SRU-K1-2006-6

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-063765
  • Uitspraakdatum 17 oktober 2006
  • Publicatiedatum 10 juni 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    In kort geding mag slechts een constitutieve beslissing worden genomen wanneer dringende noodzaak noopt tot een voorlopige schorsing der bestaande rechtsbetrekking. In casu is hiervan geen sprake.

Uitspraak

A.R. NO.063765
17 oktober 2006
S.P.

A. [eiser sub A], wonende aan [adres 1] te [district 1];

B. 1. [eiser sub Bl], wonende te [adres 2] in het [district 2];

     2. [eiser sub B2], wonende aan [adres 2] in het [district 2], voor wie allen als gemachtigde optreedt, mr. S. Marica, advocaat;
eisers in kort geding,

tegen

FERNANDES BAKKERIJ N. V., rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Kernkampweg nr. 84, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat;
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. De schorsing, althans opschorting te gelasten van de werking van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR nr.: 063122, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft
  2. Gedaagde te verbieden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR nr.: 063122 te excecuteren, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft beslist;
  3. Gedaagde te gelasten om aan elk der eisers te betalen hun loon met bij behorende emolumenten vanaf 14 juli 2006, tot ultimo augustus 2006 zijnde deze voor eiseres sub A SRD. l .129,42 (DUIZEND HONDERD EN NEGEN EN TWINTIG EN 42/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B1 het bedrag SRD. 1.894,94 (DUIZEND ACHTHONDERD EN VIER EN NEGENTIG EN 94/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B2 het bedrag SRD. 2.148,16 (TWEE DUIZEND HONDERD EN ACHT EN VEERTIG EN 16/100 SURINAAMSE DOLLAR) en voorst iedere maand totdat op rechtsgeldige wijze de arbeidsovereenkomst tussen de gedaagde als werkgever en elk der eisers als werknemers zal zijn beëindigd;
  4. Gedaagde te gelasten aan elk der eisers te betalen ten titel van dwangsom het bedrag groot SRD. 1.000,00 (DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor elke dag of keer, dat de gedaagde in strijd handelt met het in sub 2 hierboven veroordeelde.

Subsidiair:

  1. De schorsing, althans opschorting te gelasten van de werking van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR nr.: 063122, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft beslist;
  2. Gedaagde te verbieden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR. Nr.: 063122 te excecuteren, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft beslist;
  3. Gedaagde te gelasten om aan elk der eisers te betalen hun loon met bij behorende emolumenten vanaf 14 juli 2006, tot en ultimo augustus 2006 zijnde deze voor eiseres sub A SRD. 1.129,42 (DUIZEND HONDERD EN NEGEN EN TWINTIG EN 42/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B1 het bedrag SRD. 1.894,94 (DUIZEND ACHTHONDERD EN VIER EN NEGENTIG EN 94/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B2 het bedrag SRD. 2.148,16 (TWEE DUIZEND HONDERD EN ACHT EN VEERTIG EN 16/100 SURINAAMSE DOLLAR), vermeerderd met 10% wettelijke rente voor elk der eisers en voorst iedere maand totdat op rechtsgeldigde wijze de arbeidsovereenkomst tussen de gedaagde als werkgever en elk der eisers als werknemers zal zijn beëindigd;
  4. Gedaagde te gelasten elk der eisers binnen één (l) uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis althans de betekening daarvan, althans een door de Kantonrechter te bepalen termijn in de gelegenheid te stellen hun werkzaamheden te verrichten en zich te onthouden van elke handeling, welke elk der eisers zulks zou beletten of zulks zou verstoren of zulks zou belemmeren;
  5. Gedaagde te gelasten aan elk der eisers te betalen ten titel van dwangsom het bedrag groot SRD. 1.000,00 (DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor elke dag of keer, dat de gedaagde in strijd handelt met het  sub 2 hierboven veroordeelde;
  6. Gedaagde te gelasten aan elk der eisers te betalen ten titel van dwangsom het bedrag groot SRD. 3.000,00 (DRIE DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor elke dag of keer, dat de gedaagde in strijd handelt met het sub 4 hierboven veroordeelde. Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten, mr. S. Marica en mr. F. Kruisland ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers van eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben gepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakte en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen de eisers en gedaagde als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie als gedaagden in conventie en drie anderen in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 05/3122 in kort geding vonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt:

In conventie:

  • Schorst de hierboven onder 2.14.1 vermelde beschikkingen totdat de rechter in een bodemgeschil definitief zal hebben beslist omtrent de rechtsgeldigheid en/of rechtskracht van die beschikkingen en/of de rechtmatigheid van de opzeggingen van de beschikkingen en/of de rechtmatigheid van de opzeggingen van de dienstbetrekkingen met de sub 5 van het inleidend rekest vermelde personen door eiseres althans omtrent de beëindiging van die dienstbetrekkingen op 13 juli en/of 14 juli 2006;
  • Verbied de gedaagden sub B l tot en met sub B 6, elk alleen of afzonderlijk, om, totdat de rechter in een bodemprocedure definitief heeft beslist omtrent de rechtsgeldigheid van de door eiseres gedane opzegging van de dienstbetrekking op 13 juli – of 14 juli 2006, althans voordat die dienstbetrekking is beëindigd, de bedrijfsterreinen van de eiseres te betreden en beveelt hen om zich te onthouden van elke gedraging, welke storing kan veroorzaken in het produktieproces en/of distributieproces van eiseres. Veroordeelt ieder der gedaagden om ten titel van dwangsom aan de eiseres te betalen de som van SRD 1000,- voor elke keer dat hij of zij het tegen hem of haar gegeven verbod en/of aan hem of haar gegeven bevel niet nakomt;Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD…..

In reconventie:
A. Weigert de primair onder a, c en d alsmede de subsidiair onder a, c en d gevorderde voorzieningen;

B. Veroordeelt de gedaagde om aan eiser sub B1 tot en met B6 te betalen de volgende geldbedragen, vermeerderd met de daarbij behorende emolumenten te weten:

  1.  de eiseres sub B1 de som van SRD 413,64 + SRD 10,50;
  2. de eiseres sub B2 de som van SRD 425,12 + SRD 10,50;
  3. de eiseres sub B 3 de som van SRD 292,26 + SRD 10,50;
  4. de eiser sub B4 de som van SRD 579,32 + SRD 10,50;
  5. de eiser sub B5 de som van SRD 674,28 + SRD 10,50;
  6. de eiser sub B6 de som van SRD 330,49 + SRD 10,50;

Verklaart dit vonnis tot zover vermeld sub B uitvoerbaar bij voorraad;
Veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van Fernandes Bakkerij N.V. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD;
Compenseert de proceskosten tussen Fernandes Bakkerij N.V. en [naam] en anderen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Overwegende, dat eisers naar als onweersproken vaststaat tussen partijen, tegen voormeld vonnis op 13 september 2006 appèl hebben aangetekend;

Overwegende, dat Wij, naar aanleiding van het telkens zijdens de eiser zowel primair als subsidiair onder l en 2 van het petitum gevorderde opmerken, dat, voorzover een constitutieve beslissing een definitief karakter draagt, of door de wet alleen aan de gewone rechter is opgedragen (hetgeen al geldt bij maatregelen van tijdelijke aard, als surséance van betaling), de bevoegdheid, ontbreekt hieromtrent in kort geding te beslissen. Slechts dan mag in kort geding een constitutieve beslissing worden genomen wanneer dringende noodzaak noopt tot een voorlopige schorsing der bestaande rechtsbetrekking; dit toch is te zien als een voorziening bij voorraad (vide Meyers, Kort Geding, nr. 40, 2e druk, nr. 42);

Overwegende, dat nu, naar Ons gebleken is, zich in casu niet voordoet een geval als in het hiervoren overwogene aangehaald, dient te worden geweigerd hetgeen gevorderd is telkens in onderdeel I van zowel het primair als het subsidiair gevorderde;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot zowel het primair als het subsidiair gevorderde telkens onder 2 van het petitum opmerken, dat, nu de eisers gesteld noch doen blijken hebben dat zij tegen gedaagde een bodemgeschil hebben aangelegd en wat zij in dat bodemgeschil tegen gedaagde vorderen en zij dientengevolge in zoverre niet aan hun stelplicht hebben voldaan, zijnde immers geen sprake van een correlatie tussen het fundamentum petendi en het petitum, dient het gevorderde onder 2 van zowel het primair als het subsidiair gevorderde te worden geweigerd;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het gevorderde in het petitum onder 3 van zowel het primair als het subsidiair gedeelte daarvan, opmerken, dat, nu het geven aan de telkens gevraagde voorzieningen lijnrecht zou ingaan tegen de beslissingen, gegeven in conventie onder de nummers I en II van het dictum van het vonnis de dato 12 september 2006 en neerkomen zou op het ineffectief doen zijn van die beslissingen waartoe Wij als Kantonrechter niet bevoegd zijn, nu door het vonnis van 12 september 2006 het geding in eerste aanleg geëindigd is en het vervolgens aan het Hof als beroepsinstantie is om omtrent één en ander te oordelen en te beslissen, zullen Wij de ter zake gevraagde voorzieningen weigeren;

Overwegende, dat Wij, wat het subsidiair gevorderde in onderdeel 4 van het petitum betreft, opmerken, dat, nu toewijzing daarvan afsluit op het zojuist overwogene, wij dat gevorderde eveneens zullen weigeren;

Overwegende, dat Wij eisers als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zullen laten dragen;

RECHTDOENDE IN KORTGEDING:
Weigeren de gevraagde voorzieningen;
Verwijzen eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD nihil.

Aldus gewezen door mr. J.R. Von Niesewand, Kantonrechter-Plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag 17 oktober 2006 door, mr. H.E. Struiken, Kantonrechter in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier, mr. L. van Bosse.