, NJ 1980, 169). Ten vierde voert eiser aan dat hij niet in staat is aan de tegen hem uitgesproken veroordeling te voldoen en hij ex artikel 492 lid 3 jo artikel 491 lid 1 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is op grond daarvan in kort geding te vorderen dat de dwangsommen niet of niet verder worde ten uitvoer gelegd.

2.2    Gedaagde doet ten verwere het navolgende aanvoeren:

a).   eiser is in zijn vordering niet ontvankelijk aangezien van tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter in het Eeerste Kanton d.d. 20 december 2005, voor wat de daarin opgelegde dwangsommen betreft, geen sprake is;

b).   vaststaat tussen partijen dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende verbintenis, zoals neergelegd in het tussen partijen gewezen vonnis d.d. 20 mei (lees: december) 2005;

c).   de weigering van de hoofdredacteur van het dagblad “De Ware Tijd” om de onderhavige verklaring van eiser als advertentie op te nemen levert geen beroep op overmacht in de zin van artikel 1266 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek op aangezien eiser terzake daarvan kontakt diende op te nemen met de uitgever en bij weigering door hem de Uitgever of Hoofdredacteur van voormeld dagblad in rechte diende aan te spreken;

d).   artikel 611a lid 3 van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft uitdrukkelijk aan dat de dwangsom niet wordt verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld, terwijl een dergelijke bepaling in het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voorkomt; het beroep van eiser daarop is derhalve totaal ongegrond;

3.           De beoordeling van het geschil

3.1.    Van het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de stellingen  van het  inleidend  rekest.

3.2.    Met betrekking tot de vordering van eiser komt de Kantonrechter tot de slotsom dat drie vragen partijen in casu verdeeld houden. De eerste vraag betreft de vraag of slechts een reeds aangevangen executie van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis kan worden gestaakt of dat ook de dreiging van executie van een vonnis aanleiding kan geven tot het instellen van een vordering tot staking van de executie. De tweede vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag wat de konsekwenties zijn van de weigering van de Hoofdredacteur van het dagblad “De Ware Tijd” om voormelde advertentie in zijn medium te publiceren. De derde vraag waaromtrent partijen van mening verschillen betreft de vraag wanneer de dwangsom verbeurd is.

3.3.    De eerste vraag beantwoordend  komt de Kantonrechter tot de slotsom dat blijkens rechtsliteratuur niet alleen een reeds aangevangen executie van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis kan worden gestaakt doch daarvoor eveneens in aanmerking komt de dreiging van executie van een dergelijk vonnis (zie o.a. HR 11-2-66, NJ 1966, 405). Voormelde dreiging komt de Kantonrechter in casu vrij reëel voor als in aanmerking genomen wordt dat het onderhavig vonnis reeds aan eiser is betekend bij exploit d.d. 16 maart 2006 en aan hem bevel is gedaan van betaling van – vermeend – verbeurde dwangsommen. Op grond van het voorgaande is de eiser ontvankelijk in de ingestelde vordering.

3.4.    De tweede vraag beantwoordend komt de Kantonrechter tot de slotsom dat de konsekwentie van de weigering van de Hoofdredacteur van het dagblad “De Ware Tijd” oplevert onmacht om aan de veroordeling zoals neergelegd in het onderhavig vonnis te voldoen. Aan het voorgaande doet niet af het verweer van gedaagde hierop neerkomend dat eiser dan de uitgever van het dagblad “De Ware Tijd” diende te adiëren casu quo voormelde functionarissen in rechte diende aan te spreken teneinde voormelde publicatie gerealiseerd te krijgen, aangezien de Kantonrechter van oordeel is dat dat van de eiser in casu in redelijkheid niet kan worden gevergd. Naar het oordeel van de Kantonrechter is gesteld en in dit geding voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser heeft getracht uitvoering te geven aan het onderhavig vonnis doch daartoe niet in staat is gebleken vanwege factoren waar hij geen invloed op kan uitoefenen. Immers spreekt de inhoud van het schrijven afkomstig van de hoofdredacteur van het dagblad De Ware Tijd d.d. 22 december 2005 voor zich en nu gesteld noch gebleken is dat de uitgever casu quo een ander leidinggevende functionaris van voormeld medium zich van de inhoud daarvan gedistantieerd heeft, zal het er in dit geding voor worden gehouden dat het dagblad De Ware Tijd achter de inhoud van dat schrijven staat. Het voorgaande levert derhalve naar het oordeel van de Kantonrechter – zoals reeds hiervoor aangegeven – op de kwalificatie “onmacht om aan de veroordeling te voldoen”, hetgeen staking van de executie van de dwangsom rechtvaardigt (Amsterdam, 28-6-66, N.J. 1967, 299).

3.5.    De derde vraag die partijen verdeeld houdt is van een ander omvang en strekking. Vooreerst dient naar het oordeel van de Kantonrechter de vraag beantwoord te worden of er in casu űberhaupt dwansommen verbeurd zijn. Pas dan komt de vraag aan de orde vanaf wanneer die dwangsommen verbeurd zijn. Nu de Kantonrechter zoals hiervoor aangegeven heeft aangenomen  de kwalificatie “onmacht om aan de veroordeling te voldoen”, is het luce clarius dat in casu van verschuldigdheid van dwangsommen geen sprake kan zijn. Het antwoord op voormelde vraag is derhalve irrelevant voor de beslechting van dit geschil en de Kantonrechter zal derhalve aan dat onderdeel van het debat tussen partijen – als irrelevant – dan ook voorbijgaan.

3.6.    Gelet op al het voorgaande zal de Kantonrechter het primair gevorderde als na te melden toewijzen, evenwel onder mitigering van de medegevorderde dwangsom tot SRD.20.000,– (TWINTIG DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) per dag of per keer, gemaximeerd tot SRD. 200.000,– (TWEEHONDERDDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS), achtende de Kantonrechter daartoe termen aanwezig.

3.7.    Gedaagde zal – als de in het ongelijk gestelde partij – worden veroordeeld om de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en zoals in het dictum te begroten, voor haar rekening te nemen.

3.8.    Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de Kantonrechter, als niet langer relevant, achterwege laten. Evenwel moet het de Kantonrechter wel van het hart dat hij niet aan  de indruk ontkomt dat het in casu – op zijn zachtst gezegd – koren op de molen van eiser is dat het dagblad De Ware Tijd elke vorm van medewerking aan de uitvoering van het onderhavig vonnis d.d. 20 december 2005 weigert.

4.          De beslissing

De Kantonrechter:

A. Gelast dat de dwangsommen zoals opgelegd bij vonnis d.d. 20 december 2005 in de zaak betekend onder A.R. no. 05/3587 niet worden ten uitvoer gelegd, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD. 20.000,– (TWINTIGDUIZEND SURINAAMSE SOLLARS), voor ieder dag of keer dat de gedaagde weigert, nalaat of ingebreke blijft aan het bepaalde in dit vonnis te voldoen, gemaximeerd tot het bedrag van SRD 200.000,– (TWEEHONDER-DUIZEND SURINAAMSE DOLLARS);

B. Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;

C. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 130,– (EENHONDERD EN DERTG SURINAAMSE DOLLARS);

D. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton en op de terechtzitting van vrijdag 02 juni 2006 in het openbaar uitgesproken te Paramaribo, door mr. J.R.. Von Niesewand, Kantonrechter in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de Griffier.