SRU-K1-2010-9

  • Instantie Kantongerecht Eerste Kanton
  • Zaaknummer AR-104537
  • Uitspraakdatum 09 december 2010
  • Publicatiedatum 13 juni 2019
  • Rechtsgebied Civiel recht
  • Inhoudsindicatie

    – Volgens de Staat Suriname zijn er vooralsnog geen gevallen bekend waarin de bouwvergunning niet is verleend op grond van het feit dat de titel op de grond erfpacht betrof voor bebouwing en bewoning. Bij aanvraag van de bouwvergunning concentreert het Ministerie zich in beginsel uitsluitend op de technische aspecten van de bouw.
    – Nu aan anderen in dezelfde omgeving wel een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een handelszaak op erfpachtgronden met de bestemming van bebouwing en bewoning diende ook aan gedaagde sub B die bouwvergunning te worden verleend en wel op grond van het gelijkheidsbeginsel.
    – Ook in het geval waarbij een niet daartoe bevoegd orgaan van gedaagde sub A (de Staat Suriname) de voornoemde toestemming zou hebben gegeven, dan nog is de toestemming door gedaagde sub A gegeven. Er kan dan wel sprake zijn van een intern conflict welke echter ook intern moet worden opgelost (en dus eisers niet regardeert).

    SJB

Uitspraak

A.R. no. 104537
9 december 2010

Vonnis in kortgeding in de zaak van

[stichting 1] e.a
[stichting 2],
[naam 1],
[naam 2]
[naam 3],
[naam 4],
[naam 5],
[naam 6],
[naam 7],
[naam 8],
[naam 9],
[naam 10],
[naam 11],
[naam 12],
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

A. De Staat Suriname, rechtspersoon, in recht vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie,|
kantoorhoudende te Paramaribo,

B. [gedaagde sub B],
wonende te [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. G.R. Sewcharan, advocaat
gemachtigden voor gedaagde sub B: mr. B.A. Halfhide en mr. F.F.P Truideman, advocaten.

1. De procesgang

1.1  Deze blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 9 november 2010 ter griffie van het kantongerecht in ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties zijdens gedaagde sub B;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub A;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek met producties zijdens gedaagde sub A;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub B;
– de conclusie tot uitlating producties zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.  De feiten

2.1 Bij beschikking van 18 november 2008 [nummer 1] is aan gedaagde sub B verstrekt  een vergunning voor het bouwen van een winkel-woonhuis op het perceel gelegen te [district], op de hoek van [adres] en bekend als [wijk] (hierna het perceelland).

2.2 Voornoemde beschikking is bij beschikking dd. 14 augustus 2009 [nummer 2], met onmiddellijke ingang ingetrokken omdat – zakelijk weergegeven – het perceel is verkregen ter bebouwing en bewoning en niet voor het opzetten van een handelszaak.

2.3 Bij vonnis van de kantonrechter dd. 22 juli 2010 bekend onder A.R. no. 095036, is gedaagde onder verbeurte van een dwangsom verboden om op het perceelland enig ander gebouw dan een woning te bouwen.

2.4 Een verzoek van gedaagde sub B om de bestemming van het perceelland te wijzigen is bij beschikking van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer dd. 15 september 2009  LaD [nummer 3] geweigerd.

2.5 Bij beschikking van 12 oktober 2010 [nummer 4], is de intrekkingsbeschkking van 14 augustus 2009 [nummer 2] ongedaan gemaakt en is gedaagde sub B wederom in de gelegenheid gesteld om de bouwwerkzaamheden te hervatten.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. Primair:
Gedaagde sub A te bevelen om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, in te trekken en ongedaan te maken althans te doen intrekken en ongedaan te doen maken, de beschikking van de directeur van Openbare Werken dd. 12 oktober 2010 [nummer 4], waarbij aan gedaagde sub B vergunning is verleend tot het bouwen van een winkel-woonhuis op het perceel.

Subsidiair:
T schorsen althans op te schorten de werking van de als voormeld door de directeur van Openbare Werken aan gedaagde sub B d.d. 12 oktober 2010 verleende bouwvergunning.
B. Gedaagde sub A te verbieden om aan gedaagde sub B of een derde een vergunning te verlenen of te doen verlenen om op het perceel enig ander gebouw te doen opzetten dan ter bewoning.
C. Gedaagden, elke voor zoveel mogelijk te bevelen de te geven beslissingen te gehengen en te gedogen.
D. Gedaagden elk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 50.000,– voor iedere dag die zij in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen.

3.2 Eisers zijn van mening dat de gewraakte beschikking nietig en van onwaarde c.q. onrechtmatig is. Volgens eisers biedt de beschikking de mogelijkheid aan gedaagde sub B om op het perceel een woning-winkelpand op te zetten, hetgeen in strijd is met de erfpachtvoorwaarden van het perceel.

3.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagden in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van de eisers.

4.2 Gedaagde sub A voert onder meer aan dat in het verleden, geen bezwaren zijn geopperd bij het verlenen van bouwvergunningen in geval van erfpacht met bestemming bebouwing en bewoning door het Ministerie van Openbare Werken (hierna het Ministerie), integendeel werd de vergunning juist verleend. Volgens gedaagde sub A zijn er vooralsnog geen gevallen bekend waarin de bouwvergunning niet is verleend op grond van het feit dat de titel op de grond erfpacht betrof voor bebouwing en bewoning.

Gedaagde sub A betoogt dat het Ministerie zich, voor wat de aanvraag van de bouwvergunning betreft, in beginsel uitsluitend concentreert op de technische aspecten van de bouw. Dat de waarnemend onderdirecteur Bouwkundige Werken in het onderhavig geval plotseling ertoe is overgegaan de reeds verleende vergunning d.d. 18 november 2008 na bijkans een jaar in te trekken op basis van een dergelijke overweging is vooralsnog in strijd met de gedragslijn van het Ministerie, met name de actuele grondgebruikfunctie van de hele [straat] en het tot op heden gevoerd beleid van het Ministerie.

Ter onderbouwing van het voorgaande, heeft gedaagde sub A een drietal adviezen van het Ministerie overgelegd voor het bouwen van handelszaken aan de [straat], waarbij de bouwvergunning wel is verleend. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt gedaagde sub A zich op het standpunt dat nu aan anderen (onder andere in dezelfde omgeving) wel een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een handelszaak op erfpachtgronden met de bestemming van bebouwing en bewoning ook aan gedaagde sub B de bouwvergunning diende te worden verleend en wel op grond van het gelijkheidsbeginsel. Bovendien hebben eisers geen bewaar gemaakt tegen de door de districts-commissaris in de krant geplaatste bekendmaking van de handelsactiviteit van gedaagde sub B.

4.3 Eisers hebben niet althans niet gemotiveerd weersproken dat er vooralsnog geen gevallen bekend zijn waarin de bouwvergunning niet is verleend op grond van het feit dat de titel op de grond erfpacht betrof voor bebouwing en bewoning. Ook hebben zij niet weersproken dat het (sinds jaren) een constante gedragslijn is van gedaagde sub A om, vergunningen te verlenen voor bebouwing van woning-zakenpand aan derden op erfpachtpercelen met als bestemming bebouwing en bewoning. Het voorgaande staat dan ook rechtens vast tussen partijen.

De kantonrechter is het dan ook eens met gedaagde sub A dat indien in het onderhavig geval aan gedaagde sub B de vergunning voor de bouw van een woonhuis-zakenpand zou worden geweigerd, op grond van de omstandigheid dat het perceel is uitgegeven voor een andere bestemming te weten bebouwing en bewoning, terwijl aan derden wel vergunning is verleend om op erfpachtpercelen met dezelfde bestemming van bebouwing en bewoning te bouwen een woonhuis-zakenpand, in strijd zou worden gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur meer in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel waarbij gelijke gevallen ook gelijkelijk dienen te worden behandeld.

4.4 Eisers stellen verder dat de directeur van Openbare Werken de bevoegdheid mist om een bouwvergunning te verlenen die strijdig is met de bestemming van het perceel, in het onderhavig geval gaat het om het erfpachtrecht met de bestemming bebouwing en bewoning terwijl door de directeur van Openbare Werken vergunning is verleend voor het opzetten van een handelszaak. Slechts het bij wet bevoegde orgaan, te weten de Minister van Ruimtelijke Ordening Grond- en Bosbeheer is bevoegd om de bestemming van het perceel te wijzigen aldus eisers. Vooropgesteld wordt dat nu het perceel betrof een erfpachtperceel met als bestemming bebouwing en bewoning, terwijl aan gedaagde sub B toestemming (vergunning) is verleend voor het opzetten van een handelszaak, dit impliceert dat ook toestemming is verleend voor bestemmingswijziging van het perceel.

Of voornoemde toestemming van bestemmingswijziging door het daartoe bevoegde Staatsorgaan is gegeven, is in het onderhavig geval niet van belang. Immers ook indien dat niet het geval was zou dat niet kunnen leiden tot het door eisers gevorderde nu gedaagde sub B niet daarvoor verantwoordelijk kan worden gesteld, en derhalve ook geen nadeel terzake kan ondervinden.

Van belang is dat gedaagde sub A (de Staat) bevoegd is om toestemming te geven voor bestemmingswijziging, hetgeen ook is gebeurd; dus ook in het geval waarbij een niet daartoe bevoegd orgaan van gedaagde sub A de voornoemde toestemming zou hebben gegeven, dan nog is de toestemming door gedaagde sub A gegeven. Er kan dan wel sprake zijn van een intern (binnen gedaagde sub A) ontstaan conflict, echter dient dit dan ook intern te worden opgelost. Eisers kunnen daarop dan ook geen beroep doen.

4.5 Naar de kantonrechter begrijpt stellen eisers zich verder op het standpunt dat zij niet zijn gehoord bij de wijziging van de bestemming.Ook indien eisers gehoord hadden moeten worden door gedaagde sub A, dan nog kan het verzuim daartoe geen consequenties hebben voor gedaagde sub B.Een eventueel verzuim zou slechts gedaagde sub A verweten kunnen worden, indien gebleken was dat door dat verzuim eisers schade hebben geleden.Dit geding leent zich niet voor een onderzoek daartoe, gezien het karakter van het kort geding.

4.6 Op grond van al het voorgaande, in onderling verband gezien en gelezen, komt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat de beschikking d.d. 22 oktober 2010 niet nietig, van onwaarde c.q. onrechtmatig is.De gevraagde voorziening dient derhalve te worden geweigerd, met veroordeling van eisers als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

5.  De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 9 december 2010 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. D. Ramdin.

w.g.  D. Ramdin   w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
R.G. Rodrigues